Obsah (4)
Art. 193Art. 196Art. 214Art. 491id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art. 193
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 196
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 214- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BANKWEZEN.
KREDIETWEZEN. SPAARWEZEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen:
Art. 193
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 196
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 214
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen:
Art. 193
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 196
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 214
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 4 De enkele omstandigheid dat een overhandigde zaak bestaat uit geld en dus een vervangbare zaak uitmaakt, heeft niet tot gevolg dat degene die het geld ontvangt daarover zonder meer de vrije beschikking krijgt en dat het misdrijf van bedrieglijke verduistering of verspilling bedoeld in artikel 491 Strafwetboek, zoals van toepassing, slechts kan zijn voltooid op het moment waarop vaststaat dat de betrokkene het geld niet of niet meer kan of wil terugbetalen. Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Wettelijke bepalingen:
Art. 491
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 5 - 6 Een bank kan wel degelijk morele schade, waaronder reputatieschade, lijden doordat een agent geld verduistert dat de bank hem heeft toevertrouwd om de goede werking van het bankkantoor te verzekeren, ook al werd geen geld van cliënteel verduisterd; een dergelijke omstandigheid is immers van aard het vertrouwen van het publiek in de bank en haar personeel te ondermijnen en haar goede werking, met inbegrip van het onderlinge vertrouwen, te verstoren; ook deze laatste omstandigheid kan morele schade aan de rechtspersoon veroorzaken. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Morele schade. Elementen en grootte Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: BANKWEZEN. KREDIETWEZEN. SPAARWEZEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0470.N G. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kristof Windey, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen BEOBANK nv, met zetel te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 2, ON 0401.517.147, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. François Koning, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 6 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 193, 196 en 197 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de geschriften die het voorwerp uitmaken van de onder de telastleggingen A.1 en A.2 vervolgde valsheden zich opdringen aan het openbaar vertrouwen; een geschrift waarvan de inhoud slechts wordt aangenomen onder voorbehoud van controle, dringt zich immers niet op aan het openbaar vertrouwen; de aan de eiser verweten valsheden bestaan erin dat hij bij twee interne controles vanwege de verweerster zou hebben geattesteerd dat de kassa en de kluis hogere bedragen bevatten dan in werkelijkheid het geval was, teneinde de verduistering van kasgelden (telastlegging B) te verbergen; het arrest neemt ten onrechte aan dat de verweerster zonder meer mocht vertrouwen op het waarheidsgetrouwe karakter van de door haar agent ingevulde kasbladen; bovendien vermeldden de kasbladen dat zij waren opgemaakt voor eventuele onverwachte controles; bijgevolg zijn deze kasbladen geen beschermde geschriften in de zin van artikel 193 Strafwetboek.
- Het misdrijf van valsheid in geschriften als bedoeld in de artikelen 193, 196 en 214 Strafwetboek bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan.
- Een door de wet beschermd geschrift in de zin van die bepalingen is een geschrift dat in een zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbare vertrouwen opdringen, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten.
- Een geschrift dat slechts bewijswaarde heeft na aanvaarding door de bestemmeling dringt zich in de regel niet op aan het openbaar vertrouwen. Dit is slechts anders wanneer de bestemmeling de in het geschrift voorkomende vermeldingen onmogelijk kan controleren of die controle door toedoen van de uitreiker onmogelijk is gemaakt. Het staat aan de rechter uit te maken of dit het geval is, onder meer gelet op de context waarin het geschrift wordt voorgelegd.
