← België

B. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240924.2N.2 Rolnummer: P.24.0394.N Zaak: B. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2024-09-30 Raadplegingen: 691 - laatst gezien 2026-06-19 00:44 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 5 Uit de bepalingen van de artikelen 19, tweede lid en 20, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, volgt dat de beschuldigde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt en van wie de verwijzing wordt gevorderd naar een hof van assisen zoals bedoeld in artikel 19, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, zijn verzoek tot taalverwijzing dient te richten aan de kamer van inbeschuldigingstelling die over de verwijzing naar het hof van assisen moet oordelen en een aan het hof van assisen gericht verzoek tot taalverwijzing is dan ook onontvankelijk; de omstandigheid dat een beschuldigde geen taalverwijzing kan vorderen voor het hof van assisen, houdt geen miskenning in van diens recht van verdediging noch van artikel 6 EVRM aangezien de beschuldigde een taalverwijzing kan vorderen voor de kamer van inbeschuldigingstelling die over de verwijzing naar het hof van assisen moet oordelen

(1).
(1)De Taalwet Gerechtszaken gaat uit van het principe van de ééntaligheid van de rechtspleging dat evenwel verzoend wordt met de taalvrijheid van de partijen zodat deze onder bepaalde voorwaarden een taalwijziging kunnen vragen. De essentie van de problematiek in deze zaak was te weten op welk ogenblik en voor welke instantie in criminele zaken die voor het hof van assisen zullen worden gebracht een taalwijziging kan worden aangevraagd. Het antwoord op die vraag is vervat in artikel 20 Taalwet Gerechtszaken dat stelt dat een dergelijke taalwijziging enkel kan worden toegestaan door de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de regeling van de rechtspleging. Een taalwijziging moet door de beschuldigde dus worden gevraagd aan de kamer van inbeschuldigingstelling vóór deze hem naar het hof van assisen verwijst (Cass. 2 mei 1995, AR P.95.0334.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950502.11, AC 1995, nr. 219; Cass. 13 december 1954, AC 1955, p. 265, Pas., 1954, I, p. 364; Cass. 17 april 1950, Pas. 1950, I, p. 555; L. LINDEMANS, Taalgebruik in gerechtszaken, in APR 1973, p. 123-124, nr.
  1. L. LINDEMANS en M. VAN REYBROUCK, “Wet Talen Gerechtszaken Art. 20”, in Comm. Ger., Kluwer, afl. 52, p. 3, nr. 3). Deze regel lijkt niet alleen bijzonder logisch en redelijk maar is ook vanuit proceseconomisch oogpunt evident, aangezien het niet aanvaardbaar zou zijn dat met een dergelijk verzoek zou worden gewacht tot de zaak bij het hof van assisen zou aanhangig gemaakt zijn. Daaruit volgt dan ook dat wanneer de beschuldigde voor de kamer van inbeschuldigingstelling een dergelijke verwijzing heeft gevraagd, hij zijn recht op verwijzing krachtens artikel 20 heeft verbeurd. Er bestaat evenwel een afwijkende regeling bij een verwijzing naar het hof van assisen van Brussel-Hoofdstad dat zetelt in het Frans of het Nederlands of naar het hof van assisen van Luik dat zetelt in het Frans of het Duits, waar volgens art. 19, derde lid, Taalwet Gerechtszaken de taalwijziging nog kan worden gevraagd uiterlijk “in de loop van de ondervraging vermeld in art. 293 Sv.” Dat artikel voorzag in een verplichte ondervraging door de voorzitter van het hof van assisen ‘ten laatste tien dagen nadat de stukken ter griffie zijn ingeleverd en de beschuldigde in het huis van bewaring is aangekomen te zittingsdag'. Dat artikel werd bij wet van 20 september 2002 (BS 22 oktober 2002) evenwel gewijzigd en nadien bij wet van 21 december 2009 (BS 11 januari 2010) ingevoegd als artikel 254 in het Wetboek van Strafvordering. Belangrijk daarbij is vast te stellen dat deze ondervraging niet meer verplicht is aangezien de tekst stelt dat de voorzitter de beschuldigde kan ondervragen en spreekt thans van ‘ten laatste vijftien dagen na de dagvaarding om te verschijnen op de preliminaire zitting'. In de praktijk lijkt dit artikel eerder in onbruik te zijn gevallen maar alleszins dient opgemerkt te worden dat dit duidelijk moet worden onderscheiden van het verhoor van de beschuldigde door de voorzitter in openbare terechtzitting waarmee het debat ten gronde, vóór het horen van de getuigen, doorgaans aanvangt. Het is inderdaad zo dat een beklaagde die dient te verschijnen voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank op basis van artikel 23 Taalwet Gerechtszaken de taalwijziging kan vragen naar een rechtbank waar de procedure geschiedt in zijn taal. De rechtstoestand van een dergelijke beklaagde is echter niet te vergelijken met die van een beschuldigde die het voorwerp uitmaakt van een vordering tot verwijzing naar een hof van assisen en die over de mogelijkheid beschikt om een dergelijke taalwijziging aan te vragen tijdens de regeling van de rechtspleging en de verwijzing door de kamer van inbeschuldigingstelling. Net ook omwille van die mogelijkheid die aan een beschuldigde wordt geboden houdt de onmogelijkheid om dit te vragen aan het hof van assisen zelf geen miskenning in van het recht van verdediging noch van artikel 6 EVRM. Alhoewel die afwijkende regeling hier hoe dan ook niet aan de orde was vermits de eiser werd verwezen naar het hof van assisen van West-Vlaanderen, riep hij toch in dat er geen enkele reden was om hem anders te behandelen dan een beschuldigde die wordt verwezen naar het hof van assisen van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en die gerechtigd is ‘een aanvraag tot taalverwijzing te doen uiterlijk in de loop van de ondervraging door de voorzitter van het hof van assisen zoals bedoeld in artikel 293 van het Wetboek van Strafvordering, thans artikel 254, derde lid, Wetboek van Strafvordering'. Niets belet dat een verzoek tot taalwijziging wordt gesteld aan de kamer van inbeschuldigingstelling bij het regelen van de rechtspleging met het oog op een verwijzing naar het hof van assisen van Brussel-Hoofdstad. Proceseconomisch lijkt dat trouwens de beste oplossing aangezien bij het toestaan van een taalwijziging onvermijdelijk zal dienen te worden overgegaan tot een vertaling van het- soms zeer omvangrijk – dossier. Quid wanneer het verzoek niet werd gesteld aan de kamer van inbeschuldigingstelling? Men kan in dat geval terugvallen op het artikel 254, derde lid, Wetboek van Strafvordering, maar dat veronderstelt natuurlijk wel dat de voorzitter van het hof van assisen inderdaad voorafgaand aan de zitting ten gronde is overgegaan tot een ondervraging van de beschuldigde en deze bij die gelegenheid om een taalwijziging heeft verzocht (Cass. 30 mei 2006, AR P.06.0748.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060530.4, AC 2006, nr.
