← België

F.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241001.2N.24 Rolnummer: P.24.1014.N Zaak: F. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2024-10-04 Raadplegingen: 904 - laatst gezien 2026-06-18 10:21 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Uit het geheel van de bepalingen van artikel 65/1, § 1, derde lid, §2, eerste, zevende en achtste lid, Wegverkeerswet en artikel 147bis Wetboek van Strafvordering, welke een verbijzondering inhouden op wat is bepaald in artikel 138 Gerechtelijk Wetboek en artikel 1 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, volgt dat wanneer een beklaagde overeenkomstig artikel 65/1, § 2, zevende lid, Wegverkeerswet beroep aantekent tegen het bevel tot betalen en de rechter het beroep ontvankelijk verklaart, de politierechtbank in eerste aanleg en de correctionele rechtbank in hoger beroep zich krachtens de wet moeten uitspreken over het strafbaar karakter van de feiten waarvoor een bevel tot betalen is uitgevaardigd en waartegen de beklaagde beroep heeft aangetekend en zij, zo zij die feiten bewezen achten, moeten beslissen over de bestraffing; deze wijze van aanhangigmaking krachtens de wet houdt niet in dat de politierechtbank of de correctionele rechtbank de strafvordering zelf instellen en evenmin dat de beklaagde wordt verplicht zichzelf te beschuldigen of mee te werken aan zijn vervolging en deze wijze van aanhangigmaking krachtens de wet houdt in dat het openbaar ministerie niet verplicht is om voor deze feiten uitdrukkelijk de strafvordering in te stellen; het openbaar ministerie moet wel worden gehoord op de rechtszitting waarop het beroep wordt behandeld en daar zijn standpunt kenbaar kan maken over de ontvankelijkheid van het beroep, eventuele gronden van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, de eventuele bewezenverklaring van de feiten waarop het bevel tot betalen en het beroep van de beklaagde betrekking hebben met inbegrip van een mogelijke herkwalificatie van die feiten en de regelmatigheid van de bewijsverkrijging en over de straftoemeting. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 65 Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 147bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 65/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 147bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 65/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 147bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 65/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 4 - 7 Wanneer een beklaagde overeenkomstig artikel 65/1, § 2, eerste lid, Wegverkeerswet beroep aantekent tegen het bevel tot betalen, is het niet vereist dat de beklaagde nogmaals in kennis wordt gesteld van de feiten waarop de vervolging betrekking heeft en van de kwalificatie van die feiten, aangezien de beklaagde door het hem ter kennis gebrachte bevel tot betalen werd ingelicht over de ten laste gelegde feiten, de geschonden wetsbepalingen, de datum, het tijdstip en de plaats van de overtreding, alsook hij zijn beroep tegen het bevel met redenen moet omkleden; noch uit artikel 6 EVRM noch uit artikel 14 IVBPR kan een dergelijke tweede verwittigingsplicht worden afgeleid; de politierechtbank en in hoger beroep de correctionele rechtbank kunnen de feiten zoals aanhangig gemaakt door het beroep tegen het bevel tot betalen heromschrijven, mits het recht van verdediging te respecteren. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 65 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 65/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 65/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 65/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 8 - 10 De vaststelling door een verbalisant dat een bestuurder van een voertuig een mobiel elektronisch apparaat met een scherm gebruikt, zoals een gsm, is een zintuiglijke vaststelling die volgens artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet bewijswaarde heeft zolang het tegendeel niet wordt bewezen; de bijzondere bewijswaarde van die zintuigelijke vaststelling is niet afhankelijk van het gegeven dat de verbalisant een nadere beschrijving verstrekt van het apparaat dat is gebruikt, of van de omstandigheid dat de verbalisant niet dadelijk tot controle is overgegaan. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 8.4 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 62, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 8.4 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Fiche 11 Aan de woorden “stilstaan” en “parkeren” in artikel 8.

