id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 195
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Decr.
Vl. Overheid 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen - 23-12-2011 - Art. 12, § 1 - 33 ELI link Pub nr 2012035118 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.3, § 1, eerste lid - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 195
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Decr.
Vl. Overheid 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen - 23-12-2011 - Art. 12, § 1 - 33 ELI link Pub nr 2012035118 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.3, § 1, eerste lid - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Thesaurus CAS: MILIEURECHT Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 195
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Decr.
Vl. Overheid 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen - 23-12-2011 - Art. 12, § 1 - 33 ELI link Pub nr 2012035118 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.3, § 1, eerste lid - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0396.N VLAEMINCK EN ZOON nv, met zetel te 1850 Grimbergen, Vilvoordsesteenweg 201, ON 0444.897.428, beklaagde, eiseres, met als raadslieden mr. Niels Vos en mr. Marlies Goovaerts, beiden advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 22 februari
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: de appelrechters bevestigen de schuldigverklaring van de eiseres aan de feiten van de telastlegging F zonder alle wetsbepalingen te vermelden die deze feiten strafbaar stellen; de appelrechters nemen enkel de wetsbepalingen over zoals vermeld in de gedinginleidende dagvaarding; hiermee vermelden zij niet welke milieuvoorschriften of welke bepalingen van het materialendecreet of de uitvoeringsbesluiten ervan de eiseres precies heeft geschonden.
- Het arrest verklaart de eiseres schuldig aan de feiten van de telastlegging F, omschreven als: “opzettelijk, in strijd met de wettelijke voorschriften of in strijd met een vergunning, afvalstoffen te hebben achtergelaten, beheerd of overgebracht, te weten afvalstoffen te hebben achtergelaten of beheerd in strijd met de voorschriften van het Decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen of de uitvoeringsbesluiten ervan, namelijk, zonder enige vergunning of voorzorgsmaatregel allerhande afval bestaande uit o.a. zeecontainers, plastic vaten, metalen olievaten, een caravan, afbraakmateriaal, bouwafval en steenpuin opgeslagen te hebben op het perceel gelegen te […] (art. 16.6.3 §1 lid 1 en 16.6.4 Decreet 05 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid; art. 3, 1° en 7°, 12 § 1 en 69 Decreet 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen)” en veroordeelt haar onder meer op basis van die feiten.
- Uit de artikelen 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering volgt de verplichting om ingeval van een veroordelende beslissing de wetsbepalingen te vermelden die het feit strafbaar stellen en die de toegepaste straffen bepalen.
- Artikel 12, § 1, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (hierna Materialendecreet) bepaalt dat het verboden is afvalstoffen achter te laten of te beheren in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan. Artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna DABM) bepaalt dat wie opzettelijk, in strijd met de wettelijke voorschriften of met een vergunning, thans de milieuvoorschriften, afvalstoffen achterlaat, beheert of overbrengt, wordt gestraft met de daarin bepaalde straffen.
- De rechter die een beklaagde schuldig verklaart aan de opslag van afvalstoffen in strijd met artikel 12, § 1, Materialendecreet omkleedt die beslissing slechts regelmatig met redenen in overeenstemming met de artikelen 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering indien hij niet enkel melding maakt van artikel 12, § 1, Materialendecreet en artikel 16.6.3, § 1, eerste lid, DABM, maar ook van de specifieke voorschriften van het Materialendecreet of de uitvoeringsbesluiten die zijn overtreden.
- Het arrest dat de eiseres schuldig verklaart aan het beheer van afvalstoffen en nalaat in de veroordelende beslissing opgave te doen van de specifieke voorschriften van het Materialendecreet of de uitvoeringsbesluiten die door de met de telastlegging F geviseerde opslag van afvalstoffen zijn overtreden, omkleedt die beslissing niet regelmatig met redenen. Het middel is gegrond. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 5, eerste lid, en 284, eerste lid, Strafwetboek: de appelrechters bevestigen de schuldigverklaring van de eiseres aan de feiten van de telastlegging E zonder vast te stellen dat de eiseres dit misdrijf wetens en willens pleegde, hoewel de eiseres heeft betwist dat zij op de hoogte was van wie er precies is overgegaan tot de zegelverbreking en heeft aangevoerd dat zij evenmin een zegel heeft opgemerkt; de appelrechters stellen enkel vast dat de natuurlijke persoon die de zegels heeft verbroken, handelde met het doel de activiteiten op het terrein verder te zetten, maar laten na om ook vast te stellen dat de handelingen van die natuurlijke persoon voor rekening van de eiseres plaatsvonden met een algemeen opzet bij de rechtspersoon (eerste onderdeel); de appelrechters stellen enkel vast dat de zegels “voor rekening van” de eiseres werden verbroken, maar niet dat zij die zegels wetens en willens heeft verbroken; zij antwoorden niet op het middel van de eiseres dat zij niet op de hoogte was van wie is overgegaan tot zegelverbreking en dat zij de zegels zelfs niet heeft opgemerkt; de appelrechters motiveren derhalve niet dat het subjectief constitutief bestanddeel van het misdrijf aanwezig is (tweede onderdeel).
- Een rechtspersoon kan maar strafrechtelijk verantwoordelijk zijn indien op het niveau van de rechtspersoon de aanwezigheid wordt vastgesteld van het voor het misdrijf vereiste materieel en moreel bestanddeel.