  2. (onder gelding van het oude artikel 293 Wetboek van Strafvordering). Quid evenwel wanneer een dergelijke voorafgaand verhoor, dat zoals reeds gezegd niet meer verplicht is, niet heeft plaatsgegrepen? Aan wie dient dan een verzoek tot taalwijziging te worden gesteld? Uit een arrest van 31 mei 2006, AR P.06.0743.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060531.2 van het Hof van Cassatie lijkt te volgen dat het de voorzitter is van het hof van assisen aan wie de vraag moet worden gericht en die een dergelijke beslissing neemt. In tegenstelling tot het arrest van 30 mei 2006 wordt hier inderdaad niet verwezen naar artikel 293 Wetboek van Strafvordering. Een laatste vraag is dan tot wanneer een dergelijk verzoek tot taalwijziging nog kan worden ingediend? Volgens D. DILLENBOURG (“La réforme de la cour d'assises et ses incidences sur les juridictions correctionnelles”, RDP 2010, (396-443), p. 423.), die de vraag verbindt met de ondervraging ex artikel 254 Wetboek van Strafvordering, zou dat dienen te gebeuren ten laatste 15 dagen vóór de preliminaire zitting, terwijl P. MORLET (“La cour d'assises (Première partie)”, in Droit pénal et procédure pénale, Suppl. 19 (15 februari 2008), p. 23-24, nr. 55) lijkt te suggereren dat dit zou kunnen tot op het ogenblik van de opening van het debat. Deze laatste auteur wijst er evenwel op dat het net daarom van belang is dat de voorzitter van het hof van assisen van Brussel-Hoofdstad overgaat tot een verhoor van de beschuldigde “afin d'éviter qu'une demande de changement de langue soit formée dans un délai trop rapproché de l'ouverture des débats, voire au moment de cette ouverture”. Uit het voorgaande volgt alleszins dat een beschuldigde die kan worden of is verwezen naar het hof van assisen van Brussel-Hoofdstad over voldoende mogelijkheden beschikt om ten gepaste tijde een taalwijziging aan te vragen op basis van artikel 19, derde lid of artikel 20 Taalwet Gerechtszaken. Het is uiteraard wenselijk vanuit proceseconomisch standpunt dat een dergelijk verzoek plaatsgrijpt op een ogenblik dat de rechtsgang daardoor minimaal wordt geïmpacteerd dus liefst vooraleer één van de fases van de assisenprocedure een aanvang neemt. Dit zou derhalve betekenen dat dit idealiter zou gebeuren voor de kamer van inbeschuldigingstelling bij de regeling van de rechtspleging en de verwijzing, zoals dat ook het geval is voor de andere hoven van assisen. Een andere mogelijkheid is dat de voorzitter van het hof van assisen Brussel-Hoofdstad gebruik maakt van de mogelijkheid die hem wordt geboden door artikel 254 Wetboek van Strafvordering om de beschuldigde te ondervragen over een eventueel verzoek tot taalwijziging. Tenslotte zou ook de preliminaire zitting als ultieme datum voor het indienen van een verzoek tot taalwijziging in aanmerking kunnen komen alhoewel dit toch problematisch is. Niet alleen ligt de preliminaire zitting vrij dicht bij de aanvang van de zitting ten gronde maar daarenboven worden op die zitting reeds een aantal zaken geregeld die te maken hebben met de grond van de zaak die zal worden behandeld, met name de lijst van getuigen, de controle van de bijzondere opsporingsmethoden en het onderzoek van nietigheden en oorzaken van onontvankelijkheid of verval van de strafvordering. Tenslotte lijkt het uitgesloten dat een dergelijk verzoek nog zou worden ingediend eens de jury werd samengesteld bij toepassing van artikel 289, § 3, Wetboek van Strafvordering aangezien men op dat ogenblik inderdaad in de fase van de zitting ten gronde belandt. De beschuldigde heeft dan immers een aantal hem toekomende rechten reeds uitgeoefend, zoals het wraken van juryleden, zodat een dergelijk verzoek op dat ogenblik van aard zou zijn de rechtsgang te belemmeren. AW Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In eerste aanleg - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 19, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 20, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 19, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 20, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - RECHTSPLEGING TOT DE VERWIJZING NAAR HET HOF Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 19, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 20, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 19, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 20, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 19, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 20, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Fiches 6 - 9 De situatie van een beklaagde die voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank om een taalverwijzing verzoekt, valt niet te vergelijken met de situatie van een beschuldigde die het voorwerp uitmaakt van een vordering tot verwijzing naar het hof van assisen en naar aanleiding hiervan aan de kamer van inbeschuldigingstelling om een taalverwijzing kan verzoeken, zodat de prejudiciële vraag betrekking heeft op niet-vergelijkbare rechtstoestanden, en derhalve niet wordt gesteld
(1).
(1)De Taalwet Gerechtszaken gaat uit van het principe van de ééntaligheid van de rechtspleging dat evenwel verzoend wordt met de taalvrijheid van de partijen zodat deze onder bepaalde voorwaarden een taalwijziging kunnen vragen. De essentie van de problematiek in deze zaak was te weten op welk ogenblik en voor welke instantie in criminele zaken die voor het hof van assisen zullen worden gebracht een taalwijziging kan worden aangevraagd. Het antwoord op die vraag is vervat in artikel 20 Taalwet Gerechtszaken dat stelt dat een dergelijke taalwijziging enkel kan worden toegestaan door de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de regeling van de rechtspleging. Een taalwijziging moet door de beschuldigde dus worden gevraagd aan de kamer van inbeschuldigingstelling vóór deze hem naar het hof van assisen verwijst (Cass. 2 mei 1995, AR P.95.0334.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950502.11, AC 1995, nr. 219; Cass. 13 december 1954, AC 1955, p. 265, Pas., 1954, I, p. 364; Cass. 17 april 1950, Pas. 1950, I, p. 555; L. LINDEMANS, Taalgebruik in gerechtszaken, in APR 1973, p. 123-124, nr.
