← België

E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240924.2N.4 Rolnummer: P.24.0516.N Zaak: E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-09-30 Raadplegingen: 562 - laatst gezien 2026-06-15 07:35 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Volgens artikel 18 Strafwetboek wordt het arrest houdende veroordeling tot levenslange opsluiting of levenslange hechtenis, tot opsluiting of hechtenis van twintig jaar tot dertig jaar of van dertig jaar tot veertig jaar bij uittreksel gedrukt en aangeplakt in de gemeente waar de misdaad is gepleegd en in die waar het arrest is gewezen.; het arrest houdende een veroordeling tot negentien jaar opsluiting dat de aanplakking van een uittreksel beveelt is niet naar recht verantwoord

(1).
(1)Cass. 20 juli 1998, AR P.98.0805.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980720.1, AC 1998, nr. 358; A. VANDEPLAS, “Aanplakking van rechterlijke beslissingen”, in Comm. Straf., Kluwer, af.
  1. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 18 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0516.N I en II T. E., beschuldigde, eiser, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2600 Antwerpen (Berchem), Elisabethlaan 122, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie Limburg van 13 maart 2024 over de schuld (hierna arrest I). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie Limburg van 14 maart 2024 over de straf (hierna arrest II). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: met het oordeel dat de redelijke termijn van de strafvervolging werd overschreden en dat er tevens een verzachtende omstandigheid aanwezig is, verantwoordt het arrest II niet naar recht de aan de eiser wegens de bewezenverklaarde opzettelijke doodslag opgelegde straf van negentien jaar opsluiting en omkleedt het die bestraffing niet regelmatig met redenen; een dergelijke straf houdt niet afdoende rekening met de overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de maximumstraf ingevolge het aannemen van verzachtende omstandigheden twintig jaar opsluiting bedraagt, waarbij de rechtsfiguur van de overschrijding van de redelijke termijn en de rechtsfiguur van de verzachtende omstandigheden van elkaar moeten worden onderscheiden; aangezien de feiten reeds dateren van 3 september 2013 en de eiser meer dan tien jaar in onzekerheid heeft moeten leven, kan een strafvermindering van slechts een jaar niet worden beschouwd als een gepaste sanctie voor de overschrijding van de redelijke termijn, aangezien dit geen reële en meetbare strafvermindering inhoudt; bovendien heeft de voorzitter van het hof van assisen zich publiekelijk verontschuldigd voor de omstandigheid dat de eiser meer dan tien jaar op zijn proces heeft moeten wachten.
  3. De rechter die een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, kan die overschrijding remediëren door aan de veroordeelde een straf op te leggen die reëel en meetbaar lager is dan de straf die zou zijn opgelegd zonder die overschrijding. In dat geval is de rechter niet ertoe gehouden uitdrukkelijk melding te maken van de concrete straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet was overschreden. Het is noodzakelijk maar voldoende dat de rechter vaststelt dat de door hem opgelegde straf lager is dan de straf die hij zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding van de redelijke termijn.
  4. Wanneer de rechter verzachtende omstandigheden aanneemt en tevens oordeelt dat de redelijke termijn van de strafvervolging is overschreden, kan hij geen straf opleggen die gelijk is aan de maximumstraf die ingevolge het aannemen van verzachtende omstandigheden kan worden opgelegd. Het is in dat geval immers vereist dat de rechter een straf oplegt die lager is dan de straf die hij zonder overschrijding van de redelijke termijn zou hebben opgelegd, rekening houdend met de verzachtende omstandigheden.