- Een misdrijf kan materieel aan een rechtspersoon worden toegerekend indien de verwezenlijking van het misdrijf hetzij een intrinsiek verband heeft met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen of indien, zoals blijkt uit de concrete omstandigheden, het voor zijn rekening is gepleegd.
- Een misdrijf kan moreel aan een rechtspersoon worden toegerekend indien blijkt dat het voor het misdrijf vereiste moreel bestanddeel aanwezig is bij de rechtspersoon.
- De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een rechtspersoon heeft een autonoom karakter in die zin dat die verantwoordelijkheid geen louter afgeleide is van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de natuurlijke personen die voor of namens de rechtspersonen handelen.
- Het autonoom karakter van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon belet de rechter niet bij de beoordeling van de aanwezigheid van het moreel misdrijfbestanddeel rekening te houden met het gedrag van de natuurlijke personen die handelen voor of namens de rechtspersoon. De rechtspersoon als fictieve entiteit handelt immers noodzakelijkerwijze via natuurlijke personen die hem juridisch of feitelijk besturen of voor zijn rekening optreden, zodat hun gedrag bij de beoordeling van de aanwezigheid van het moreel misdrijfbestanddeel bij de rechtspersoon in aanmerking kan worden genomen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 14) oordeelt dat: - het verweer van de eiseres wat de telastlegging E betreft hierop neerkomt dat zij nooit zegels aan de poort van haar terrein heeft gezien en dat zij zich wel toegang moest verschaffen tot het terrein, om het terrein te kunnen vrijmaken zoals haar was opgelegd; - -in het proces-verbaal 2021/Y van 27 mei 2021 de milieutoezichthouder heeft opgetekend dat het terrein wordt verzegeld; - uit de bijgevoegde foto blijkt dat dit niet gewoon gebeurde met een “loshangend politielint”, zoals de eiseres beweert, maar wel met verzegelingstape, namelijk een zelfklevende band die strak op verschillende hoogtes aan de twee delen van de toegangspoort werd aangebracht en de toegangspoort dicht hield, zodat ze niet meer geopend kon worden zonder de zegels te verbreken; - op 18 oktober 2021 de milieutoezichthouder heeft vastgesteld dat de verzegelingstape was weggehaald en op de bijgevoegde foto op het toegangshek duidelijk de afdruk is te zien die dergelijke zegel achterlaat wanneer ze wordt verwijderd; - de bestuurder van de eiseres op dat ogenblik aan boord van een vrachtwagen op het terrein aan het werk was; - uit deze feiten blijkt dat de zegels voor rekening van de eiseres werden verbroken, om de activiteiten op het terrein verder te zetten; - het verweer dat de eiseres zich wel toegang moest verschaffen tot het terrein, om de opgelegde bestuurlijke maatregelen na te leven, niet kan worden aangenomen; - in het besluit houdende bestuurlijke maatregelen van 27 mei 2021 uitdrukkelijk is opgenomen dat de verzegeling tijdelijk kan worden opgeheven om de maatregelen uit te voeren; - dit een nieuwe beslissing van de burgemeester tot tijdelijke opheffing van de verzegeling veronderstelt, hetgeen in deze niet is aangevraagd en niet is gebeurd.
- Het arrest (p. 16) oordeelt verder dat de bewezen feiten een intrinsiek verband hebben met de exploitatie van het bedrijf van de eiseres en voor haar rekening zijn gepleegd, zodat zij strafrechtelijk verantwoordelijk is.
- Met die redenen beantwoorden en verwerpen de appelrechters het verweer van de eiseres dat zij niet op de hoogte was van wie er precies is overgegaan tot de zegelverbreking en dat zij evenmin een zegel heeft opgemerkt, door eensdeels, het misdrijf materieel aan haar toe te rekenen met de overweging dat het een intrinsiek verband heeft met de exploitatie van het bedrijf en voor haar rekening werd gepleegd, en, anderdeels, het misdrijf ook moreel aan haar toe te rekenen met de overwegingen die rekening houden met het gedrag van haar bestuurder en met de verwerping van het specifieke verweer dat zij zich wel toegang moest verschaffen tot het terrein om het te kunnen vrijmaken zoals haar was opgelegd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van de beslissing tot schuldigverklaring aan de feiten van de telastlegging F leidt tot de vernietiging van de beslissing over de aan de eiseres opgelegde straf, met inbegrip van haar veroordeling tot de betaling van de bijdrage aan het Slachtofferfonds en de veroordeling tot het inzamelen, vervoeren en verwerken van de achtergelaten afvalstoffen als vermeld onder de telastlegging F, maar laat de overige beslissingen van het arrest onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het arrest, in zoverre het de eiseres schuldig verklaart aan de feiten van de telastlegging F, het uitspraak doet over de aan de eiseres opgelegde bestraffing, met inbegrip van haar veroordeling tot de betaling van de bijdrage aan het Slachtofferfonds en het veroordeelt tot het inzamelen, vervoeren en verwerken van de achtergelaten afvalstoffen als vermeld onder de telastlegging F. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot de helft van de kosten van het cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat ze over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de het hof van beroep Gent. Bepaalt de kosten op 604,32 euro, waarvan 288,64 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren, Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 1 oktober 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241001.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210112.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div