  1. L. LINDEMANS en M. VAN REYBROUCK, “Wet Talen Gerechtszaken Art. 20”, in Comm. Ger., Kluwer, afl. 52, p. 3, nr. 3). Deze regel lijkt niet alleen bijzonder logisch en redelijk maar is ook vanuit proceseconomisch oogpunt evident, aangezien het niet aanvaardbaar zou zijn dat met een dergelijk verzoek zou worden gewacht tot de zaak bij het hof van assisen zou aanhangig gemaakt zijn. Daaruit volgt dan ook dat wanneer de beschuldigde voor de kamer van inbeschuldigingstelling een dergelijke verwijzing heeft gevraagd, hij zijn recht op verwijzing krachtens artikel 20 heeft verbeurd. Er bestaat evenwel een afwijkende regeling bij een verwijzing naar het hof van assisen van Brussel-Hoofdstad dat zetelt in het Frans of het Nederlands of naar het hof van assisen van Luik dat zetelt in het Frans of het Duits, waar volgens art. 19, derde lid, Taalwet Gerechtszaken de taalwijziging nog kan worden gevraagd uiterlijk “in de loop van de ondervraging vermeld in art. 293 Sv.” Dat artikel voorzag in een verplichte ondervraging door de voorzitter van het hof van assisen ‘ten laatste tien dagen nadat de stukken ter griffie zijn ingeleverd en de beschuldigde in het huis van bewaring is aangekomen te zittingsdag'. Dat artikel werd bij wet van 20 september 2002 (BS 22 oktober 2002) evenwel gewijzigd en nadien bij wet van 21 december 2009 (BS 11 januari 2010) ingevoegd als artikel 254 in het Wetboek van Strafvordering. Belangrijk daarbij is vast te stellen dat deze ondervraging niet meer verplicht is aangezien de tekst stelt dat de voorzitter de beschuldigde kan ondervragen en spreekt thans van ‘ten laatste vijftien dagen na de dagvaarding om te verschijnen op de preliminaire zitting'. In de praktijk lijkt dit artikel eerder in onbruik te zijn gevallen maar alleszins dient opgemerkt te worden dat dit duidelijk moet worden onderscheiden van het verhoor van de beschuldigde door de voorzitter in openbare terechtzitting waarmee het debat ten gronde, vóór het horen van de getuigen, doorgaans aanvangt. Het is inderdaad zo dat een beklaagde die dient te verschijnen voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank op basis van artikel 23 Taalwet Gerechtszaken de taalwijziging kan vragen naar een rechtbank waar de procedure geschiedt in zijn taal. De rechtstoestand van een dergelijke beklaagde is echter niet te vergelijken met die van een beschuldigde die het voorwerp uitmaakt van een vordering tot verwijzing naar een hof van assisen en die over de mogelijkheid beschikt om een dergelijke taalwijziging aan te vragen tijdens de regeling van de rechtspleging en de verwijzing door de kamer van inbeschuldigingstelling. Net ook omwille van die mogelijkheid die aan een beschuldigde wordt geboden houdt de onmogelijkheid om dit te vragen aan het hof van assisen zelf geen miskenning in van het recht van verdediging noch van artikel 6 EVRM. Alhoewel die afwijkende regeling hier hoe dan ook niet aan de orde was vermits de eiser werd verwezen naar het hof van assisen van West-Vlaanderen, riep hij toch in dat er geen enkele reden was om hem anders te behandelen dan een beschuldigde die wordt verwezen naar het hof van assisen van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en die gerechtigd is ‘een aanvraag tot taalverwijzing te doen uiterlijk in de loop van de ondervraging door de voorzitter van het hof van assisen zoals bedoeld in artikel 293 van het Wetboek van Strafvordering, thans artikel 254, derde lid, Wetboek van Strafvordering'. Niets belet dat een verzoek tot taalwijziging wordt gesteld aan de kamer van inbeschuldigingstelling bij het regelen van de rechtspleging met het oog op een verwijzing naar het hof van assisen van Brussel-Hoofdstad. Proceseconomisch lijkt dat trouwens de beste oplossing aangezien bij het toestaan van een taalwijziging onvermijdelijk zal dienen te worden overgegaan tot een vertaling van het- soms zeer omvangrijk – dossier. Quid wanneer het verzoek niet werd gesteld aan de kamer van inbeschuldigingstelling? Men kan in dat geval terugvallen op het artikel 254, derde lid, Wetboek van Strafvordering, maar dat veronderstelt natuurlijk wel dat de voorzitter van het hof van assisen inderdaad voorafgaand aan de zitting ten gronde is overgegaan tot een ondervraging van de beschuldigde en deze bij die gelegenheid om een taalwijziging heeft verzocht (Cass. 30 mei 2006, AR P.06.0748.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060530.4, AC 2006, nr.
  2. (onder gelding van het oude artikel 293 Wetboek van Strafvordering). Quid evenwel wanneer een dergelijke voorafgaand verhoor, dat zoals reeds gezegd niet meer verplicht is, niet heeft plaatsgegrepen? Aan wie dient dan een verzoek tot taalwijziging te worden gesteld? Uit een arrest van 31 mei 2006, AR P.06.0743.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060531.2 van het Hof van Cassatie lijkt te volgen dat het de voorzitter is van het hof van assisen aan wie de vraag moet worden gericht en die een dergelijke beslissing neemt. In tegenstelling tot het arrest van 30 mei 2006 wordt hier inderdaad niet verwezen naar artikel 293 Wetboek van Strafvordering. Een laatste vraag is dan tot wanneer een dergelijk verzoek tot taalwijziging nog kan worden ingediend? Volgens D. DILLENBOURG (“La réforme de la cour d'assises et ses incidences sur les juridictions correctionnelles”, RDP 2010, (396-443), p. 423.), die de vraag verbindt met de ondervraging ex artikel 254 Wetboek van Strafvordering, zou dat dienen te gebeuren ten laatste 15 dagen vóór de preliminaire zitting, terwijl P. MORLET (“La cour d'assises (Première partie)”, in Droit pénal et procédure pénale, Suppl. 19 (15 februari 2008), p. 23-24, nr. 55) lijkt te suggereren dat dit zou kunnen tot op het ogenblik van de opening van het debat. Deze laatste auteur wijst er evenwel op dat het net daarom van belang is dat de voorzitter van het hof van assisen van Brussel-Hoofdstad overgaat tot een verhoor van de beschuldigde “afin d'éviter qu'une demande de changement de langue soit formée dans un délai trop rapproché de l'ouverture des débats, voire au moment de cette ouverture”. Uit het voorgaande volgt alleszins dat een beschuldigde die kan worden of is verwezen naar het hof van assisen van Brussel-Hoofdstad over voldoende mogelijkheden beschikt om ten gepaste tijde een taalwijziging aan te vragen op basis van artikel 19, derde lid of artikel 20 Taalwet Gerechtszaken. Het is uiteraard wenselijk vanuit proceseconomisch standpunt dat een dergelijk verzoek plaatsgrijpt op een ogenblik dat de rechtsgang daardoor minimaal wordt geïmpacteerd dus liefst vooraleer één van de fases van de assisenprocedure een aanvang neemt. Dit zou derhalve betekenen dat dit idealiter zou gebeuren voor de kamer van inbeschuldigingstelling bij de regeling van de rechtspleging en de verwijzing, zoals dat ook het geval is voor de andere hoven van assisen. Een andere mogelijkheid is dat de voorzitter van het hof van assisen Brussel-Hoofdstad gebruik maakt van de mogelijkheid die hem wordt geboden door artikel 254 Wetboek van Strafvordering om de beschuldigde te ondervragen over een eventueel verzoek tot taalwijziging. Tenslotte zou ook de preliminaire zitting als ultieme datum voor het indienen van een verzoek tot taalwijziging in aanmerking kunnen komen alhoewel dit toch problematisch is. Niet alleen ligt de preliminaire zitting vrij dicht bij de aanvang van de zitting ten gronde maar daarenboven worden op die zitting reeds een aantal zaken geregeld die te maken hebben met de grond van de zaak die zal worden behandeld, met name de lijst van getuigen, de controle van de bijzondere opsporingsmethoden en het onderzoek van nietigheden en oorzaken van onontvankelijkheid of verval van de strafvordering. Tenslotte lijkt het uitgesloten dat een dergelijk verzoek nog zou worden ingediend eens de jury werd samengesteld bij toepassing van artikel 289, § 3, Wetboek van Strafvordering aangezien men op dat ogenblik inderdaad in de fase van de zitting ten gronde belandt. De beschuldigde heeft dan immers een aantal hem toekomende rechten reeds uitgeoefend, zoals het wraken van juryleden, zodat een dergelijk verzoek op dat ogenblik van aard zou zijn de rechtsgang te belemmeren. AW Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 19, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 20, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 19, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 20, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 19, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 20, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In eerste aanleg - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 19, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 20, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Fiches 10 - 11 Wanneer de jury bij toepassing van artikel 289, § 3, Wetboek van Strafvordering reeds is samengesteld, kan een beschuldigde die door de kamer van inbeschuldigingstelling werd verwezen naar het hof van assisen geen ontvankelijk verzoek tot taalverwijzing meer formuleren in de zin van artikel 20 Taalwet Gerechtszaken en evenmin om een taalwijziging verzoeken in de zin van artikel 19, derde lid, Taalwet Gerechtszaken
(1).
