← België

F. contra T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241001.2N.18 Rolnummer: P.24.0995.N Zaak: F. contra T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-10-04 Raadplegingen: 577 - laatst gezien 2026-06-19 01:22 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De rechter moet de door artikel 42 Wegverkeerswet bedoelde beveiligingsmaatregel van het verval een motorvoertuig te besturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid uitspreken als de wettelijke voorwaarden daartoe zijn vervuld; het uitspreken van die maatregel is niet afhankelijk van een vordering van het openbaar ministerie maar het recht van verdediging van de beklaagde vereist wel dat de beklaagde wordt ingelicht over de mogelijkheid dat deze beveiligingsmaatregel tegen hem kan worden uitgesproken, zodat hij bij zijn verdediging ermee rekening kan houden; die kennisgeving kan onder meer blijken uit een vermelding in de dagvaarding, uit de vordering van het openbaar ministerie of uit een mededeling door de rechter op de rechtszitting of in een tussenvonnis; een dergelijke uitdrukkelijke kennisgeving is niet vereist indien blijkt dat de beklaagde zich heeft verdedigd met betrekking tot deze beveiligingsmaatregel of indien de toestand van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid een bestanddeel is van een misdrijf waarvoor de beklaagde wordt vervolgd

(1).
(1)Cass. 6 februari 2024, AR P.23.1668.N, AC 2024 nr. 104, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.
  1. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 42 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 42 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 42 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0995.N A. F., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Wim Wagemakers, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 3 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 42 Wegverkeerswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het bestreden vonnis past artikel 42 Wegverkeerswet toe zonder dat die mogelijkheid door de appelrechters aan de eiser werd voorgelegd; de eiser heeft daarover geen tegenspraak kunnen voeren; uit het bestreden vonnis noch uit het proces-verbaal van de rechtszitting blijkt dat het openbaar ministerie de toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet heeft gevorderd; ook het bestreden vonnis maakt geen melding van enig verweer of opmerking ter zake.
  4. Artikel 42, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet bepaalt: “Verval van het recht tot sturen moet uitgesproken worden wanneer, naar aanleiding van een veroordeling of opschorting van straf of internering wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijk toedoen van de dader, de schuldige lichamelijk of geestelijk ongeschikt wordt bevonden tot het besturen van een motorvoertuig. De uitspraak van dit verval is mogelijk in elke graad van veroordeling, ongeacht wie het rechtsmiddel heeft ingesteld.”
  5. Uit deze bepaling volgt dat de rechter de beveiligingsmaatregel van het verval een motorvoertuig te besturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid moet uitspreken als de wettelijke voorwaarden daartoe zijn vervuld.
  6. Het uitspreken van die maatregel is niet afhankelijk van een vordering van het openbaar ministerie.
  7. Het recht van verdediging van de beklaagde vereist wel dat de beklaagde wordt ingelicht over de mogelijkheid dat deze beveiligingsmaatregel tegen hem kan worden uitgesproken, zodat hij standpunt kan innemen over het voldaan zijn aan de wettelijke toepassingsvoorwaarden voor deze maatregel.
  8. Die kennisgeving van de mogelijke toepassing van deze maatregel kan onder meer blijken uit een vermelding in de dagvaarding, uit de behandeling van de zaak voor de eerste rechter, uit de vordering van het openbaar ministerie of uit een mededeling door de rechter op de rechtszitting of in een tussenvonnis.
  9. Een dergelijke kennisgeving is niet vereist indien blijkt dat de beklaagde zich heeft verdedigd met betrekking tot deze beveiligingsmaatregel of indien de toestand van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid een bestanddeel is van een misdrijf waarvoor de beklaagde wordt vervolgd.
  10. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser werd ingelicht over de mogelijkheid dat een door artikel 42 Wegverkeerswet bedoelde maatregel kon worden uitgesproken, of dat hij zich ter zake heeft verdedigd, of dat hij werd vervolgd voor een misdrijf waarvan de toestand van lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid een bestanddeel is. De beslissing om aan de eiser deze beveiligingsmaatregel op te leggen, is dan ook niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  11. De grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het aan de eiser de door artikel 42 Wegverkeerswet bedoelde beveiligingsmaatregel oplegt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Antwerpen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 166,87 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren, Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 1 oktober 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241001.2N.18 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.