← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241001.2N.3 Rolnummer: P.24.0845.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-10-04 Raadplegingen: 561 - laatst gezien 2026-06-15 07:35 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 6 Op het door het openbaar ministerie bij toepassing van artikel 4, § 2, eerste lid, Probatiewet ingestelde hoger beroep kan de kamer van inbeschuldigingstelling de internering van de inverdenkinggestelde bevelen, indien dit appelgerecht van oordeel is dat de voorwaarden voor opschorting niet zijn verenigd, maar die voor een internering wel. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 4, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 4, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 4, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 4, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 4, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 4, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiches 7 - 8 Het appelgerecht dat anders dan de eerste rechter de internering beveelt van een beklaagde in plaats van het bevelen van een probatie-opschorting van de uitspraak van veroordeling, legt aan die beklaagde geen zwaardere straf op in de zin van artikel 211bis, tweede zin, Wetboek van Strafvordering, zodat geen eenstemmigheid is vereist

(1).
(1)Zie Cass. 19 april 2016, AR P.16.0132.N, AC 2016, nr. 266, ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160419.
  1. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211bis, tweede zin - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211bis, tweede zin - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0845.N H. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 3 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet, artikel 210 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 4, § 2, 5, § 1 en 6 Probatiewet: door artikel 210 Wetboek van Strafvordering toe te passen schenden de appelrechters de artikelen 10 en 11 Grondwet; er is geen redelijke verantwoording denkbaar voor het onderscheid in behandeling tussen enerzijds de beklaagde die de gunst van de opschorting verkreeg van de vonnisrechter en anderzijds de inverdenkinggestelde die dezelfde gunst verkreeg van de raadkamer; in het eerste geval kan het vonnisgerecht bij toepassing van artikel 210 Wetboek van Strafvordering ambtshalve daarin bepaalde grieven van openbare orde opwerpen, wat het appelgerecht toelaat om indien de eerste rechter een probatie-opschorting heeft verleend en het openbaar ministerie enkel de straftoemeting als grief heeft aangevoerd toch tot een internering van de beklaagde te besluiten; in het tweede geval, waarbij het hoger beroep van het openbaar ministerie is beperkt tot de beoordeling of aan de voorwaarden voor de opschorting is voldaan, zijn er geen ambtshalve grieven mogelijk die tot een internering kunnen leiden. Aan het Grondwettelijk Hof dient de volgende prejudiciële vraag te worden gesteld: “Schenden de artikelen 5, § 1 en 6 Probatiewet, in samenhang gelezen met artikel 210 Wetboek van Strafvordering, zoals geïnterpreteerd door het Grondwettelijk Hof, de artikelen 10 en 11 Grondwet, nu op grond van deze bepalingen een beklaagde ten aanzien van wie in eerste aanleg geen internering werd gevorderd en ten aanzien van wie tot opschorting van de uitspraak werd beslist door de vonnisrechter en waarbij aan de voorwaarden daartoe is voldaan, na het enkele hogere beroep door het openbaar ministerie met als enige grief de straftoemeting ingevolge een ambtshalve grief uitgesproken door de appelrechter kan worden geïnterneerd, terwijl de inverdenkinggestelde ten aanzien van wie geen internering werd gevorderd en ten aanzien van wie tot opschorting van de uitspraak werd beslist door de raadkamer en waarbij aan de voorwaarden is voldaan, ingevolge artikel 4, § 2, Probatiewet, niet kan worden geconfronteerd met een hoger beroep door het openbaar ministerie dat kan leiden tot een beslissing tot internering?”
  4. Volgens artikel 4, § 2, eerste lid, Probatiewet kan de procureur des Konings hoger beroep aantekenen tegen de beschikking van de raadkamer waarbij aan een inverdenkinggestelde de opschorting van de uitspraak van veroordeling werd verleend en dit omdat aan de voorwaarden tot het verlenen van de opschorting niet is voldaan.
  5. Op het door het openbaar ministerie bij toepassing van artikel 4, § 2, eerste lid, Probatiewet ingestelde hoger beroep kan de kamer van inbeschuldigingstelling wel degelijk de internering van de inverdenkinggestelde bevelen, indien dit appelgerecht van oordeel is dat de voorwaarden voor opschorting niet zijn verenigd, maar die voor een internering wel. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. De door het middel aangevoerde onwettigheid bestaande in een ongelijke behandeling is afgeleid uit die onjuiste rechtsopvatting en het middel is bijgevolg onontvankelijk.