(1)De Taalwet Gerechtszaken gaat uit van het principe van de ééntaligheid van de rechtspleging dat evenwel verzoend wordt met de taalvrijheid van de partijen zodat deze onder bepaalde voorwaarden een taalwijziging kunnen vragen. De essentie van de problematiek in deze zaak was te weten op welk ogenblik en voor welke instantie in criminele zaken die voor het hof van assisen zullen worden gebracht een taalwijziging kan worden aangevraagd. Het antwoord op die vraag is vervat in artikel 20 Taalwet Gerechtszaken dat stelt dat een dergelijke taalwijziging enkel kan worden toegestaan door de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de regeling van de rechtspleging. Een taalwijziging moet door de beschuldigde dus worden gevraagd aan de kamer van inbeschuldigingstelling vóór deze hem naar het hof van assisen verwijst (Cass. 2 mei 1995, AR P.95.0334.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950502.11, AC 1995, nr. 219; Cass. 13 december 1954, AC 1955, p. 265, Pas., 1954, I, p. 364; Cass. 17 april 1950, Pas. 1950, I, p. 555; L. LINDEMANS, Taalgebruik in gerechtszaken, in APR 1973, p. 123-124, nr.
  1. L. LINDEMANS en M. VAN REYBROUCK, “Wet Talen Gerechtszaken Art. 20”, in Comm. Ger., Kluwer, afl. 52, p. 3, nr. 3). Deze regel lijkt niet alleen bijzonder logisch en redelijk maar is ook vanuit proceseconomisch oogpunt evident, aangezien het niet aanvaardbaar zou zijn dat met een dergelijk verzoek zou worden gewacht tot de zaak bij het hof van assisen zou aanhangig gemaakt zijn. Daaruit volgt dan ook dat wanneer de beschuldigde voor de kamer van inbeschuldigingstelling een dergelijke verwijzing heeft gevraagd, hij zijn recht op verwijzing krachtens artikel 20 heeft verbeurd. Er bestaat evenwel een afwijkende regeling bij een verwijzing naar het hof van assisen van Brussel-Hoofdstad dat zetelt in het Frans of het Nederlands of naar het hof van assisen van Luik dat zetelt in het Frans of het Duits, waar volgens art. 19, derde lid, Taalwet Gerechtszaken de taalwijziging nog kan worden gevraagd uiterlijk “in de loop van de ondervraging vermeld in art. 293 Sv.” Dat artikel voorzag in een verplichte ondervraging door de voorzitter van het hof van assisen ‘ten laatste tien dagen nadat de stukken ter griffie zijn ingeleverd en de beschuldigde in het huis van bewaring is aangekomen te zittingsdag'. Dat artikel werd bij wet van 20 september 2002 (BS 22 oktober 2002) evenwel gewijzigd en nadien bij wet van 21 december 2009 (BS 11 januari 2010) ingevoegd als artikel 254 in het Wetboek van Strafvordering. Belangrijk daarbij is vast te stellen dat deze ondervraging niet meer verplicht is aangezien de tekst stelt dat de voorzitter de beschuldigde kan ondervragen en spreekt thans van ‘ten laatste vijftien dagen na de dagvaarding om te verschijnen op de preliminaire zitting'. In de praktijk lijkt dit artikel eerder in onbruik te zijn gevallen maar alleszins dient opgemerkt te worden dat dit duidelijk moet worden onderscheiden van het verhoor van de beschuldigde door de voorzitter in openbare terechtzitting waarmee het debat ten gronde, vóór het horen van de getuigen, doorgaans aanvangt. Het is inderdaad zo dat een beklaagde die dient te verschijnen voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank op basis van artikel 23 Taalwet Gerechtszaken de taalwijziging kan vragen naar een rechtbank waar de procedure geschiedt in zijn taal. De rechtstoestand van een dergelijke beklaagde is echter niet te vergelijken met die van een beschuldigde die het voorwerp uitmaakt van een vordering tot verwijzing naar een hof van assisen en die over de mogelijkheid beschikt om een dergelijke taalwijziging aan te vragen tijdens de regeling van de rechtspleging en de verwijzing door de kamer van inbeschuldigingstelling. Net ook omwille van die mogelijkheid die aan een beschuldigde wordt geboden houdt de onmogelijkheid om dit te vragen aan het hof van assisen zelf geen miskenning in van het recht van verdediging noch van artikel 6 EVRM. Alhoewel die afwijkende regeling hier hoe dan ook niet aan de orde was vermits de eiser werd verwezen naar het hof van assisen van West-Vlaanderen, riep hij toch in dat er geen enkele reden was om hem anders te behandelen dan een beschuldigde die wordt verwezen naar het hof van assisen van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en die gerechtigd is ‘een aanvraag tot taalverwijzing te doen uiterlijk in de loop van de ondervraging door de voorzitter van het hof van assisen zoals bedoeld in artikel 293 van het Wetboek van Strafvordering, thans artikel 254, derde lid, Wetboek van Strafvordering'. Niets belet dat een verzoek tot taalwijziging wordt gesteld aan de kamer van inbeschuldigingstelling bij het regelen van de rechtspleging met het oog op een verwijzing naar het hof van assisen van Brussel-Hoofdstad. Proceseconomisch lijkt dat trouwens de beste oplossing aangezien bij het toestaan van een taalwijziging onvermijdelijk zal dienen te worden overgegaan tot een vertaling van het -soms zeer omvangrijk- dossier. Quid wanneer het verzoek niet werd gesteld aan de kamer van inbeschuldigingstelling? Men kan in dat geval terugvallen op het artikel 254, derde lid, Wetboek van Strafvordering, maar dat veronderstelt natuurlijk wel dat de voorzitter van het hof van assisen inderdaad voorafgaand aan de zitting ten gronde is overgegaan tot een ondervraging van de beschuldigde en deze bij die gelegenheid om een taalwijziging heeft verzocht (Cass. 30 mei 2006, AR P.06.0748.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060530.4, AC 2006, nr.
