id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240924.2N.7 Rolnummer: P.24.0583.N Zaak: Z. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2024-09-30 Raadplegingen: 531 - laatst gezien 2026-06-15 07:35 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De rechter kan voor de schuldigverklaring van een beklaagde alle feitelijke omstandigheden in aanmerking nemen die naar zijn oordeel een licht werpen op de misdrijven waarvoor de beklaagde wordt vervolgd; dat sommige van die omstandigheden constitutieve bestanddelen uitmaken van andere misdrijven of kunnen worden omschreven als misdrijven waarvoor de beklaagde niet wordt vervolgd, doet daaraan geen afbreuk, op voorwaarde dat de rechter niet vaststelt dat de beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan die niet-vervolgde misdrijven en aldus het vermoeden van onschuld niet miskent. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0583.N I en II I. Z., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel, tegen
- M. D., burgerlijke partij,
- G. D., burgerlijke partij,
- GML ESTATE nv, met zetel te 9831 Deurle, Pontstraat 23, ON 0441.945.064, burgerlijke partij, verweerders, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep Gent, correctionele kamer, van 26 maart
- De eiser doet afstand zonder berusting van zijn op 8 april 2024 ingesteld cassatieberoep. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Afstand
- De eiser doet afstand van het op 8 april 2024 aangetekende cassatieberoep, zonder berusting, omdat kan worden getwijfeld aan de rechtsgeldigheid ervan. Die twijfel is gestoeld op de volgende reden: “Uit de opgestelde akte van die datum (A.G.S. nr. 2024/536) blijkt niet genoegzaam dat de advocaat die het cassatieberoep heeft aangetekend houder is van het in artikel 425, §1, tweede lid Wetboek van Strafvordering bedoelde getuigschrift, in welk geval de aangetekend[e] voorziening onontvankelijk zou zijn.”
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de raadsman van de eiser houder is van dit getuigschrift, zodat het cassatieberoep rechtsgeldig werd ingesteld, ongeacht of de advocaat die loco en dus in de plaats van de raadsman van de eiser is opgetreden, al dan niet ook houder is van het betrokken getuigschrift. De afstand wordt niet worden verleend. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I en II
- Krachtens artikel 419 Wetboek van Strafvordering kan niemand een tweede maal cassatieberoep instellen tegen dezelfde beslissing, behoudens in de gevallen waarin de wet voorziet.
- De eiser heeft cassatieberoep aangetekend op 8 april 2024 en vervolgens op 9 april
- Het tweede cassatieberoep is niet ontvankelijk.
- Het arrest bevestigt deels het bestreden vonnis dat de burgerlijke vordering van de verweerders ontvankelijk en deels gegrond verklaart en de eiser veroordeelt tot betaling van een provisionele schadevergoeding en het houdt de beslissing over de intresten en de kosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen aan.
- Een dergelijke beslissing is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en valt niet, behoudens wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, onder de gevallen die in het tweede lid van dat artikel worden bedoeld. In zoverre het cassatieberoep I ook tegen die beslissing is gericht, is het bijgevolg niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld en het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het arrest steunt eisers schuldigverklaring aan de feiten van de telastleggingen A en C op bewoordingen die doen geloven dat hij schuldig is aan andere strafbare feiten, te weten de vervalsing en het gebruik van een vennootschapsdocument van A nv en de diefstal van vennootschapsdocumenten van A nv, de verweerster 3 en C bv; nochtans was het hof van beroep niet gevat om uitspraak te doen over deze andere strafbare feiten.
- De rechter kan voor de schuldigverklaring van een beklaagde alle feitelijke omstandigheden in aanmerking nemen die naar zijn oordeel een licht werpen op de misdrijven waarvoor de beklaagde wordt vervolgd. Dat sommige van die omstandigheden constitutieve bestanddelen uitmaken van andere misdrijven of kunnen worden omschreven als misdrijven waarvoor de beklaagde niet wordt vervolgd, doet daaraan geen afbreuk, op voorwaarde dat de rechter niet vaststelt dat de beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan die niet-vervolgde misdrijven en aldus het vermoeden van onschuld niet miskent.
- Het arrest oordeelt met betrekking tot de feiten waarvoor de eiser niet wordt vervolgd als volgt: - voorts staat vast dat de eiser heeft geknoeid met vennootschapsdocumentatie neergelegd ter griffie van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, waarop de handtekening van de verweerder 1 voorkomt; - uit de verklaring van de bediende bij deze griffie blijkt dat de eiser de vennootschapsdossiers van A nv, de verweerster 3 en C bv kwam inkijken bij verschillende bezoeken in de periode van de zomer 2019 tot het voorjaar van 2020, hetzij zowel voor als na het tijdstip van de beweerde totstandkoming en ondertekening van het van valsheid betichte stuk; - de handtekening van de verweerder 1 komt voor op meerdere stukken vervat in de bedoelde vennootschapsdossiers; - het gerechtelijk onderzoek heeft aangetoond dat van één uniek document uit het vennootschapsdossier van A nv, neergelegd op 17 oktober 2018 twee foto’s werden aangetroffen op het gsm-toestel van de eiser, waarbij de afstempeling en de handtekening van de griffier op de beide foto’s duidelijk dezelfde, identieke handtekening en afstempeling betroffen die op het origineel werden geplaatst, maar waarbij de handtekening van de verweerder 1 telkens een duidelijk verschillende handtekening betrof; - het ging om foto’s die door de eiser zouden zijn overgemaakt aan de door hem aangestelde schriftdeskundige; - hieraan kan geen andere uitleg worden gegeven dan dat de eiser op een bepaald ogenblik dit document of kleurkopieën daarvan materieel heeft gemanipuleerd, waarbij de ene handtekening van de verweerder 1 voor een ander exemplaar van zijn handtekening werd gesubstitueerd; minstens toont dit aan dat de eiser op een bepaald ogenblik met het substitueren of vervalsen van de handtekening van de verweerder 1 heeft geëxperimenteerd; - op 14 december 2020 werd overigens op de griffie vastgesteld dat dit document verdwenen was uit het vennootschapsdossier van A nv, hetgeen eveneens het geval was voor andere documenten uit dit vennootschapsdossier en uit de vennootschapsdossiers van de verweerster 3 en C bv. Met deze redenen verklaart het arrest de eiser niet schuldig aan andere strafbare feiten dan de feiten waarvoor hij wordt vervolgd, te weten de vervalsing en het gebruik van een vennootschapsdocument van A nv en de diefstal van vennootschapsdocumenten van A nv, de verweerster 3 en C bv en miskent het derhalve niet het vermoeden van onschuld. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de afstand van het cassatieberoep I. Verwerpt de cassatieberoepen I en II. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 159,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 24 september 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240924.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div