id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240920.1N.2 Rolnummer: C.23.0184.N Zaak: D. contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Insolventierecht - Constitutioneel recht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2024-10-18 Raadplegingen: 959 - laatst gezien 2026-06-18 13:54 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240920.1N.2 Fiche 1 Uit de artikelen XX.194, eerste en tweede lid, XX.161, eerste lid, 104, tweede en derde lid, 107, § 1, eerste lid WER volgt dat de eigenaar van een goed dat in het bezit is van de gefailleerde, onder voorbehoud van situaties van overmacht, beschikt over een termijn variërend van vijfendertig tot zestig dagen vanaf het vonnis van faillietverklaring, welk vonnis binnen vijf dagen na zijn dagtekening in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd en volgt tevens dat de eigenaar via de publicatie in het Belgisch Staatsblad van het uittreksel van het vonnis van faillietverklaring kennis heeft van de datum van neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen en dus van het uiterlijke ogenblik waarop hij zijn recht van terugvordering kan uitoefenen, maar dat hij niet in het bijzonder erover wordt geïnformeerd dat zijn recht op terugvordering uiterlijk op dat ogenblik moet worden uitgeoefend
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - GEVOLGEN (PERSONEN, GOEDEREN, VERBINTENISSEN) Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. 104, tweede en derde lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. 107, § 1, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.161, eerste lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.194, eerste en tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiches 2 - 5 Nu wordt aangevoerd dat de vervaltermijn om het recht tot terugvordering uit te oefenen zoals bepaald in artikel XX.194, tweede lid, WER, bijzonder kort is vooral ten aanzien van een in het buitenland gevestigde schuldeiser, bestaat er grond om aan het Grondwettelijk hof de prejudiciële vraag te stellen of artikel XX.194, tweede lid, WER artikel 16 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, schendt in zoverre de eigenaar van goederen die in het bezit van de gefailleerde zijn, vervallen is van zijn recht op terugvordering van deze goederen wanneer hij dat recht uitoefent na de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen?”
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.194, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.194, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 16 Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.194, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. XX.194, tweede lid - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0184.N G. D., eiser, vertegenwoordigd door mr. Ann Frédérique Belle, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 250, bus 10, waar de eiser woonplaats kiest. tegen
- H. B., advocaat, met kantoor te 3500 Hasselt, Luikersteenweg 264 B 0.2, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van Wijnmakelaarsunie – Les courtiers Vinicoles bv, met zetel te 3590 Diepenbeek, Sluisstraat 84, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0419.721.374, eerste verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eerste verweerder woonplaats kiest.
- KBC BANK nv, met zetel te 1080 Sint-Jans-Molenbeek, Havenlaan 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0462.920.226, tweede verweerster, vertegenwoordigd door mr. Werner Derijcke, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Marsveldplein 5, waar de tweede verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 5 januari
- Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft op 9 juli 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het middel
- De eerste verweerder voert twee gronden van niet-ontvankelijkheid van het middel aan: - de niet-bekritiseerde reden dat “(nog steeds) geen enkel bewijs van een beweerde bewaargevingsovereenkomst wordt voorgelegd”, draagt de bestreden beslissing zodat het middel belang ontbeert; - het middel is nieuw aangezien de eiser voor de appelrechters niet heeft aangevoerd dat artikel XX.194, tweede lid, WER strijdig is met de Grondwet.
- De appelrechters oordelen dat “alvorens onderzoek te doen naar de grond van de voorliggende (revindicatie)vordering”, de vraag dient te worden gesteld of de eiser al dan niet vervallen is van zijn recht om de collectie wijnen te revindiceren. Bij de beoordeling van deze vraag, verwerpen zij het door de eiser aangevoerde middel dat de eerste verweerder rechtsmisbruik pleegt door, na eerder de bewaargevingsovereenkomst te hebben verdergezet, zich thans op de vervaltermijn van artikel XX.194 WER te beroepen met de redenen dat “nog steeds geen enkel bewijs van een beweerde bewaargevingsovereenkomst wordt voorgelegd” en “er hoegenaamd geen sprake kan zijn van verderzetting van enige bewaargevingsovereenkomst wanneer uit geen enkel element blijkt dat de curator bij het openvallen van het faillissement van Wijnmakelaarsunie werd geïnformeerd of op de hoogte diende te zijn van enige bewaargeving van de collectie door [de eiser]”. Uit de context blijkt aldus dat de appelrechters zich nog niet uitspreken over het eigendomsrecht van de eiser en dat de reden dat “nog steeds geen enkel bewijs van een beweerde bewaargevingsovereenkomst wordt voorgelegd” de beslissing tot afwijzing van de revindicatievordering bijgevolg niet zelfstandig draagt. De eerste grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
- Anders dan de eerste verweerder aanvoert, heeft de eiser in zijn appelconclusie aangevoerd dat artikel XX.194, tweede lid, WER de Grondwet schendt. De tweede grond van niet-ontvankelijkheid dient eveneens te worden verworpen. Eerste onderdeel Ontvankelijkheid
- De tweede verweerster voert twee gronden van niet-ontvankelijkheid van het eerste onderdeel aan: - het onderdeel vertoont geen belang aangezien de appelrechters oordelen dat geen schending van het eigendomsrecht voorligt en de eiser nalaat aan te duiden dat het instellen van de revindicatievordering meer dan negen maanden na de publicatie van het faillissementsvonnis in het Belgisch Staatsblad binnen de doelstellingen van de faillissementswetgever past en als tijdig moet worden beschouwd; - het onderdeel voert aan dat de termijn van artikel XX.194, tweede lid, WER vooral ten aanzien van een buitenlandse schuldeiser bijzonder kort is, maar laat na schending aan te voeren van artikel XX.3 WER en voldoet bijgevolg niet aan het vereiste van artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek.