  2. (onder gelding van het oude artikel 293 Wetboek van Strafvordering). Quid evenwel wanneer een dergelijke voorafgaand verhoor, dat zoals reeds gezegd niet meer verplicht is, niet heeft plaatsgegrepen? Aan wie dient dan een verzoek tot taalwijziging te worden gesteld? Uit een arrest van 31 mei 2006, AR P.06.0743.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060531.2 van het Hof van Cassatie lijkt te volgen dat het de voorzitter is van het hof van assisen aan wie de vraag moet worden gericht en die een dergelijke beslissing neemt. In tegenstelling tot het arrest van 30 mei 2006 wordt hier inderdaad niet verwezen naar artikel 293 Wetboek van Strafvordering. Een laatste vraag is dan tot wanneer een dergelijk verzoek tot taalwijziging nog kan worden ingediend? Volgens D. DILLENBOURG (“La réforme de la cour d'assises et ses incidences sur les juridictions correctionnelles”, RDP 2010, (396-443), p. 423.), die de vraag verbindt met de ondervraging ex artikel 254 Wetboek van Strafvordering, zou dat dienen te gebeuren ten laatste 15 dagen vóór de preliminaire zitting, terwijl P. MORLET (“La cour d'assises (Première partie)”, in Droit pénal et procédure pénale, Suppl. 19 (15 februari 2008), p. 23-24, nr. 55) lijkt te suggereren dat dit zou kunnen tot op het ogenblik van de opening van het debat. Deze laatste auteur wijst er evenwel op dat het net daarom van belang is dat de voorzitter van het hof van assisen van Brussel-Hoofdstad overgaat tot een verhoor van de beschuldigde “afin d'éviter qu'une demande de changement de langue soit formée dans un délai trop rapproché de l'ouverture des débats, voire au moment de cette ouverture”. Uit het voorgaande volgt alleszins dat een beschuldigde die kan worden of is verwezen naar het hof van assisen van Brussel-Hoofdstad over voldoende mogelijkheden beschikt om ten gepaste tijde een taalwijziging aan te vragen op basis van artikel 19, derde lid of artikel 20 Taalwet Gerechtszaken. Het is uiteraard wenselijk vanuit proceseconomisch standpunt dat een dergelijk verzoek plaatsgrijpt op een ogenblik dat de rechtsgang daardoor minimaal wordt geïmpacteerd dus liefst vooraleer één van de fases van de assisenprocedure een aanvang neemt. Dit zou derhalve betekenen dat dit idealiter zou gebeuren voor de kamer van inbeschuldigingstelling bij de regeling van de rechtspleging en de verwijzing, zoals dat ook het geval is voor de andere hoven van assisen. Een andere mogelijkheid is dat de voorzitter van het hof van assisen Brussel-Hoofdstad gebruik maakt van de mogelijkheid die hem wordt geboden door artikel 254 Wetboek van Strafvordering om de beschuldigde te ondervragen over een eventueel verzoek tot taalwijziging. Tenslotte zou ook de preliminaire zitting als ultieme datum voor het indienen van een verzoek tot taalwijziging in aanmerking kunnen komen alhoewel dit toch problematisch is. Niet alleen ligt de preliminaire zitting vrij dicht bij de aanvang van de zitting ten gronde maar daarenboven worden op die zitting reeds een aantal zaken geregeld die te maken hebben met de grond van de zaak die zal worden behandeld, met name de lijst van getuigen, de controle van de bijzondere opsporingsmethoden en het onderzoek van nietigheden en oorzaken van onontvankelijkheid of verval van de strafvordering. Tenslotte lijkt het uitgesloten dat een dergelijk verzoek nog zou worden ingediend eens de jury werd samengesteld bij toepassing van artikel 289, § 3, Wetboek van Strafvordering aangezien men op dat ogenblik inderdaad in de fase van de zitting ten gronde belandt. De beschuldigde heeft dan immers een aantal hem toekomende rechten reeds uitgeoefend, zoals het wraken van juryleden, zodat een dergelijk verzoek op dat ogenblik van aard zou zijn de rechtsgang te belemmeren. AW Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING EN TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 289, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 19, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 20 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In eerste aanleg - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 289, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 19, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 20 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Fiches 12 - 14 De prejudiciële vraag die uitgaat uit van de onjuiste rechtsopvatting dat een beschuldigde die wordt verwezen naar het hof van assisen van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad bij toepassing van artikel 19, derde lid, Taalwet Gerechtszaken nog om een wijziging van de taal van de rechtspleging kan verzoeken nadat de jury reeds is samengesteld dient niet te worden gesteld
(1).
(1)De Taalwet Gerechtszaken gaat uit van het principe van de ééntaligheid van de rechtspleging dat evenwel verzoend wordt met de taalvrijheid van de partijen zodat deze onder bepaalde voorwaarden een taalwijziging kunnen vragen. De essentie van de problematiek in deze zaak was te weten op welk ogenblik en voor welke instantie in criminele zaken die voor het hof van assisen zullen worden gebracht een taalwijziging kan worden aangevraagd. Het antwoord op die vraag is vervat in artikel 20 Taalwet Gerechtszaken dat stelt dat een dergelijke taalwijziging enkel kan worden toegestaan door de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de regeling van de rechtspleging. Een taalwijziging moet door de beschuldigde dus worden gevraagd aan de kamer van inbeschuldigingstelling vóór deze hem naar het hof van assisen verwijst (Cass. 2 mei 1995, AR P.95.0334.N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950502.11, AC 1995, nr. 219; Cass. 13 december 1954, AC 1955, p. 265, Pas., 1954, I, p. 364; Cass. 17 april 1950, Pas. 1950, I, p. 555; L. LINDEMANS, Taalgebruik in gerechtszaken, in APR 1973, p. 123-124, nr.
