id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.5 Rolnummer: P.24.0408.N Zaak: NV OPTIMCO contra L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-09-23 Raadplegingen: 617 - laatst gezien 2026-06-18 12:54 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De bijzondere bewijswaarde die overeenkomstig artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet is verbonden aan een proces-verbaal opgesteld door een daartoe bevoegd ambtenaar naar aanleiding van een overtreding op de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan geldt alleen voor de in dat proces-verbaal opgenomen zintuiglijke vaststellingen, door de verbalisant gedaan op het ogenblik van het misdrijf of kort nadien, betreffende de bestanddelen van het misdrijf en de ermee verbonden omstandigheden
(1); een vaststelling door een verbalisant dat een helm niet conform is om gebruikt te worden op een motorvoertuig, is als dusdanig geen zintuigelijke vaststelling van een materieel feit, maar betreft een beoordeling van feiten.
(1)Cass. 4 april 2023, AR P.23.0120.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.12, AC 2023, nr. 259; Cass. 24 november 2020, AR P.20.0828.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201124.2N.1, AC 2020, nr. 717; Cass. 28 oktober 2014, P.13.0595.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141028.2, AC 2014, nr.
- Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0408.N I OPTIMCO nv, met zetel te 2610 Antwerpen (Wilrijk), Sneeuwbeslaan 14, ON 0862.475.005, vrijwillig tussengekomen partij, eiseres, met als raadsman mr. Koen Dermaut, advocaat bij de balie Antwerpen, II S. M., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. David Thoeng, advocaat bij de balie Limburg, beide cassatieberoepen tegen
- L. L., burgerlijke partij,
- A. R., burgerlijke partij,
- N. P., burgerlijke partij,
- M. L., burgerlijke partij,
- D. F., burgerlijke partij,
- NATIONAAL VERBOND DER SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, met zetel 1000 Brussel, Sint-Janstraat 32-38, ON 0411.724.220, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 7 februari
- De eiseressen voeren elk in een memorie die aan dit arrest zijn gehecht, twee identieke middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- In zoverre het cassatieberoep van de eiseres I is gericht tegen de beslissing over de strafvordering, is het bij gebrek aan hoedanigheid niet ontvankelijk.
- In zoverre het cassatieberoep van de eiseres II is gericht tegen de beslissing die de strafvordering voor de telastlegging A vervallen verklaart door verjaring, is het bij gebrek aan belang evenmin ontvankelijk.
- Het bestreden vonnis kent een voorschot toe aan de verweerders. Het houdt overeenkomstig artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering ambtshalve de verdere afhandeling en bepaling van de burgerlijke belangen en de uitspraak over de gerechtskosten en rechtsplegingsvergoedingen aan. In zoverre gericht tegen die beslissingen, zijn de cassatieberoepen voorbarig en eveneens niet ontvankelijk. Eerste middel van de beide eiseressen
- Het middel voert schending aan van de artikelen 8.1.1, 8.1.4, 8.1.5, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het bestreden vonnis verklaart de eiseres II schuldig aan de telastlegging B (onopzettelijke doding verkeer) omdat de tegenligger naar het oordeel van de appelrechters geen onvoorzienbare hindernis voor de eiseres II was toen zij op het kruispunt naar links afsloeg; het oordeelt daarbij dat de getuige die vóór de eiseres II naar links afsloeg heeft verklaard: “… Maar eigenlijk merkte ik de motorfiets op omwille van de voorlichten van mijn achterligger”, terwijl die getuige aan de verbalisanten heeft verklaard: “… Maar eigenlijk merkte ik de motorfiets op omwille van de voorlichten van zijn achterligger”; aldus miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van die getuigenverklaring (eerste onderdeel); ook in zoverre het bestreden vonnis vaststelt dat de getuige de motorrijder wel degelijk kon zien aankomen, miskent het de bewijskracht van de verklaring van die getuige; deze verklaarde immers uitdrukkelijk dat zij “eigenlijk enkel een “zwarte, smalle bol” zag aankomen” (tweede onderdeel).
- In essentie oordeelt het bestreden vonnis op grond van de getuigenverklaringen van de voorligger en de achterligger van de eiseres II dat die bestuurders de motorfiets wel zagen aankomen vanuit de tegengestelde richting en dit, voor wat de voorligger betreft, op voldoende wijze om diens snelheid te kunnen inschatten en om aan de hand daarvan correct te beoordelen dat hij voldoende tijd en afstand had om zijn richtingsverandering uit te voeren. Bijgevolg heeft het onjuiste citaat van de getuigenverklaring van de voorligger geen impact op de schuldigverklaring van de eiseres II.
- In zoverre kan het eerste onderdeel niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk.
- Met de in het tweede onderdeel bekritiseerde reden geeft het bestreden vonnis van de getuigenverklaring een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is.
- In zoverre mist het tweede onderdeel feitelijke grondslag. Tweede middel van de beide eiseressen
- Het middel voert schending aan van de artikelen 8.1.1, 8.1.4, 8.1.5, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en artikel 62 Wegverkeerswet: de eiseressen hebben voor de appelrechters in ondergeschikte orde aangevoerd dat het slachtoffer door het niet-dragen van een reglementaire helm medeaansprakelijk is voor een deel van de schade; alhoewel door geen van de verweerders werd betwist dat het slachtoffer geen gehomologeerde helm droeg, oordeelt het bestreden vonnis dat het toch niet bewezen is dat hij geen correcte helm droeg; de verbalisanten hebben vastgesteld dat de helm niet conform is om te worden gebruikt op een motorvoertuig; met het oordeel dat het niet bewezen is dat het slachtoffer geen conforme helm zou hebben gedragen, miskent het bestreden vonnis bijgevolg de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal.
- De artikelen 8.1.1, 8.1.4, 8.1.5, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek zijn vreemd aan de bijzondere bewijswaarde die overeenkomstig artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet is verbonden aan een proces-verbaal opgesteld door een daartoe bevoegd ambtenaar naar aanleiding van een overtreding op de Wegverkeerswet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
- De vermelde bijzondere bewijswaarde geldt alleen voor de in het proces-verbaal van overtreding opgenomen zintuiglijke vaststellingen, door de verbalisant gedaan op het ogenblik van het misdrijf of kort nadien, betreffende de bestanddelen van het misdrijf en de ermee verbonden omstandigheden.
- Een vaststelling door een verbalisant dat een helm niet conform is om gebruikt te worden op een motorvoertuig, is als dusdanig geen zintuigelijke vaststelling van een materieel feit, maar betreft een beoordeling van feiten.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt: “Wat betreft de helm stelden de verbalisanten “dat het onmiddellijk duidelijk was dat deze [helm] niet conform is om gebruikt te worden op een motorvoertuig. Waaruit zij dat afleidden, blijkt nergens uit. Over de al dan niet certificering en Europese goedkeuring van de helm bevindt zich geen enkel gegeven in het strafdossier.” Aldus verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat het geen rekening houdt met die bewering van de verbalisanten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiseressen tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 142,31 euro, waarvan de eiseres I 34,40 euro is verschuldigd en de eiseres II 72,91 72,91 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 september 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141028.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201124.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div