← België

KBC VERZEKERINGEN nv contra P V VERZEKERINGEN cv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240920.1N.1 Rolnummer: C.21.0376.N Zaak: KBC VERZEKERINGEN nv contra P V VERZEKERINGEN cv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Unierecht - Overige Invoerdatum: 2024-10-18 Raadplegingen: 727 - laatst gezien 2026-06-19 03:21 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240920.1N.1 Fiches 1 - 3 Om te beoordelen of een elektrische fiets al dan niet een voertuig is in de zin van artikel 1.1. Richtlijn 2009/103/EG en bij uitbreiding een motorrijtuig in de zin van artikel 1 WAM, is het van belang of deze fiets zich al dan niet uitsluitend door een mechanische kracht kan voortbewegen; een elektrische fiets is geen motorrijtuig in de zin van voormelde bepalingen indien het voortbewegen ervan slechts geactiveerd kan worden na het uitoefenen van spierkracht

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Art. 29bis, § 3, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij de wet van 2 mei
  1. Thesaurus CAS: VERZEKERING - W.A.M.-VERZEKERING Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de ... - 16-09-2009 - Art. 1.1 Wet van 1 juli l956 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen - 01-07-1956 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1956070101 Wet van 1 juli l956 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen - 01-07-1956 - Art. 29bis, §§ 1, eerste lid, 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1956070101 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de ... - 16-09-2009 - Art. 1.1 Wet van 1 juli l956 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen - 01-07-1956 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1956070101 Wet van 1 juli l956 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen - 01-07-1956 - Art. 29bis, §§ 1, eerste lid, 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1956070101 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de ... - 16-09-2009 - Art. 1.1 Wet van 1 juli l956 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen - 01-07-1956 - Art. 1 - 30 ELI link Pub nr 1956070101 Wet van 1 juli l956 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen - 01-07-1956 - Art. 29bis, §§ 1, eerste lid, 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1956070101 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0376.N KBC VERZEKERINGEN nv, met zetel te 3000 Leuven, Professor Van Overstraetenplein 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0403.552.563, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen P&V VERZEKERINGEN cv, met zetel te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koningsstraat 151, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0402.236.531, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 20 mei
  2. Bij arrest van 7 april 2022 heeft het Hof een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europose Unie. Bij arrest C-286/22 van 12 oktober 2023 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie deze vraag beantwoord. De verweerster en de eiseres hebben respectievelijk op 9 november 2023 en 15 november 2023 een nota neergelegd ter griffie van het Hof. Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft op 8 juli 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  3. Krachtens artikel 29bis, § 1, 1e lid, WAM wordt bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken. Deze bepaling is ook van toepassing indien de schade opzettelijk werd veroorzaakt door de bestuurder. Krachtens paragraaf 2 van deze bepaling kunnen de bestuurder van een motorrijtuig en zijn rechthebbenden zich niet beroepen op de bepalingen van dit artikel, tenzij de bestuurder optreedt als rechthebbende van een slachtoffer dat geen bestuurder was en op voorwaarde dat hij de schade niet opzettelijk heeft veroorzaakt. Krachtens paragraaf 3, zoals van toepassing vóór de wijziging bij de wet van 2 mei 2019, moet onder motorrijtuig worden verstaan ieder voertuig bedoeld in artikel 1 van deze wet met uitzondering van rolstoelen met een eigen aandrijving die door gehandicapten in het verkeer kunnen worden gebracht. Krachtens artikel 1 WAM wordt voor de toepassing van deze wet verstaan onder motorrijtuigen: rij- of voertuigen, bestemd om zich over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, zonder aan spoorstaven te zijn gebonden; al wat aan het rij- of voertuig is gekoppeld, wordt als een deel daarvan aangemerkt. Overeenkomstig artikel 1.1 Richtlijn 2009/103/EG van 16 september 2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, zoals van toepassing vóór de wijziging bij Richtlijn 2021/2118 van 24 november 2021 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van voormelde richtlijn, hierna Richtlijn 2009/103/EG genoemd, wordt voor de toepassing van deze richtlijn verstaan onder voertuigen: alle rij- of voertuigen die bestemd zijn om zich anders dan langs spoorstaven over de grond te bewegen en die door een mechanische kracht kunnen worden gedreven, alsmede al dan niet aan de rij- of voertuigen gekoppelde aanhangwagens en opleggers.