  1. L. LINDEMANS en M. VAN REYBROUCK, “Wet Talen Gerechtszaken Art. 20”, in Comm. Ger., Kluwer, afl. 52, p. 3, nr. 3). Deze regel lijkt niet alleen bijzonder logisch en redelijk maar is ook vanuit proceseconomisch oogpunt evident, aangezien het niet aanvaardbaar zou zijn dat met een dergelijk verzoek zou worden gewacht tot de zaak bij het hof van assisen zou aanhangig gemaakt zijn. Daaruit volgt dan ook dat wanneer de beschuldigde voor de kamer van inbeschuldigingstelling een dergelijke verwijzing heeft gevraagd, hij zijn recht op verwijzing krachtens artikel 20 heeft verbeurd. Er bestaat evenwel een afwijkende regeling bij een verwijzing naar het hof van assisen van Brussel-Hoofdstad dat zetelt in het Frans of het Nederlands of naar het hof van assisen van Luik dat zetelt in het Frans of het Duits, waar volgens art. 19, derde lid, Taalwet Gerechtszaken de taalwijziging nog kan worden gevraagd uiterlijk “in de loop van de ondervraging vermeld in art. 293 Sv.” Dat artikel voorzag in een verplichte ondervraging door de voorzitter van het hof van assisen ‘ten laatste tien dagen nadat de stukken ter griffie zijn ingeleverd en de beschuldigde in het huis van bewaring is aangekomen te zittingsdag'. Dat artikel werd bij wet van 20 september 2002 (BS 22 oktober 2002) evenwel gewijzigd en nadien bij wet van 21 december 2009 (BS 11 januari 2010) ingevoegd als artikel 254 in het Wetboek van Strafvordering. Belangrijk daarbij is vast te stellen dat deze ondervraging niet meer verplicht is aangezien de tekst stelt dat de voorzitter de beschuldigde kan ondervragen en spreekt thans van ‘ten laatste vijftien dagen na de dagvaarding om te verschijnen op de preliminaire zitting'. In de praktijk lijkt dit artikel eerder in onbruik te zijn gevallen maar alleszins dient opgemerkt te worden dat dit duidelijk moet worden onderscheiden van het verhoor van de beschuldigde door de voorzitter in openbare terechtzitting waarmee het debat ten gronde, vóór het horen van de getuigen, doorgaans aanvangt. Het is inderdaad zo dat een beklaagde die dient te verschijnen voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank op basis van artikel 23 Taalwet Gerechtszaken de taalwijziging kan vragen naar een rechtbank waar de procedure geschiedt in zijn taal. De rechtstoestand van een dergelijke beklaagde is echter niet te vergelijken met die van een beschuldigde die het voorwerp uitmaakt van een vordering tot verwijzing naar een hof van assisen en die over de mogelijkheid beschikt om een dergelijke taalwijziging aan te vragen tijdens de regeling van de rechtspleging en de verwijzing door de kamer van inbeschuldigingstelling. Net ook omwille van die mogelijkheid die aan een beschuldigde wordt geboden houdt de onmogelijkheid om dit te vragen aan het hof van assisen zelf geen miskenning in van het recht van verdediging noch van artikel 6 EVRM. Alhoewel die afwijkende regeling hier hoe dan ook niet aan de orde was vermits de eiser werd verwezen naar het hof van assisen van West-Vlaanderen, riep hij toch in dat er geen enkele reden was om hem anders te behandelen dan een beschuldigde die wordt verwezen naar het hof van assisen van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en die gerechtigd is ‘een aanvraag tot taalverwijzing te doen uiterlijk in de loop van de ondervraging door de voorzitter van het hof van assisen zoals bedoeld in artikel 293 van het Wetboek van Strafvordering, thans artikel 254, derde lid, Wetboek van Strafvordering'. Niets belet dat een verzoek tot taalwijziging wordt gesteld aan de kamer van inbeschuldigingstelling bij het regelen van de rechtspleging met het oog op een verwijzing naar het hof van assisen van Brussel-Hoofdstad. Proceseconomisch lijkt dat trouwens de beste oplossing aangezien bij het toestaan van een taalwijziging onvermijdelijk zal dienen te worden overgegaan tot een vertaling van het -soms zeer omvangrijk- dossier. Quid wanneer het verzoek niet werd gesteld aan de kamer van inbeschuldigingstelling? Men kan in dat geval terugvallen op het artikel 254, derde lid, Wetboek van Strafvordering, maar dat veronderstelt natuurlijk wel dat de voorzitter van het hof van assisen inderdaad voorafgaand aan de zitting ten gronde is overgegaan tot een ondervraging van de beschuldigde en deze bij die gelegenheid om een taalwijziging heeft verzocht (Cass. 30 mei 2006, AR P.06.0748.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060530.4, AC 2006, nr.
  2. (onder gelding van het oude artikel 293 Wetboek van Strafvordering). Quid evenwel wanneer een dergelijke voorafgaand verhoor, dat zoals reeds gezegd niet meer verplicht is, niet heeft plaatsgegrepen? Aan wie dient dan een verzoek tot taalwijziging te worden gesteld? Uit een arrest van 31 mei 2006, AR P.06.0743.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060531.2 van het Hof van Cassatie lijkt te volgen dat het de voorzitter is van het hof van assisen aan wie de vraag moet worden gericht en die een dergelijke beslissing neemt. In tegenstelling tot het arrest van 30 mei 2006 wordt hier inderdaad niet verwezen naar artikel 293 Wetboek van Strafvordering. Een laatste vraag is dan tot wanneer een dergelijk verzoek tot taalwijziging nog kan worden ingediend? Volgens D. DILLENBOURG (“La réforme de la cour d'assises et ses incidences sur les juridictions correctionnelles”, RDP 2010, (396-443), p. 423), die de vraag verbindt met de ondervraging ex artikel 254 Wetboek van Strafvordering, zou dat dienen te gebeuren ten laatste 15 dagen vóór de preliminaire zitting, terwijl P. MORLET (“La cour d'assises (Première partie)”, in Droit pénal et procédure pénale, Suppl. 19 (15 februari 2008), p. 23-24, nr. 55) lijkt te suggereren dat dit zou kunnen tot op het ogenblik van de opening van het debat. Deze laatste auteur wijst er evenwel op dat het net daarom van belang is dat de voorzitter van het hof van assisen van Brussel-Hoofdstad overgaat tot een verhoor van de beschuldigde “afin d'éviter qu'une demande de changement de langue soit formée dans un délai trop rapproché de l'ouverture des débats, voire au moment de cette ouverture”. Uit het voorgaande volgt alleszins dat een beschuldigde die kan worden of is verwezen naar het hof van assisen van Brussel-Hoofdstad over voldoende mogelijkheden beschikt om ten gepaste tijde een taalwijziging aan te vragen op basis van artikel 19, derde lid of artikel 20 Taalwet Gerechtszaken. Het is uiteraard wenselijk vanuit proceseconomisch standpunt dat een dergelijk verzoek plaatsgrijpt op een ogenblik dat de rechtsgang daardoor minimaal wordt geïmpacteerd dus liefst vooraleer één van de fases van de assisenprocedure een aanvang neemt. Dit zou derhalve betekenen dat dit idealiter zou gebeuren voor de kamer van inbeschuldigingstelling bij de regeling van de rechtspleging en de verwijzing, zoals dat ook het geval is voor de andere hoven van assisen. Een andere mogelijkheid is dat de voorzitter van het hof van assisen Brussel-Hoofdstad gebruik maakt van de mogelijkheid die hem wordt geboden door artikel 254 Wetboek van Strafvordering om de beschuldigde te ondervragen over een eventueel verzoek tot taalwijziging. Tenslotte zou ook de preliminaire zitting als ultieme datum voor het indienen van een verzoek tot taalwijziging in aanmerking kunnen komen alhoewel dit toch problematisch is. Niet alleen ligt de preliminaire zitting vrij dicht bij de aanvang van de zitting ten gronde maar daarenboven worden op die zitting reeds een aantal zaken geregeld die te maken hebben met de grond van de zaak die zal worden behandeld, met name de lijst van getuigen, de controle van de bijzondere opsporingsmethoden en het onderzoek van nietigheden en oorzaken van onontvankelijkheid of verval van de strafvordering. Tenslotte lijkt het uitgesloten dat een dergelijk verzoek nog zou worden ingediend eens de jury werd samengesteld bij toepassing van artikel 289, § 3, Wetboek van Strafvordering aangezien men op dat