id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241001.2N.2 Rolnummer: P.24.0719.N Zaak: E. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-10-04 Raadplegingen: 528 - laatst gezien 2026-06-19 01:35 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 5 Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de appelrechters die het verhoor van een getuige hebben bijgewoond wiens verklaringen niet werden genoteerd op het proces-verbaal van de rechtszitting, in hun beslissing die verklaringen weergeven en er hun beoordeling op steunen; het recht van verdediging van de partijen wordt niet miskend aangezien zij hadden kunnen vragen dat de verklaringen van de getuige werden genoteerd op het proces-verbaal van de rechtszitting en zij bovendien over de mogelijkheid beschikken om de weergave van de verklaringen door de appelrechters in de beslissing van valsheid te betichten
(1)Zie Cass. 9 oktober 2007, AR P.07.0380.N, AC 2007, nr. 462, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071009.1; Cass. 11 mei 1993, AR nr. 6313, AC 1993, nr. 229, ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930511.10; Cass. 4 april 1979, AC 1997, 922, ECLI:BE:CASS:1979:ARR.19790404.
- Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Tekst van de beslissing Nr. P.24.0719.N A. E.J., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Steve Lambert, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Opperstraat 95, waar de eiser woonplaats kiest, tegen B. V.E., burgerlijke partij, verweerder, met als raadsman mr. Wim Wagemakers, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 15 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord
- Volgens artikel 429, derde lid, Wetboek van Strafvordering dient de memorie van antwoord van de verweerder in cassatie te worden ontvangen ter griffie van het Hof uiterlijk de achtste dag vóór de rechtszitting.
- Die termijn van acht dagen is een volle termijn, wat inhoudt dat acht volledig vrije dagen moeten worden gelaten tussen de dag van de indiening van de memorie van antwoord en de dag van de rechtszitting. Indien de negende of de tiende dag vóór de rechtszitting een zaterdag of een zondag is, moet de memorie ervoor zijn neergelegd.
- Volgens de door de griffie overeenkomstig artikel 429, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering aangebrachte vermelding, werd de memorie van antwoord van de verweerder ontvangen op maandag 23 september 2024, terwijl de memorie uiterlijk op vrijdag 20 september 2024 had moeten worden ontvangen. De memorie van antwoord is wegens laattijdigheid niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het bestreden arrest veroordeelt de eiser tot betaling van een provisionele schadevergoeding, het beveelt een deskundigenopdracht en het stelt de zaak voor verdere behandeling uit. Dit is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin, behoudens wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, een beslissing als bedoeld door het tweede lid van die bepaling. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep wegens voorbarigheid niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 779 Gerechtelijk Wetboek: het bestreden arrest werd niet gewezen door dezelfde rechters als die welke hebben gezeteld op de rechtszitting van 4 december
- Volgens artikel 779 Gerechtelijk Wetboek moet op straffe van nietigheid het vonnis worden gewezen door rechters die alle zittingen over de zaak hebben bijgewoond.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - op de rechtszitting van 28 november 2022 werden conclusietermijnen bepaald en werd de rechtsdag bepaald op 13 maart 2023; - op de rechtszitting van 13 maart 2023, waar de zetel was samengesteld uit P. G., C. B.en D. V.d.h., werd een getuige gehoord, vastgesteld dat de partijen hebben aangevoerd dat er op strafgebied een deskundige diende te worden aangesteld met het oog op een juiste kwalificatie van de feiten en werd de zaak in beraad genomen; - bij tussenarrest van 3 april 2023, gewezen door P. G., C. B. en D. V.d.h., werd uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van de hogere beroepen, alvorens ten gronde te oordelen een deskundige aangesteld en de zaak voor verdere behandeling vastgesteld op de rechtszitting van 4 december 2023; - op de rechtszitting van 4 december 2023, waar de zetel was samengesteld uit P. G., V. V. en D. V.d.h., werd de behandeling van de zaak in haar geheel hernomen, de zaak behandeld en werd de zaak in beraad genomen; - bij tussenarrest van 18 december 2023, gewezen door P. G., V. V. en D. V.d.h., werd geoordeeld dat aangezien op de rechtszitting van 13 maart 2023 een getuige werd gehoord zonder woordelijke opname van zijn verklaring het aangewezen was dat de zaak zou worden behandeld in dezelfde samenstelling als op die rechtszitting, werd daartoe het debat heropend en werd de zaak voor verdere behandeling vastgesteld op de rechtszitting van 29 januari 2024; - op de rechtszitting van 29 januari 2024, waar de zetel was samengesteld uit P. G., D. V.d.h. en C. B., werd de zaak behandeld: het openbaar ministerie vorderde, de partijen werden gehoord, het hof van beroep bracht een eventuele herkwalificatie in het debat met uitnodiging aan de partijen om zich te verdedigen en de zaak werd in beraad genomen.
- Uit het voorgaande volgt dat: - het bestreden arrest is gewezen door rechters die de rechtszittingen van 13 maart 2023 en 29 januari 2024 hebben bijgewoond; - gelet op de met het tussenarrest van 18 december 2023 genomen beslissing, kan de rechtszitting van 4 december 2023 niet worden beschouwd als een rechtszitting waarop de zaak werd behandeld en dit ongeacht de vermelding op het proces-verbaal van die rechtszitting dat de behandeling van de zaak in haar geheel werd hernomen; - aangezien op de rechtszitting van 29 januari 2024 de zetel op dezelfde wijze was samengesteld als op de rechtszitting van 13 maart 2023 en op die rechtszitting van 29 januari 2024 de behandeling van de zaak die plaatsvond op 13 maart 2023 gewoon werd verder gezet, diende niet te worden vastgesteld dat op de rechtszitting van 29 januari 2024 de behandeling van de zaak in haar geheel werd hernomen.
- Het bestreden arrest werd derhalve gewezen door de rechters die alle rechtszittingen waarop de zaak werd behandeld, namelijk de rechtszittingen van 13 maart 2023 en 29 januari 2024, hebben bijgewoond. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging waarvan het beginsel van de tegenspraak een onderdeel is: doordat het bestreden arrest is gegrond op verklaringen die een getuige volgens de rechters op de rechtszitting van 13 maart 2023 heeft afgelegd, zonder dat die verklaringen werden genoteerd op het proces-verbaal van die rechtszitting, is het recht van verdediging miskend; de eiser heeft niet de gelegenheid gehad tegenspraak te voeren over de weergave van die verklaringen door de rechters; ingeval van een herneming van het debat kan enkel rekening worden gehouden met verklaringen van een getuige die zijn genoteerd op het proces-verbaal van de rechtszitting.
- In zoverre het middel is afgeleid uit de vergeefs met het eerste middel aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.
- Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de appelrechters die het verhoor van een getuige hebben bijgewoond wiens verklaringen niet werden genoteerd op het proces-verbaal van de rechtszitting, in hun beslissing die verklaringen weergeven en er hun beoordeling op steunen. Het recht van verdediging van de partijen wordt niet miskend aangezien zij hadden kunnen vragen dat de verklaringen van de getuige werden genoteerd op het proces-verbaal van de rechtszitting en zij bovendien over de mogelijkheid beschikken om de weergave van de verklaringen door de appelrechters in de beslissing van valsheid te betichten. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 133,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren, Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 1 oktober 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241001.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1979:ARR.19790404.13 ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930511.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071009.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div