- Het geschrift waarbij de agent van een bankinstelling gevolg geeft aan het verzoek van deze laatste om in het kader van een occasionele controle opgave te doen van de op dat moment in het bankkantoor aanwezige contante gelden in de kas en in de kluis, kan ten aanzien van deze bankinstelling in zekere mate tot bewijs strekken van wat erin wordt vermeld of vastgesteld. Dit is het geval wanneer het voor de bankinstelling in de regel onmogelijk is om dat geschrift onmiddellijk op zijn echtheid te controleren. De omstandigheid dat de bankinstelling door middel van een navolgende, meer grondige inspectie de onjuistheid van het geschrift van de agent kan vaststellen, belet de rechter niet te oordelen dat het een strafrechtelijk beschermd geschrift is. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar op grond van de concrete hem voorgelegde gegevens. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen oordeelt het arrest (p. 7-9) onder meer als volgt: - de eiser heeft toegegeven dat hij gewoon geld uit de kas heeft genomen om allerlei betalingen te doen, dat de kassabladen van 29 maart 2019 en 27 juni 2019 niet overeenstemden met de fysieke kassavoorraad op dat ogenblik en dat hij de kasbladen invulde alsof ze correct zouden zijn; - er waren twee soorten controles: eensdeels de inspectiecontroles door de dienst interne audit zoals deze uitgevoerd op 19 september 2019 en anderdeels de onverwachte interne controles (Cint-controles) uitgevoerd door de agent zelf onder supervisie van de dienst permanente controle, waarvan de resultaten werden doorgestuurd naar de hoofdzetel die dan steekproeven deed; - de eiser betwist niet dat de kasbladen door hem opgesteld op 29 maart 2019 en 27 juni 2019 niet overeenstemden met de werkelijk inhoud van de kas en de kluis, maar hij voert aan dat de kasbladen geen door de wet beschermde geschriften zijn omdat ze onderworpen zijn aan een controleplicht door de verweerster, zodat deze geschriften zich niet opdringen aan de openbare trouw; - het controlecriterium noopt tot voorzichtigheid in die zin dat de kwalificatie van het geschrift als door de wet beschermd, zal afhangen van de context waarin het geschrift wordt gebruikt; - door de verweerster werden documenten aan de eiser als agent overhandigd op onverwachte tijdstippen teneinde de inhoud van de kas en de kluis mee te delen. De eiser diende deze documenten ondertekend terug te sturen aan de dienst permanente controle van de hoofdzetel; - deze controle was slechts een momentopname van de situatie van de kas en de kluis en had enkel tot doel via steekproeven te controleren of er zich binnen een kantoor tekorten voordeden, zodat de verweerster in een later stadium eventueel een grondigere inspectiecontrole kon laten uitvoeren door de dienst interne audit; - deze interne controle had aldus niet tot doel te onderzoeken of de fysieke kasvoorraad in overeenstemming was met de bedragen ingevuld op de kasbladen; - de dienst permanente controle van de verweerster mag er van uitgaan dat de bedragen die hun agent op deze kasbladen invulde, waarheidsgetrouw en correct waren en overeenstemden met de werkelijkheid. Indien deze kasbladen tekorten zouden vermelden, zou dit voor de bank een alarmbel doen rinkelen en zou er ongetwijfeld verder grondiger intern onderzoek plaatsvinden; - het was duidelijk dat de eiser door opzettelijk onjuiste bedragen in te vullen wilde verdoezelen dat er kastekorten waren en wilde vermijden dat er een grondigere inspectiecontrole door de dienst interne audit zou volgen; - hieruit blijkt dat de eiser wist dat de controle van de kasbladen waarin hij de onjuiste bedragen meedeelde niet mogelijk was omdat hijzelf instond voor de waarachtigheid en de juistheid van deze bedragen en hijzelf aldus de controle deed voor de bestemmeling, zijnde de dienst permanente controle van de verweerster; - vermits de bedragen vermeld op de kasbladen slechts een momentopname waren van de situatie van de kas en de kluis, was immers een objectieve controle door de bank hoe dan ook niet mogelijk en mocht zij dus ervan uitgaan dat de kwestieuze kasbladen waarheidsgetrouw waren; - dat op 19 september 2019 toch een grondige interne controle plaatsvond door de dienst interne audit van de verweerster, niettegenstaande zij ervan uitging dat deze kasbladen een waarheidsgetrouw karakter hadden, doet geen afbreuk aan het voorgaande omdat die inspectiecontrole gebeurde naar aanleiding van een toevallige gebeurtenis waaruit de eiseres afleidde dat de eiser met financiële problemen te kampen had; - het is niet omdat de verweerster erop vertrouwt dat de kasbladen ingevuld door haar agenten in principe waarachtig en correct zijn, dat zij geen verdere diepgaande controles mag uitvoeren; - in deze context besluit het hof van beroep dat deze kasbladen van 29 maart 2019 en 27 juni 2019 wel degelijk beschermde geschriften zijn in de zin van artikel 193 Strafwetboek, die zich aan het openbaar vertrouwen opdrongen. Op grond van die redenen kan het arrest wettig het laatst vermelde besluit afleiden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 491 Strafwetboek: het arrest verwerpt ten onrechte het verweer van de eiser dat het misdrijf van misbruik van vertrouwen tijdens de incriminatieperiode bepaald in de telastlegging B, namelijk “tussen 1 november 2018 en 20 september 2019, meermaals, op niet nader bepaalde data”, nog niet was voltrokken op het moment van de aanhangigmaking van eisers zaak bij de vonnisrechter; het oordeelt dat het materiële feit van de verduistering en het bedrieglijk opzet bij de eiser waren verenigd op het moment waarop de eiser de gelden wegnam in de wetenschap dat hij ze niet kon terugbetalen, ongeacht het feit dat hij de bedoeling had achteraf bij de verkoop van zijn portefeuille de gelden terug te geven; weliswaar is het misdrijf van misbruik van vertrouwen een ogenblikkelijk misdrijf, maar in geval van toe-eigening van gelden als vervangbare zaken, zoals hier, mag de accipiens erover beschikken tot ze vervangen worden door andere zaken; in dat geval is het misdrijf slechts voltooid wanneer vaststaat dat de betrokkene niet of niet meer de bedoeling of de mogelijkheid heeft de gelden terug te betalen omdat slechts op dat ogenblik vaststaat dat de accipiens zich als eigenaar over de gelden heeft gedragen; de eiser had, zoals door hem verklaard tijdens het strafonderzoek, de bedoeling de gelden terug te betalen; bijgevolg was het misdrijf op het moment van de aanhangigmaking van de zaak bij de vonnisrechter nog niet voltooid.