ogenblik inderdaad in de fase van de zitting ten gronde belandt. De beschuldigde heeft dan immers een aantal hem toekomende rechten reeds uitgeoefend, zoals het wraken van juryleden, zodat een dergelijk verzoek op dat ogenblik van aard zou zijn de rechtsgang te belemmeren. AW Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 289, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 19, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 20 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 289, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 19, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 20 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - In eerste aanleg - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 289, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 19, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 20 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0394.N I, II en III A. B., beschuldigde, eiser, met als raadsman mr. Carine Liekendael, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het tussenarrest “verzoek taalwijziging en verzoeken prejudiciële vragen” van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 26 januari 2024 (hierna arrest I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 5 februari 2024 over de schuld (hierna arrest II). Het cassatieberoep III is gericht tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 6 februari 2024 over de straf (hierna arrest III). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 10 en 11 Grondwet, de artikelen 19 en 20 Taalwet Gerechtszaken, artikel 11 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel en artikel 115, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het recht van verdediging: met het oordeel dat de eiser zijn verzoek tot verwijzing naar een hof van assisen van een Franstalig rechtsgebied had moeten formuleren voor de kamer van inbeschuldigingstelling naar aanleiding van de regeling van de rechtspleging en hij dit verzoek niet kan richten tot het hof van assisen, verantwoordt het arrest I niet naar recht dat eisers vordering tot taalverwijzing onontvankelijk is; de eiser kan, net zoals een beklaagde dit kan voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank, vóór de aanvang van het debat ten gronde op de eerste rechtszitting, om een taalverwijzing verzoeken; het hof van assisen oordeelt ten onrechte dat de eigen aard van de procedure voor het hof van assisen dit niet zou toelaten; een dergelijk oordeel miskent het gelijkheidsbeginsel en het recht van verdediging, te meer omdat een procedure voor het hof van assisen geen dubbele aanleg kent, waardoor een beschuldigde die moet verschijnen voor het hof van assisen over minder rechten zou beschikken dan een beklaagde die wegens minder ernstige feiten moet verschijnen voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank. Minstens dient aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te worden gesteld: “Schendt artikel 20 van de Wet van 15 juni 1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet samengelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre het een absoluut verbod inhoudt voor de beschuldigde die dient te verschijnen voor het Hof van Assisen om in limine litis een taalwijziging te verzoeken, terwijl een beklaagde die dient te verschijnen voor een politierechtbank of een correctionele rechtbank, dit conform artikel 23 van de Wet van 15 juni 1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken wel kan ?”
  4. Artikel 19, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken bepaalt dat voor de hoven van assisen van de provincies Antwerpen, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen Vlaams-Brabant en Limburg de rechtspleging in het Nederlands wordt gevoerd.
  5. Volgens artikel 20, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken dient de beschuldigde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt en die voor een van de in artikel 19, tweede lid, van die wet bedoelde hoven van assisen moet worden gebracht, indien hij daarom verzoekt, door de kamer van inbeschuldigingstelling worden verwezen voor een hof van assisen zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, dit is voor het hof van assisen van de provincie Henegouwen, Luxemburg, Namen of Waals-Brabant, ofwel voor het hof van assisen van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
  6. Uit die bepalingen volgt dat de beschuldigde die alleen Frans kent of zich gemakkelijker in die taal uitdrukt en van wie de verwijzing wordt gevorderd naar een hof van assisen zoals bedoeld in artikel 19, tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, zijn verzoek tot taalverwijzing dient te richten aan de kamer van inbeschuldigingstelling die over de verwijzing naar het hof van assisen moet oordelen. Een aan het hof van assisen gericht verzoek tot taalverwijzing is dan ook onontvankelijk.
  7. De omstandigheid dat een beschuldigde geen taalverwijzing kan vorderen voor het hof van assisen, houdt geen miskenning in van diens recht van verdediging noch van artikel 6 EVRM. De beschuldigde kan immers een taalverwijzing vorderen voor de kamer van inbeschuldigingstelling die over de verwijzing naar het hof van assisen moet oordelen.
  8. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  9. De situatie van een beklaagde die voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank om een taalverwijzing verzoekt, valt niet te vergelijken met de situatie van een beschuldigde die het voorwerp uitmaakt van een vordering tot verwijzing naar het hof van assisen en naar aanleiding hiervan aan de kamer van inbeschuldigingstelling om een taalverwijzing kan verzoeken. Het in de voorgestelde prejudiciële vraag aangevoerde verschil in behandeling heeft betrekking op niet-vergelijkbare rechtstoestanden, zodat de prejudiciële vraag niet wordt gesteld. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet, de artikelen 14, 19, 20 en 23 Taalwet Gerechtszaken, artikel 11 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel en artikel 115, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het recht van verdediging: met het oordeel dat de eiser zijn verzoek tot verwijzing naar een hof van assisen van een Franstalig rechtsgebied had moeten formuleren voor de kamer van inbeschuldigingstelling naar aanleiding van de regeling van de rechtspleging en hij een dergelijke taalverwijzing niet kan vragen bij de aanvang van de rechtszitting ten gronde voor het hof van assisen, verantwoordt het arrest I niet naar recht dat eisers vordering tot taalverwijzing onontvankelijk is; er is geen enkele verantwoording om de eiser, die werd verwezen naar het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen, anders te behandelen dat een beschuldigde die wordt verwezen naar het hof van assisen van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en die gerechtigd is een aanvraag tot taalverwijzing te doen uiterlijk in de loop van de ondervraging door de voorzitter van het hof van assisen zoals bedoeld in artikel 293 van het Wetboek van Strafvordering, thans artikel 254, derde lid, Wetboek van Strafvordering. Minstens dient aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te worden gesteld: “Schendt artikel 20 van de Wet van 15 juni 1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken, samengelezen met artikel 19, derde lid in fine van de Wet van 15 juni 1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet samengelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre het aan een beschuldigde die dient te verschijnen voor het Hof van Assisen van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad de mogelijkheid biedt om alsnog een taalwijziging te verzoeken ten gronde tijdens de ondervraging zoals voorzien in artikel 293 Wetboek van Strafvordering en een beschuldigde die dient te verschijnen voor eender welk ander Hof van Assisen deze mogelijkheid niet heeft ?”
