id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.8 Rolnummer: F.23.0081.N Zaak: BELGISCHE STAAT FOD Financiën c. GOVERNMENT PENSION IN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-10-18 Raadplegingen: 797 - laatst gezien 2026-06-15 19:14 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240927.1N.8 Fiche 1 De verjaringstermijn van artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit geldt voor alle schuldvorderingen die voor de Staat geen vaste uitgave uitmaken, tenzij het gaat om vorderingen die door een afwijkende wetsbepaling aan een bijzondere verjaringstermijn zijn onderworpen; aldus is deze wetsbepaling ook van toepassing in fiscale zaken wanneer de fiscale wetgeving zelf niet in een verval- of verjaringstermijn voorziet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BELASTINGZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100, eerste lid, 1° - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Fiche 2 Artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit sluit de toepassing van de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen, waaronder deze van artikel 2262bis, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek, uit
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2262bis, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 3 De terugbetaling van niet-ingekohierde roerende voorheffing die ten onrechte in de Schatkist wordt gestort, maakt voor de Belgische Staat geen vaste uitgave uit
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BELASTINGZAKEN - Algemeen Tekst van de beslissing Nr. F.23.0081.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Adviseur-generaal KMO Centrum Leuven, met kantoor te 3001 Leuven, Philipssite 3A/1, eiser, tegen GOVERNMENT PENSION INVESTMENT FUND, met zetel te 105-6377 Japan, Minato-ku Tokio, Toranomon Hills Mori Tower, 7de verdieping, 1-23-1 Toranomon, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 april
- Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 1 juli 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Eerste middel
- Krachtens artikel 100, eerste lid, Wet Rijkscomptabiliteit zijn, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen, verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen: 1° de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan; 2° de schuldvorderingen die, hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd; 3° alle andere schuldvorderingen, die niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar van hun ontstaan.
- De verjaringstermijn van artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit geldt voor alle schuldvorderingen die voor de Staat geen vaste uitgave uitmaken, tenzij het gaat om vorderingen die door een afwijkende wetsbepaling aan een bijzondere verjaringstermijn zijn onderworpen. Aldus is deze wetsbepaling ook van toepassing in fiscale zaken wanneer de fiscale wetgeving zelf niet in een verval- of verjaringstermijn voorziet. Artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit sluit de toepassing van de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen, waaronder deze van artikel 2262bis, § 1, Oud Burgerlijk Wetboek, uit.
- De terugbetaling van niet-ingekohierde roerende voorheffing die ten onrechte in de Schatkist wordt gestort, maakt voor de Belgische Staat geen vaste uitgave uit. Na de afschaffing van artikel 368 WIB92 bij artikel 26 Wet van 15 maart 1999, dat van toepassing is vanaf aanslagjaar 1999, en vóór de herinvoering ervan bij artikel 20 Wet van 28 december 2011, dat van toepassing is op roerende voorheffing gestort vanaf 1 januari 2011, voorzag de fiscale wetgeving niet in een verval- of verjaringstermijn voor de aanvraag tot terugbetaling van niet-ingekohierde roerende voorheffing die ten onrechte in de Schatkist werd gestort en waarvan de inning niet ter kennis is gebracht.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - in casu niet betwist wordt dat de verweerster aan de voorwaarden van artikel 106 KB/WIB92 voldoet en zodoende is vrijgesteld van roerende voorheffing op dividenden; - de aanvragen tot terugbetaling werden ingediend op 23 december 2004 (schuldvorderingen met betrekking tot begrotingsjaren 1998 en 1999), op 6 augustus 2012, 8 augustus 2012, 9 augustus 2012 en 23 augustus 2012 (schuldvorderingen met betrekking tot begrotingsjaar 2007); - de vordering van de verweerster een terugvordering van belasting betreft; - de bepalingen van artikel 368 WIB92 zoals ingevoerd door de Wet van 28 december 2011, die voor de terugbetaling van voorheffingen in een termijn van vijf jaar voorzien, inzake niet van toepassing zijn omdat artikel 368 WIB92 slechts van toepassing is op roerende voorheffing gestort vanaf 1 januari 2011, terwijl het in deze zaak roerende voorheffing betreft die voordien werd betaald; - de bepalingen van artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit in specifieke verjaringstermijnen voor vorderingen op de Belgische Staat voorzien, maar deze in fiscale zaken uitdrukkelijk niet van toepassing zijn; - de procedure zoals bepaald in de fiscale wetgeving werd gevolgd; - het feit dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift onder toepassing van de vroegere wetgeving, namelijk voor de herinvoering van artikel 368 WIB92 met ingang van 2011, niet is beginnen lopen, niet tot een toepassing van de Wet Rijkscomptabiliteit kan leiden, omdat het ingediende bezwaarschrift nog steeds een procedure tot terugbetaling van belastingen betreft en dergelijke procedure expliciet uit het toepassingsgebied van de Wet Rijkscomptabiliteit is uitgesloten; - zodoende bij gebrek aan een verjaringstermijn binnen het kader van de fiscale bezwaarprocedure de tienjarige verjaringstermijn bepaald in artikel 2262bis Oud Burgerlijk Wetboek van toepassing is; - noch de bepalingen van artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit, noch die van artikel 100, eerste lid, 3°, Wet Rijkscomptabiliteit van toepassing zijn.
- De appelrechter die op deze gronden oordeelt dat rekening houdend met de bepalingen van artikel 2262bis Oud Burgerlijk Wetboek geen verjaring voorhanden is, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de betwisting daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Bart Wylleman, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen, Michael Traest en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting 27 september 2024 uitgesproken door waarnemend voorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240927.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240927.1N.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251002.1N.9 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251002.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div