← België

V. contra BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 203, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.

792 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 203, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.

792 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 203, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.

792 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1431.N

  1. D. V., beklaagde, eiser,
  2. R. V., beklaagde, eiseres, beiden met als raadsman mr. Peter Callebaut, advocaat bij de balie Dendermonde, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Sint-Lievenslaan 27, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67/14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 27 september
  3. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers hun cassatieberoep hebben laten betekenen aan de verweerder, zoals vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen het arrest in de mate dit betrekking heeft op de beslissing over de door de verweerder tegen hen ingestelde rechtsvordering inzake de onterecht verkregen bijzondere accijns, is het cassatieberoep van de eisers niet ontvankelijk. Eerste middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door louter de argumentatie van de verweerder over te nemen en niet te antwoorden op de in de appelconclusie van de eisers aangevoerde argumentatie, omkleden de appelrechters het oordeel dat het hoger beroep van de eisers laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk moet worden verklaard, niet regelmatig met redenen.
  6. Het middel preciseert niet welk verweer precies van de eisers het arrest niet beantwoordt. Bijgevolg is het middel onduidelijk en dienvolgens niet ontvankelijk. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 10 Grondwet, artikel 792 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 2, 3 en 4 van de wet van 26 december 2022 betreffende de vermelding van de rechtsmiddelen en houdende diverse bepalingen in gerechtelijke zaken: het oordeel dat het hoger beroep van de eisers laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk is, is niet naar recht verantwoord; bij de mededeling van het beroepen vonnis van 26 oktober 2022 aan de eisers door de griffie werd geen melding gemaakt en geen mededeling gedaan van de rechtsmiddelen, noch van de wijze waarop en de termijn binnen welke de rechtsmiddelen moeten worden ingesteld, zodat de beroepstermijn geen aanvang heeft genomen en het op 28 november 2022 ingestelde hoger beroep binnen de wettelijke termijn werd ingesteld; zo niet zou het recht op een eerlijk proces en in voorkomend geval ook het gelijkheidsbeginsel worden miskend, aangezien er aldus een verschil in behandeling zou zijn tussen enerzijds een rechtszoekende die wordt bijgestaan door een advocaat die de kennisgeving van het vonnis ontvangt, en anderzijds een rechtszoekende die zelf de kennisgeving of de betekening via gerechtsdeurwaardersexploot ontvangt, met name wanneer hij tijdens het beraad niet meer wordt bijgestaan door een advocaat.
  8. De voormelde wet van 26 december 2022 was nog niet in werking op het ogenblik van het beroepen vonnis, noch tijdens de beroepstermijn tegen dat vonnis. In zoverre faalt het middel naar recht.
  9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eisers in eerste aanleg werden bijgestaan door een raadsman; - het beroepen vonnis van 26 oktober 2022 dat de eisers heeft veroordeeld, op tegenspraak werd gewezen; - de voormelde raadsman van de eisers op 28 november 2022 hoger beroep heeft aangetekend door een verklaring ter griffie en de neerlegging van een grievenschrift; - het arrest het hoger beroep van de eisers laattijdig en bijgevolg niet ontvankelijk verklaart.
  10. Bij toepassing van artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering vervalt het recht van hoger beroep tegen een op tegenspraak gewezen vonnis indien de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van de uitspraak. Die beroepstermijn is niet afhankelijk van de kennisgeving zoals bedoeld in artikel 792 Gerechtelijk Wetboek, zodat de omstandigheid dat bij die kennisgeving geen melding werd gemaakt van de wijze waarop en de termijn binnen welke rechtsmiddelen tegen het vonnis kunnen worden aangewend, daaraan geen afbreuk doet. Dit houdt geen miskenning in van het recht op een eerlijk proces van de partij die hoger beroep wenst aan te tekenen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. De aangevoerde miskenning van het gelijkheidsbeginsel is afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde wetsschending. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 24 september 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240924.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.176 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.