  1. Wegverkeersreglement, dat bepaalt dat, behalve wanneer zijn voertuig stilstaat of geparkeerd is, de bestuurder geen mobiel elektronisch apparaat met een scherm mag gebruiken, vasthouden noch manipuleren, tenzij het in een daartoe bestemde houder aan het voertuig bevestigd is, moet de betekenis worden gegeven die deze begrippen hebben in artikel 2.22 en 2.23 Wegverkeersreglemen ; de verbodsbepaling van artikel 8.4 Wegverkeersreglement is derhalve van toepassing op de bestuurder van een voertuig die een gsm gebruikt terwijl het voertuig zonder voort te bewegen in de file staat en zonder dat dit voertuig stilstaat of geparkeerd is in de zin van artikel 2.22 en 2.23 Wegverkeersreglement. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 8 Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 2.22 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 2.23 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 8.4 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1014.N J. F., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Christophe Coen, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel, van 15 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek en miskenning van de bewijskracht van akten: het bestreden vonnis miskent de bewijskracht van het proces-verbaal van de rechtszitting van de politierechtbank Vilvoorde van 24 oktober 2023 en van het proces-verbaal van de rechtszitting van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 10 april 2024; het oordeelt dat het openbaar ministerie alleen mondeling op de rechtszitting vordert, terwijl uit het eerste proces-verbaal blijkt dat het openbaar ministerie alleen de zaak heeft samengevat en een besluit heeft genomen en uit het tweede proces-verbaal van de rechtszitting niet blijkt dat het openbaar ministerie de feiten mondeling kwalificeerde; uit die akten blijkt niet dat het openbaar ministerie de strafvordering instelde door de feiten te kwalificeren en de eiser heeft uitgenodigd om zich te verdedigen op die vordering; de eiser had dan ook geen kennis van de vordering van het openbaar ministerie wat betreft de rechtsgrond en de ten laste gelegde feiten.
  4. De miskenning van de bewijskracht van een akte bestaat erin dat de rechter van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden indien hij het geschrift doet liegen.
  5. Het bestreden vonnis verwijst voor het bekritiseerde oordeel niet naar de door het onderdeel geviseerde processen-verbaal van de rechtszitting. Het kan dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet eisers verweer dat artikel 65/1 Wegverkeerswet een uitzondering vormt op de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering en dat het aan het openbaar ministerie toekomt de strafvordering toe te passen met eerbiediging van artikel 6 EVRM; het is niet aan een beklaagde of de rechter om de telastlegging te omschrijven en een vordering te stellen.
  7. Artikel 149 Grondwet bevat een formele verplichting. Wanneer een motivering tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte leidt, levert dit een schending van de wet op maar geen motiveringsgebrek. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  8. Met de redenen die het bestreden vonnis (p. 4 en 5, bovenaan) bevat, beantwoordt dit het bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede middel
  9. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 1 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 138 Gerechtelijk Wetboek en artikel 65/1 Wegverkeerswet: uit geen enkel stuk blijkt dat het openbaar ministerie, zelfs niet mondeling, de eiser kennis heeft gegeven van de aard en de reden van de vervolging; de omstandigheid dat de eiser de feiten kende en heeft betwist een inbreuk te hebben begaan, heeft niet tot gevolg dat hij door het openbaar ministerie werd ingelicht. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 en 6.3.a EVRM: het bestreden vonnis miskent het vermoeden van onschuld; het oordeelt dat de strafvordering correct werd ingesteld, zonder dat uit het strafdossier evenwel blijkt dat het openbaar ministerie ooit op enige wijze kenbaar maakte welke de aard en de reden was van de vervolging en dat de toepassing van de strafwet werd gevorderd.
  10. Volgens artikel 65/1, § 1, derde lid, Wegverkeerswet wordt het bevel tot betalen per aangetekende zending, per gerechtsbrief of overeenkomstig artikel 32ter Gerechtelijk Wetboek verstuurd aan de overtreder en bevat het ten minste onder meer de ten laste gelegde feiten en de geschonden wetsbepalingen en de datum, het tijdstip en de plaats van de overtreding.