  11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende: - de eiser werd verwezen naar het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling bij het hof van beroep te Gent van 14 maart 2023, zonder dat hij bij die gelegenheid om een taalverwijzing heeft verzocht; - na het arrest van de preliminaire zitting van 14 december 2023 werd de eiser gedagvaard om te verschijnen op de rechtszitting voor de samenstelling van de jury op 23 januari 2024 en op de rechtszitting ten gronde op 26 januari 2024; - op de rechtszitting van 23 januari 2024 werd de jury samengesteld; - bij de aanvang van de rechtszitting ten gronde op 26 januari 2024 verzocht de eiser het hof van assisen om een verwijzing van de zaak naar het dichtstbij gelegen Franstalige hof van assisen, waarbij ondergeschikt werd verzocht om in dit verband twee prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof; - na het debat en het beraad over het voormelde verzoek heeft het hof van assisen het arrest I gewezen, waarna de akte van beschuldiging werd voorgelezen en het debat ten gronde werd verdergezet.
  12. Wanneer de jury bij toepassing van artikel 289, § 3, Wetboek van Strafvordering reeds is samengesteld, kan een beschuldigde die door de kamer van inbeschuldigingstelling werd verwezen naar het hof van assisen geen ontvankelijk verzoek tot taalverwijzing meer formuleren in de zin van artikel 20 Taalwet Gerechtszaken en evenmin om een taalwijziging verzoeken in de zin van artikel 19, derde lid, Taalwet Gerechtszaken. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  13. De prejudiciële vraag gaat uit van de onjuiste rechtsopvatting dat een beschuldigde die wordt verwezen naar het hof van assisen van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad bij toepassing van artikel 19, derde lid, Taalwet Gerechtszaken nog om een wijziging van de taal van de rechtspleging kan verzoeken nadat de jury reeds is samengesteld. Bijgevolg wordt die prejudiciële vraag niet gesteld. Tweede middel Eerste en tweede onderdeel
  14. Het eerste onderdeel, dat de schending aanvoert van artikel 6 EVRM, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet, de artikelen 14, 19, 20 en 23 Taalwet Gerechtszaken, artikel 11 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel en artikel 115, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van de motiveringsverplichting en van het recht van verdediging, is in dezelfde bewoordingen opgesteld als het eerste onderdeel van het eerste middel. Het tweede onderdeel voert de schending aan van dezelfde bepalingen en de miskenning van dezelfde rechtsbeginselen als het tweede onderdeel van het eerste middel en is in dezelfde bewoordingen opgesteld als het tweede onderdeel van het eerste middel.
  15. Het middel, dat in zijn beide onderdelen identiek is aan het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel, moet om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen. Derde middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, thans artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het beginsel van de behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn en van de motiveringsverplichting: met het oordeel dat de redelijke termijn van de strafvervolging niet is overschreden, verantwoordt het arrest III de beslissing over de straftoemeting niet naar recht; de eiser werd reeds gearresteerd op 3 september 2020 en bevindt zich sindsdien in voorlopige hechtenis, zodat de redelijke termijn op die datum is beginnen lopen, waarbij de eiser onmiddellijk heeft gesteld dat de feiten werden betwist en hij zich beriep op wettige verdediging, zodat een vertraging in het onderzoek niet aan zijn houding te wijten kan zijn geweest; hoewel de beschikking tot mededeling dateert van 26 oktober 2022, vond de eerste zittingsdag voor het hof van assisen pas plaats op 26 januari 2024, zijnde na vijftien maanden, waardoor de redelijke termijn is overschreden.
  17. Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of de redelijke termijn waarbinnen over een tegen een beschuldigde ingestelde strafvervolging overeenkomstig artikel 6.1 EVRM moet zijn beslist, is overschreden.
  18. Bij die beoordeling houdt de rechter rekening met de complexiteit van de zaak, de houding van de beschuldigde, de houding van de met opsporing, vervolging en berechting belaste overheden en het belang dat de zaak heeft voor de beschuldigde.
  19. De rechter moet niet noodzakelijk alle criteria in zijn beoordeling betrekken, indien één of meerdere criteria op zich reeds doorslaggevend is of zijn.
  20. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  21. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  22. Het arrest III (p. 4) oordeelt als volgt: - de eiser werd voor het eerst verontrust op 3 september
  23. Het onderzoek werd beëindigd bij beschikking tot mededeling van 26 oktober 2022; - de vordering tot regeling van de rechtspleging werd neergelegd op 25 november 2022, waarbij op 13 december 2022 door de raadkamer de toezending van de stukken naar de procureur-generaal werd bevolen, die op 28 december 2022 een vordering tot verwijzing opstelde; - bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 14 maart 2023 werd de eiser verwezen naar het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen; - de akte van beschuldiging werd ondertekend op 28 juni 2023, waarna op 27 september 2023 het advies volgde van de procureur-generaal aan de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent tot vaststelling van de zaak voor het hof van assisen; - de preliminaire zitting vond plaats op 24 november 2023; - de jury werd samengesteld op 23 januari 2024; - het debat ten gronde werd aangevat op 26 januari 2024, met een arrest van het hof van assisen op 6 februari 2024; - gelet op de complexiteit van de zaak, met talrijke onderzoekshandelingen (verhoren, wedersamenstelling, deskundigenonderzoeken…) en procedurele stappen eigen aan een behandeling voor het hof van assisen, alsook de houding van de eiser zelf die noopten tot bijkomende onderzoeken (o.a. de bloedspatpatroonanalyse), kende het onderzoek en de behandeling een normaal verloop, zonder periodes van onverantwoorde stilstand. Op grond van die redenen kan het arrest III wettig oordelen dat de redelijke termijn niet is overschreden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  24. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 230,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 24 september 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240924.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950502.11 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060530.4 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060531.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.