← België

AXA BELGIUM c. VAPH

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 september 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240930.3N.1 Rolnummer: C.23.0211.N Zaak: AXA BELGIUM c. VAPH Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-10-18 Raadplegingen: 372 - laatst gezien 2026-06-15 07:47 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 De indeplaatsstelling van het VAPH geldt ook voor tegemoetkomingen die de verweerder als subsidies heeft betaald aan een zorgverstrekkende instelling ten behoeve van een persoon met een handicap. Thesaurus CAS: MINDERVALIDEN Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 21 juni 2013 houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin - 21-06-2013 - Art. 39 - 17 ELI link Pub nr 2013204518 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap - 07-05-2004 - Art. 14, vierde lid - 62 ELI link Pub nr 2004035909 Fiche 2 Wanneer het VAPH tegemoetkomingen aan een persoon met een handicap heeft betaald, treedt het in diens rechten en kan het op grond van die subrogatie betaling van de tegemoetkomingen vorderen van degene die schadeloosstelling verschuldigd is; het VAPH oefent hierbij geen rechtsvordering uit voor zelf geleden schade. Thesaurus CAS: MINDERVALIDEN Tekst van de beslissing Nr. C.23.0211.N AXA BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.483.367, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen VLAAMS AGENTSCHAP VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP, met zetel te 1030 Schaarbeek, Koning Albert II-laan 37, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0887.164.275, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel van 5 december