  11. Overeenkomstig artikel 65/1, § 2, eerste lid, Wegverkeerswet kan de persoon die het bevel tot betalen heeft ontvangen of diens advocaat binnen dertig dagen volgend op de dag van ontvangst van het bevel tot betalen beroep aantekenen bij de politierechtbank bevoegd volgens de plaats van de overtreding. Het beroep wordt ingesteld bij een verzoekschrift dat wordt neergelegd op de griffie van de bevoegde politierechtbank of bij een aangetekende zending of dat via elektronische post aan de griffie worden verzonden. Overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling wordt de verzoeker binnen een termijn van dertig dagen vanaf de inschrijving in het daartoe bestemde register door de griffier per gerechtsbrief, per aangetekende zending of overeenkomstig artikel 32ter Gerechtelijk Wetboek opgeroepen om te verschijnen op de rechtszitting die de rechter bepaalt. De griffier zendt een kopie van het verzoekschrift over aan de procureur des Konings en deelt hem de datum van de rechtszitting mee.
  12. Volgens artikel 65/1, § 2, zevende lid, Wegverkeerswet maakt het beroep tegen het bevel tot betalen de zaak in zijn geheel aanhangig voor de strafrechtelijke kamer van de politierechtbank. Volgens artikel 147bis Wetboek van Strafvordering maakt het beroep tegen het in artikel 65/1 Wegverkeerswet bedoelde bevel tot betalen de zaak aanhangig bij de politierechtbank.
  13. Volgens artikel 65/1, § 2, achtste lid, Wegverkeerswet zal de rechtbank, indien het beroep ontvankelijk wordt verklaard, het bevel als niet bestaande beschouwen en de overtredingen ten gronde beoordelen die ten grondslag liggen aan het bevel tot betalen en ingeval van bewezenverklaring de strafwet toepassen.
  14. Uit het geheel van deze bepalingen, welke een verbijzondering inhouden op wat is bepaald in artikel 138 Gerechtelijk Wetboek en artikel 1 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, volgt dat: - wanneer een beklaagde overeenkomstig artikel 65/1, § 2, zevende lid, Wegverkeerswet beroep aantekent tegen het bevel tot betalen en de rechter het beroep ontvankelijk verklaart, de politierechtbank in eerste aanleg en de correctionele rechtbank in hoger beroep zich krachtens de wet moeten uitspreken over het strafbaar karakter van de feiten waarvoor een bevel tot betalen is uitgevaardigd en waartegen de beklaagde beroep heeft aangetekend en zij, zo zij die feiten bewezen achten, moeten beslissen over de bestraffing; - deze wijze van aanhangigmaking krachtens de wet niet inhoudt dat de politierechtbank of de correctionele rechtbank de strafvordering zelf instellen; - deze wijze van aanhangigmaking krachtens de wet evenmin inhoudt dat de beklaagde wordt verplicht zichzelf te beschuldigen of mee te werken aan zijn vervolging; - deze wijze van aanhangigmaking krachtens de wet inhoudt dat het openbaar ministerie niet verplicht is om voor deze feiten uitdrukkelijk de strafvordering in te stellen; - het openbaar ministerie wel moet worden gehoord op de rechtszitting waarop het beroep wordt behandeld en daar zijn standpunt kenbaar kan maken over de ontvankelijkheid van het beroep, eventuele gronden van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, de eventuele bewezenverklaring van de feiten waarop het bevel tot betalen en het beroep van de beklaagde betrekking hebben met inbegrip van een mogelijke herkwalificatie van die feiten en de regelmatigheid van de bewijsverkrijging en over de straftoemeting; - aangezien de beklaagde door het hem ter kennis gebrachte bevel tot betalen werd ingelicht over de ten laste gelegde feiten, de geschonden wetsbepalingen, de datum, het tijdstip en de plaats van de overtreding, alsook hij zijn beroep tegen het bevel met redenen moet omkleden, het niet vereist is dat de beklaagde nogmaals in kennis wordt gesteld van de feiten waarop de vervolging betrekking heeft en van de kwalificatie van die feiten. Noch uit artikel 6 EVRM noch uit artikel 14 IVBPR kan een dergelijke tweede verwittigingsplicht worden afgeleid; - de politierechtbank en in hoger beroep de correctionele rechtbank de feiten zoals aanhangig gemaakt door het beroep tegen het bevel tot betalen kunnen heromschrijven, mits het recht van verdediging te respecteren.
  15. De omstandigheid dat het strafdossier slechts een kopie bevat van het bevel tot betalen dat niet is ondertekend door de procureur des Konings, alsook dat het bevel als onbestaande wordt beschouwd indien het ontvankelijk wordt verklaard, laten niet toe anders te oordelen.