  7. Ook de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof is gesteund op die onjuiste rechtsopvatting, zodat die vraag niet wordt gesteld. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: de appelrechters bevelen de internering van de eiser daar waar de eerste rechter opschorting van de uitspraak van veroordeling had verleend onder probatievoorwaarden; aldus verzwaren zij de toestand van de eiser zonder vast te stellen dat die beslissing met eenparigheid van stemmen is gewezen; in eerste aanleg werden de feiten bewezenverklaard, maar werd geen straf of maatregel opgelegd; in hoger beroep werden de feiten eveneens bewezenverklaard en werd aan de eiser een maatregel met een vrijheidsberovend effect opgelegd waarvan de duur niet vooraf is gekend.
  9. Artikel 211bis, tweede zin, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat eenstemmigheid is vereist opdat het appelgerecht een tegen een beklaagde uitgesproken straf kan verzwaren. Het appelgerecht dat anders dan de eerste rechter de internering beveelt van een beklaagde in plaats van het bevelen van een probatie-opschorting van de uitspraak van veroordeling, legt aan die beklaagde geen zwaardere straf op in de zin van artikel 211bis, tweede zin, Wetboek van Strafvordering. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM en de artikelen 5, § 3, en 9, § 2, Interneringswet: het arrest oordeelt dat er geen reden is tot actualisering van de forensisch psychiatrische verslagen omdat die voldoende actueel zijn, gelet op het verloop van de behandeling van de zaak en de behandelingen op de diverse rechtszittingen van het hof van beroep, zodat het aldus nalaat de actualiteit te beoordelen op het tijdstip van de beslissing; het deskundigenverslag waarop de appelrechters zich steunen dateert van 17 januari 2023, terwijl een recenter verslag door het arrest als onbetrouwbaar wordt bestempeld; het arrest treedt ook het arrest bij van 8 februari 2024, waartegen evenwel cassatieberoep was ingesteld, waarbij een raadsman een positief advies had gegeven voor wat betreft de slaagkansen van dit beroep, dit arrest werd vernietigd en het appelgerecht op verwijzing een actualisering van het forensisch psychiatrisch verslag heeft bevolen.
  11. Het arrest (p. 9, vierde alinea) oordeelt dat de verslagen van dr. Hamels van 4 maart 2023 en het door de eiser zelf overgelegde meer recente verslag van dr. Leroy van 20 oktober 2023 voldoende actueel zijn, ook gelet op het verloop van de behandeling van de zaak, met inleiding op 6 oktober 2023 voor het hof van beroep en navolgende behandelingen op de rechtszittingen van 14 december 2023, 9 februari 2024 en 29 maart
  12. Het arrest (p. 11, laatste alinea) oordeelt verder dat er geen noodzaak is om een college van deskundigen aan te stellen, het voldoende is ingelicht met recente en voldoende actuele informatie om te oordelen en er geen nood is aan actualisering in de zin van artikel 5, § 3, in fine, Interneringswet. Het arrest (p. 12, eerste alinea) stelt zich voor de beoordeling of voldaan is aan de voorwaarden voor internering op de datum van de beslissing. Uit het geheel van die redenen, gelezen in hun onderlinge samenhang, volgt dat het arrest de actualiteit van de forensisch psychiatrische verslagen wel degelijk beoordeelt op het ogenblik van de beslissing. De omstandigheid dat het arrest vaststelt dat ook met het arrest van 8 februari 2024 werd beslist dat er geen noodzaak was om een college van deskundigen aan te stellen, laat niet toe anders te oordelen en dit ongeacht het gegeven dat tegen dit arrest cassatieberoep was ingesteld, een advocaat de slaagkansen van dit beroep positief had geadviseerd, dit arrest werd vernietigd en het appelgerecht op verwijzing een actualisering heeft bevolen. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  13. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling door het arrest over het actueel karakter van de forensisch psychiatrische verslagen, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 100,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren, Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 1 oktober 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241001.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160419.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.