- De in het onderdeel ontwikkelde grief dat de appelrechters, door toepassing te maken van de vervaltermijn van artikel XX.194 WER, op onevenredige wijze afbreuk doen aan het eigendomsrecht van de eiser, kan, indien deze grief gegrond blijkt, leiden tot cassatie van de bestreden beslissing en vertoont bijgevolg belang. De eerste grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
- De aangevoerde schending van artikel 16 Grondwet en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM volstaan om tot cassatie te kunnen leiden, zonder dat daarenboven schending van artikel XX.3 WER diende te worden aangevoerd. De tweede grond van niet-ontvankelijkheid moet eveneens worden verworpen. Gegrondheid
- Overeenkomstig artikel XX.194, eerste lid, WER doet het faillissement geen afbreuk aan het recht van terugvordering van de eigenaar van de goederen die in het bezit zijn van de schuldenaar. Het tweede lid van deze bepaling vervolgt dat de rechtsvordering tot terugvordering op straffe van verval moet worden ingesteld voor de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. Overeenkomstig artikel XX.161, eerste lid, WER leggen de curatoren het eerste proces-verbaal van verificatie neer in het register op de in het vonnis van faillietverklaring bepaalde dag. Krachtens artikel 104, tweede lid, WER beveelt de insolventierechtbank dat de schuldeisers van de gefailleerde in het register aangifte van hun vordering zullen doen binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen, te rekenen van het vonnis van faillietverklaring, en zij beveelt de bekendmaking bedoeld in artikel XX.
- Krachtens artikel 104, derde lid, WER bepaalt hetzelfde vonnis de datum waarop het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen in het register wordt neergelegd. Dit tijdstip wordt zo gekozen dat er ten minste vijf en ten hoogste dertig dagen verlopen tussen het verstrijken van de termijn van aangifte van de schuldvorderingen en de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie. Krachtens artikel 107, § 1, eerste lid, WER wordt het vonnis van faillietverklaring door de curator binnen vijf dagen na zijn dagtekening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Krachtens het tweede lid van deze bepaling bevat het uittreksel onder meer: 5° de termijn en modaliteiten om aangifte van de schuldvorderingen in het register te doen; 6° de datum van de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen.
- Uit deze bepalingen volgt dat de eigenaar van een goed dat in het bezit is van de gefailleerde, onder voorbehoud van situaties van overmacht, beschikt over een termijn variërend van vijfendertig tot zestig dagen vanaf het vonnis van faillietverklaring, welk vonnis binnen de vijf dagen na zijn dagtekening in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd. Uit deze bepalingen volgt tevens dat de eigenaar via de publicatie in het Belgisch Staatsblad van het uittreksel van het vonnis van faillietverklaring kennis heeft van de datum van neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen en dus van het uiterlijke ogenblik waarop hij zijn recht van terugvordering kan uitoefenen, maar dat hij niet in het bijzonder erover wordt geïnformeerd dat zijn recht op terugvordering uiterlijk op dat ogenblik moet worden uitgeoefend.
- De eiser voert aan dat de vervaltermijn om het recht tot terugvordering uit te oefenen zoals bepaald in artikel XX.194, tweede lid, WER bijzonder kort is, vooral ten aanzien van een in het buitenland gevestigde schuldeiser, des te meer aangezien de wet niet in een verlenging van termijn voorziet voor buitenlandse betrokkenen. Hij voert aan dat artikel XX.194, tweede lid, WER artikel 16 Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, schendt en verzoekt het Hof dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
- Er bestaat grond om het Grondwettelijk Hof de in het dictum vermelde vraag te stellen. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Grondwettelijk Hof zal hebben geantwoord op de volgende prejudiciële vraag: “Schendt artikel XX.194, tweede lid, WER artikel 16 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, in zoverre de eigenaar van goederen die in het bezit van de gefailleerde zijn, vervallen is van zijn recht op terugvordering van deze goederen wanneer hij dat recht uitoefent na de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen?’’ Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Michael Traest en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 20 september 2024 uitgesproken door sectievoorzitter, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240920.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240920.1N.2 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251127.1N.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251127.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div