  1. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel
  2. Krachtens artikel 14, vierde lid, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, hierna Oprichtingsdecreet VAPH, treedt het agentschap, ten belope van het bedrag van de aan een persoon met een handicap uitgekeerde tegemoetkoming, in diens rechten en rechtsvorderingen tegen de derden die de schadeloosstelling, bedoeld in het derde lid, verschuldigd zijn. Artikel 39 van het decreet houdende diverse bepalingen betreffende het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin van 21 juni 2013 bepaalt dat voormeld artikel 14, vierde lid, zo wordt uitgelegd dat de uitgekeerde tegemoetkoming betrekking heeft op alle tegemoetkomingen die het agentschap heeft verleend voor de persoon met een handicap.
  3. Uit de wetsgeschiedenis van voormeld artikel 39 blijkt dat de indeplaatsstelling op grond van artikel 14, vierde lid, Oprichtingsdecreet VAPH ook geldt voor tegemoetkomingen die de verweerder als subsidies heeft betaald aan een zorgverstrekkende instelling ten behoeve van een persoon met een handicap. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Eerste onderdeel
  4. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de verweerder de terugbetalingen van tussenkomsten, betaald onder de naam subsidies, aan het tehuis De Meerpaal en aan begeleid wonen Oikonde, vordert op grond van de wettelijke subrogatie bepaald bij artikel 14 Oprichtingsdecreet VAPH; - de verweerder voor uitbetalingen na 23 augustus 2013 gesubrogeerd is in de rechten van het slachtoffer voor al zijn uitgaven, zowel deze aan het slachtoffer zelf als deze aan de instellingen.
  5. De appelrechter stelt verder vast en oordeelt tevens dat: - aan de basis van de subsidie van de verweerder ten voordele van een zorginstelling een aantasting van de fysieke integriteit van C.S. ligt; - voor de uitgaven na 23 augustus 2013 de regels van het gemeen recht, met name artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek, gelden; - de verweerder een schadelijder is in gemeen recht omdat zijn betalingen aan de instelling schade zijn die in oorzakelijk verband staan met het ongeval overkomen aan C.S.; - aan de voorwaarden van artikel 1382 Oud Burgerlijk Wetboek dus voldaan is voor de tegemoetkomingen na 23 augustus
  6. Op grond van de in r.o. 3 vermelde zelfstandige en in het tweede onderdeel vergeefs bekritiseerde redenen oordeelt de appelrechter dat de vordering tot terugbetaling van de tussenkomsten aan de zorginstelling Oikonde Mechelen die dateren van na 23 augustus 2013 steunt op subrogatie. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de rechter zich voor de subrogatie steunt op de in r.o. 4 weergegeven redenen, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  7. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het oordeel van de appelrechter dat de verweerder door de uitkering van tegemoetkomingen aan of voor de persoon met een handicap een eigen, persoonlijke schade heeft geleden, kan het, ook al was het gegrond, niet tot cassatie leiden en is het bij gebrek aan belang bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
  8. Krachtens artikel 14, derde lid, Oprichtingsdecreet VAPH worden, in afwachting van de daadwerkelijke schadeloosstelling krachtens andere wetten, decreten, ordonnanties of reglementaire bepalingen of krachtens gemeen recht, de tegemoetkomingen van het agentschap toegekend onder de door de Vlaamse regering vastgestelde voorwaarden.
  9. Krachtens het vierde lid treedt het agentschap, ten belope van het bedrag van de aan een persoon met een handicap uitgekeerde tegemoetkoming, in diens rechten en rechtsvorderingen tegen de derden die de schadeloosstelling, bedoeld in het derde lid, verschuldigd zijn.
  10. Hieruit volgt dat wanneer de verweerder tegemoetkomingen aan een persoon met een handicap heeft betaald, hij in diens rechten is getreden en op grond van die subrogatie betaling van de tegemoetkomingen kan vorderen van degene die schadeloosstelling verschuldigd is. Hij oefent hierbij geen rechtsvordering uit voor zelf geleden schade.
  11. Krachtens artikel 29bis, § 1, eerste lid, WAM, zoals van toepassing, wordt bij een verkeersongeval waarbij een of meer motorrijtuigen betrokken zijn, op de plaatsen bedoeld in artikel 2, § 1, met uitzondering van de stoffelijke schade en de schade geleden door de bestuurder van elk van de betrokken motorrijtuigen, alle schade geleden door de slachtoffers en hun rechthebbenden en voortvloeiend uit lichamelijke letsels of het overlijden, met inbegrip van de kledijschade, hoofdelijk vergoed door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de motorrijtuigen overeenkomstig deze wet dekken.
  12. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite over het bestaan en de omvang van de schade. Het Hof kan niettemin nagaan of de rechter uit zijn vaststellingen wettig heeft afgeleid of en in welke mate schade bestaat.
  13. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - volgens de eiseres van de schadevergoedingen die de verweerder vordert, de normale leefkosten van C.S. en de socio-culturele uitgaven dienen afgetrokken te worden omdat deze geen eigen vergoedbare schade uitmaken; - uit de voorliggende elementen op overtuigende wijze blijkt dat C.S. ondersteuning heeft gekregen van Oikonde Mechelen; - de verweerder ter dekking van de kosten betalingen heeft verricht aan de instelling en uit de stukken in detail blijkt welke bedragen de verweerder aan C.S. verschuldigd was; - dit ruimschoots volstaat om de omvang van de door C.S. op dit punt geleden schade ten genoegen van recht te kunnen vaststellen; - deze schade volledig samenvalt met de totale kostprijs van zijn begeleiding door de voorziening in kwestie; - het dan ook ten onrechte is dat de eiseres een puntsgewijze discussie in het leven poogt te roepen omtrent de samenstelling van de kwestieuze kostprijs; - het enkele feit dat C.S. een gerechtvaardigd beroep deed op de voorziening in kwestie, tot gevolg heeft dat hij schuldenaar is van de kostprijs ervan zoals die door de voorziening in rekening wordt gebracht; - op welke wijze de voorziening het bedrag van deze kostprijs in detail bepaalt, daarbij niet relevant is, zolang de prijs de grenzen van de marktconformiteit niet te buiten gaat.
  14. De appelrechter die op deze gronden oordeelt dat de gevorderde bedragen in deze omstandigheden niet worden herleid, zonder vast te stellen dat de kostprijs van de begeleiding geen leefkosten en kosten van vrijetijdsbesteding omvat, dan wel dat de leefkosten en kosten van vrijetijdsbesteding die hierin zijn begrepen zonder het ongeval niet ten laste zouden zijn geweest van C.S., verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  15. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de omvang van de door de verweerder gevorderde bedragen en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Michael Traest en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 30 september 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240930.3N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.