  16. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  17. De aangevoerde miskenning van het vermoeden van onschuld is afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek en artikel 62 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis miskent de bewijswaarde van het proces-verbaal dat de inbreuk ten laste van de eiser vaststelt, door een feit als bewezen aan te nemen, terwijl dat niet kon worden gecontroleerd; de verbalisante stelt vast dat de eiser in een file stond, met zijn hoofd naar beneden keek en met iets bezig was; zij stelt ook vast dat zij in de tegenoverstelde richting reed; spijts het feit dat zij volgens de eigen bewoordingen vaststelde dat de bestuurder naar iets zat te kijken, stelt zij plots vast gezien te hebben dat hij een gsm vast had, zonder evenwel een beschrijving te geven van het toestel; bovendien miskent het ook de bewijskracht van het proces-verbaal door vast te stellen dat het voertuig aan het verkeer deelnam, terwijl de verbalisante ook vaststelde dat de bestuurder naar beneden keek en met iets bezig was, wat dus inhoudt dat het voertuig stilstond.
  19. De vaststelling door een verbalisant dat een bestuurder van een voertuig een mobiel elektronisch apparaat met een scherm gebruikt, zoals een gsm, is een zintuiglijke vaststelling die volgens artikel 62, eerste lid, Wegverkeerswet bewijswaarde heeft zolang het tegendeel niet wordt bewezen. De bijzondere bewijswaarde van die zintuigelijke vaststelling is niet afhankelijk van het gegeven dat de verbalisant een nadere beschrijving verstrekt van het apparaat dat is gebruikt, of van de omstandigheid dat de verbalisant niet dadelijk tot controle is overgegaan. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  20. Het oordeel dat artikel 8.4 Wegverkeersreglement van toepassing is op de eiser, leidt het bestreden vonnis af uit het niet door het onderdeel bekritiseerde gegeven dat de eiser met zijn voertuig in de file stond en niet uit de overige vaststellingen van de verbalisante. In zoverre het onderdeel miskenning aanvoert van de bewijskracht van het proces-verbaal berust het op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  21. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 2.22 en 8.4 Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het begrip “stilstaan” van artikel 8.4 Wegverkeersreglement dezelfde betekenis en inhoud heeft als hetzelfde begrip in de artikelen 2.22, 23 en 24 Wegverkeersreglement; een voertuig dat stilstaat in de file neemt nog steeds deel aan het verkeer en kan niet worden gelijkgesteld met voertuigen die niet langer stilstaan dan nodig is om te laden en te lossen, of om iemand te laten instappen of uitstappen.
  22. Artikel 8.4 Wegverkeersreglement bepaalt: “Behalve wanneer zijn voertuig stilstaat of geparkeerd is, mag de bestuurder geen mobiel elektronisch apparaat met een scherm gebruiken, vasthouden noch manipuleren, tenzij het in een daartoe bestemde houder aan het voertuig bevestigd is.” Aan de woorden “stilstaan” en “parkeren” in deze bepaling moet de betekenis worden gegeven die deze begrippen hebben in artikel 2.22 en 2.23 Wegverkeersreglement.
  23. Volgens artikel 2.22 Wegverkeersreglement is een “stilstaand voertuig” een voertuig dat niet langer stilstaat dan nodig is voor het in- of uitstappen van personen of voor het laden of lossen van zaken. Volgens artikel 2.23 Wegverkeersreglement is een “geparkeerd voertuig” een voertuig dat langer stilstaat dan nodig is voor het in- of uitstappen van personen of voor het laden of lossen van zaken.
  24. Daaruit volgt dat de verbodsbepaling van artikel 8.4 Wegverkeersreglement van toepassing is op de bestuurder van een voertuig die een gsm gebruikt terwijl het voertuig zonder voort te bewegen in de file staat en zonder dat dit voertuig stilstaat of geparkeerd is in de zin van artikel 2.22 en 2.23 Wegverkeersreglement. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  25. Het bestreden vonnis dat aldus oordeelt, is naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  26. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit deze onjuiste rechtsopvatting en bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren, Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 1 oktober 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241001.2N.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.