- De enkele omstandigheid dat een overhandigde zaak bestaat uit geld en dus een vervangbare zaak uitmaakt, heeft niet tot gevolg dat degene die het geld ontvangt daarover zonder meer de vrije beschikking krijgt en dat het misdrijf van bedrieglijke verduistering of verspilling bedoeld in artikel 491 Strafwetboek, zoals van toepassing, slechts kan zijn voltooid op het moment waarop vaststaat dat de betrokkene het geld niet of niet meer kan of wil terugbetalen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De eiser is onder de telastlegging B, zoals aangepast door het arrest (p. 11), vervolgd wegens misbruik van vertrouwen door zichzelf een bedrag toe te eigenen van 54.953,81 euro, dat hem werd overhandigd door de verweerster als werkmiddelen in het kader van de agentuurovereenkomst van 20 april
- Hieruit volgt dat de eiser dat bedrag slechts mocht gebruiken voor het specifieke doel waarvoor de verweerster het hem ter beschikking had gesteld, namelijk voor de permanent goede werking van het bankkantoor dat de eiser als agent van de verweerster exploiteerde. Door die gelden bedrieglijk weg te nemen om ze voor andere doeleinden te gebruiken, namelijk voor zijn eigen financieringsbehoeften, heeft de eiser zich vanaf die wegneming als eigenaar over de gelden gedragen en dus het misdrijf van misbruik van vertrouwen met betrekking tot die gelden gepleegd, ongeacht zijn beweerde intentie om ze later terug te betalen met gelden uit de voorgenomen verkoop van zijn portefeuille. Aldus is het arrest (p. 11-12) met de redenen die het middel vermeldt, regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 8.3 en 8.4, eerste en vierde lid, Burgerlijk Wetboek: het arrest veroordeelt de eiser tot betaling van een materiële schadevergoeding aan de verweerster op grond van de bewezen verklaarde feiten van de telastlegging B; aangezien de eiser moet worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten, toont de verweerster niet aan dat haar burgerlijke vordering grond en oorzaak vindt in één van de telastleggingen A of B en diende deze vordering ongegrond te worden verklaard.
- Het arrest steunt de gegrondverklaring van de burgerlijke vordering van de verweerster niet op de feiten van de telastlegging A. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Voor het overige is het middel afgeleid uit de in het tweede middel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 8.3 en 8.4, eerste en vierde lid, Burgerlijk Wetboek: het arrest veroordeelt de eiser tot betaling van een morele schadevergoeding aan de verweerster omdat, hoewel het vaststaat dat de gelden die de eiser zich toe-eigende alleszins geen gelden van klanten waren, het beheer van de verweerster door de bewezen feiten werd verstoord en de goede werking van de verweerster zowel intern als extern in het gedrang kwam, waardoor dit morele schade veroorzaakte aan de verweerster; een rechtspersoon kan vergoeding vorderen voor de morele schade die hij lijdt ten gevolge van de aantasting van zijn eer of reputatie; er valt echter niet in te zien hoe de eer of reputatie van de verweerster zou kunnen zijn aangetast ingevolge de aan de eiser ten laste gelegde feiten; er werden immers geen klanten benadeeld; de verweerster bewijst dan ook op geen enkele manier dat zij enige reputatieschade zou hebben geleden; dat het beheer van de verweerster verstoord zou zijn geworden en haar goede werking in het gedrang zou zijn gekomen, werd niet aangetoond door de verweerster; deze elementen kunnen overigens geen morele schade vormen.
- In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Een bank kan wel degelijk morele schade, waaronder reputatieschade, lijden doordat een agent geld verduistert dat de bank hem heeft toevertrouwd om de goede werking van het bankkantoor te verzekeren, ook al werd geen geld van cliënteel verduisterd. Een dergelijke omstandigheid is immers van aard het vertrouwen van het publiek in de bank en haar personeel te ondermijnen en haar goede werking, met inbegrip van het onderlinge vertrouwen, te verstoren. Ook deze laatste omstandigheid kan morele schade aan de rechtspersoon veroorzaken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 september 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150923.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191022.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220322.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230426.2F.14 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230606.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div