  4. In zijn arrest van 12 oktober 2023 gewezen in de huidige zaak heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld: - vervoermiddelen die niet uitsluitend door mechanische kracht worden aangedreven en die zich dus niet over de grond kunnen voortbewegen zonder dat er spierkracht wordt gebruikt, zoals de aan de orde zijnde elektrische fiets, die overigens zonder trappen een snelheid van 20 km/u kan bereiken, kunnen derden geen lichamelijke of materiële schade berokkenen die qua ernst of omvang vergelijkbaar is met de schade die kan worden veroorzaakt door motorfietsen, auto’s, vrachtwagens of andere voertuigen die op de grond rijden en die uitsluitend door een mechanische kracht worden aangedreven, waarbij laatstgenoemde vervoermiddelen een zekere snelheid kunnen bereiken die aanzienlijk hoger is dan die welke met eerstbedoelde vervoermiddelen kan worden bereikt, en thans nog steeds het overgrote deel van het verkeer uitmaken. De met richtlijn 2009/103/EG nagestreefde doelstelling om slachtoffers van door motorrijtuigen veroorzaakte verkeersongevallen te beschermen, vereist dus niet dat eerstbedoelde vervoermiddelen onder het begrip “voertuig” in de zin van artikel 1, punt 1, van deze richtlijn vallen; - artikel 1, punt 1, Richtlijn 2009/103/EG aldus moet worden uitgelegd dat een fiets waarvan de elektrische motor uitsluitend trapondersteuning biedt en die beschikt over een functie waarmee de fiets zonder trappen versnelt tot een snelheid van 20 km/u, die echter pas kan worden geactiveerd nadat er spierkracht is gebruikt, geen “voertuig” in de zin van deze bepaling is.
  5. Hieruit volgt dat, om te beoordelen of een elektrische fiets al dan niet een voertuig is in de zin van artikel 1, punt 1, Richtlijn 2009/103/EG en bij uitbreiding een motorrijtuig in de zin van artikel 1 WAM, het van belang is of deze fiets zich al dan niet uitsluitend door een mechanische kracht kan voortbewegen. Een elektrische fiets is geen motorrijtuig in de zin van voormelde bepalingen indien het voortbewegen ervan slechts geactiveerd kan worden na het uitoefenen van spierkracht. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  6. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het feit dat spierkracht vereist is opdat de motor in werking kan treden, niet uitsluit dat de fiets een motorrijtuig is, indien de fiets, eens de motor in werking is, kan voortbewegen zonder spierkracht, faalt het, gelet op het in r.o. 2 weergegeven antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 12 oktober 2023, naar recht.
  7. Gelet op zijn beslissing dat de bestuurder altijd spierkracht moet gebruiken om gebruik te kunnen maken van de zogenaamde boost-functie, die het Hof overigens toelaat de wettigheid te controleren van zijn oordeel dat de fiets geen motorrijtuig is, vertoonde het verweer van de eiseres dat de fiets uitgerust was met een boost-functie waardoor deze autonoom, op eigen kracht kon blijven rijden, geen belang meer, zodat de appelrechter hierop niet diende te antwoorden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  8. Aangezien er geen redelijke twijfel bestaat over de juiste uitlegging van het begrip ‘voertuig’ in de zin van artikel 1.1 Richtlijn 2009/103/EG, moet de prejudiciële vraag niet worden gesteld. Derde onderdeel
  9. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat een speed pedelec, waarvan de motor trapondersteuning biedt tot 45 km/u, een kinetische energie heeft die minstens gelijk is aan deze van een bromfiets klasse A, die een maximumsnelheid van 25 km/u heeft, vereist een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het onderdeel is niet ontvankelijk.
  10. Aangezien het onderdeel niet ontvankelijk is om redenen die eigen zijn aan de cassatieprocedure, is het Hof niet gehouden de door de eiseres in ondergeschikte orde verzochte prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 258,69 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit, sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Michael Traest en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting 20 september 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240920.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240920.1N.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.