  5. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  6. Het arrest II veroordeelt de eiser wegens de bewezenverklaarde opzettelijke doodslag tot negentien jaar opsluiting op grond van de volgende redenen: - “de eiser werpt op dat de redelijke termijn van strafvervolging werd overschreden; - de bewezenverklaarde feiten dateren van 3 september
  7. De eiser werd diezelfde dag van zijn vrijheid beroofd en een eerste maal verhoord en wist vanaf dat ogenblik dat hij onder dreiging van een strafvervolging leefde. Er werd onmiddellijk een gerechtelijk onderzoek ingesteld, dat echter bijzonder lang aansleepte, meerdere periodes van vertraging heeft gekend en pas na zo’n negen jaar werd afgerond. Nochtans kan worden vastgesteld dat de bewijselementen die van doorslaggevend belang zijn geweest voor de schuldigverklaring, dateren van relatief kort na de feiten; - zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de grotere complexiteit van het onderzoek, houdt dit tijdsverloop een aanmerkelijke stilstand van het gerechtelijk apparaat in waarvoor geen gerechtvaardigde verantwoording bestaat. Dit tijdsverloop is niet te wijten aan de houding van de eiser, die, overigens net als de burgerlijke partijen, een groot belang had bij een tijdige berechting binnen een redelijke termijn; - de duur van de strafvervolging heeft dan ook de redelijke termijn overschreden; - deze overschrijding is niet van die ernst dat zij slechts kan geremedieerd worden door een eenvoudige schuldigverklaring. Er wordt wel rekening mee gehouden bij de straftoemeting; - verder wordt bij het bepalen van de straf ook rekening gehouden met de hierna bepaalde elementen; - de bewezen verklaarde feiten zijn bijzonder zwaarwichtig; - de eiser heeft op een erg agressieve wijze het slachtoffer om het leven gebracht, en heeft hem alle kansen ontnomen door vervolgens lang genoeg te wachten alvorens hulp in te roepen, waarbij hij de tussentijd heeft gebruikt om verdachte sporen te wissen; - aan het slachtoffer, wiens bewustzijn sterk onderdrukt was door drug- en alcoholgebruik, werd geen enkele kans op verweer gegeven, waarbij de eiser een totaal gebrek aan respect voor diens leven en diens fysieke integriteit heeft betoond; - vanuit de persoonlijkheid van de eiser is evenwel een verzachtende omstandigheid te weerhouden; - de jury en het hof van assisen houden immers rekening met het behoorlijk maatschappelijk functioneren van de eiser in de afgelopen jaren, in die zin dat hij zijn tewerkstelling op een behoorlijke wijze heeft uitgevoerd en gehandhaafd, dat hij in diezelfde periode ook schuldenvrij heeft gefunctioneerd en dat hij een standvastige relatie heeft onderhouden met zijn verloofde; - rekening houdend met de ernst van de feiten, met de concrete omstandigheden waarin deze zich hebben voorgedaan en met de persoonlijkheid van de eiser, waarin zoals hoger vermeld een verzachtende omstandigheid wordt gevonden, komt de hierna bepaalde bestraffing als verantwoord voor; - zonder de hoger vastgestelde overschrijding van de redelijke duur zou zijn besloten tot een opsluiting van langere duur.”
  8. Met die redenen verantwoordt het arrest II naar recht de beslissing over de aan de eiser opgelegde straf, rekening houdend met de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn en het aannemen van verzachtende omstandigheden, en omkleedt het die beslissing ook regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  9. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van het arrest II over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 18 Strafwetboek
  10. Volgens artikel 18 Strafwetboek wordt het arrest houdende veroordeling tot levenslange opsluiting of levenslange hechtenis, tot opsluiting of hechtenis van twintig jaar tot dertig jaar of van dertig jaar tot veertig jaar bij uittreksel gedrukt en aangeplakt in de gemeente waar de misdaad is gepleegd en in die waar het arrest is gewezen.
  11. Het arrest II veroordeelt de eiser tot negentien jaar opsluiting. De door het arrest II bevolen aanplakking van een uittreksel van dit arrest bij toepassing van artikel 18 Strafwetboek is dan ook niet naar recht verantwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest II in zoverre het de aanplakking van een uittreksel van het arrest beveelt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser tot negen tienden van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten in het geheel op 89,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 24 september 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240924.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980720.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.