← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241001.2N.99 Rolnummer: P.24.0672.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Unierecht Invoerdatum: 2024-10-04 Raadplegingen: 611 - laatst gezien 2026-06-17 04:34 Fiche Een beslissing van het Europees Hof waarbij een door een verzoeker bij dat Hof ingediend verzoekschrift niet ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 35.3 en 35.4 EVRM, is geen arrest of beslissing in de zin van artikel 442bis, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat in de procedure voorafgaand aan die beslissing door het Europees Hof akte werd verleend van de unilaterale verklaring van de Belgische Regering van de erkenning van een schending van een bepaling van het EVRM, noch door de omstandigheid dat een op die erkenning gebaseerde, eerdere aanvraag tot heropening van de rechtspleging ongegrond werd verklaard, noch door de omstandigheid dat de naar aanleiding van de unilaterale verklaring aangeboden schadevergoeding door de verzoeker onvoldoende wordt geacht

(1).
(1)Het Hof van Cassatie oordeelde in het arrest P.20.0884.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.4 van 17 november 2020 dat het verzoekschrift tot heropening ongegrond was omdat ingevolge het principe van de scheiding der machten de rechterlijke macht niet gebonden is door de uitlegging die de Belgische regering geeft van het EVRM noch door een verklaring van de Belgische regering waarin een schending van het EVRM erkend wordt alsook dat de beslissing tot schrapping van de rol door het Europees Hof geen gezag van gewijsde heeft met betrekking tot de door de verzoekers aangevoerde schending van de redelijke termijn. Vervolgens oordeelde het Hof van Cassatie dat er in casu geen schending was van de redelijke termijn. De onontvankelijkheidverklaring van het verzoek door het Europees Hof op basis van de artikelen 35.3 en 35.4 EVRM houdt in dat het Europees Hof de procesgang in Straatsburg ziet als een dynamisch gegeven: vanaf het ogenblik dat de verzoekers genoegdoening hebben gekregen door de unilaterale erkenning van schending en de toekenning van een vergoeding, kunnen zij navolgend niet meer beschouwd worden als slachtoffer van een schending van artikel 6 EVRM. Een vaststelling/erkenning van een EVRM-schending in een Straatsburgse procedure impliceert dus niet ipso facto dat de heropening per definitie moet worden bevolen. Een weigering om in te gaan op een heropening, maakt echter dat de zaak aldus weer bijhet EHRM belandt (of kan belanden), waar de “heropenings-weigering” als zodanig door het EHRM wordt beoordeeld. Dit maakt dat de verwerping van een heropeningsaanvraag, hoewel dus zeker niet onmogelijk, uit zijn aard vaak een bijzonder delicate oefening is, met name in zoverre het aankomt op een inhoudelijke beoordeling van de EHRM-schending, die per definitie al vaststaat of minstens werd erkend binnen de Straatsburgse procedure (zie S VAN OVERBEKE, “De beslissing tot heropening van de rechtspleging in strafzaken: Straatsburg locuta, causa non finita?”, in La Cour de cassation en dialogue. Het Hof van Cassatie in dialoog, Liber amicorum Beatrijs Deconinck en André Henkes, Brussel, Larcier-Intersentia, 2024, inz. p. 1111-1112 – zie ook F. KRENC, “La Cour européenne des droits de l'homme et la Cour de cassation. Les vertus du dialogue”, in La Cour de cassation en dialogue. Het Hof van Cassatie in dialoog, Liber amicorum Beatrijs Deconinck en André Henkes, Brussel, Larcier-Intersentia, 2024, p. 578-580, nrs. 42-45 – zie ook P. LEMMENS, “Omgaan met Straatsburg. De heropening door het Hof van Cassatie van een nationale strafprocedure”, in La Cour de cassation en dialogue. Het Hof van Cassatie in dialoog, Liber amicorum Beatrijs Deconinck en André Henkes, Brussel, Larcier-Intersentia, 2024, p. 625-627, nrs. 20-21). In de voorliggende zaak was de toetsing van de schending n.a.v. de heropeningsweigering niet zo evident, gelet op de rechtspraak van het EHRM in het arrest Hamer - zie F. VAN VOLSEM, “Het EHRM-arrest Hamer kan het Hof van Cassatie niet overtuigen”, RABG 2009, afl. 13, 921-925; zie ook F. VAN VOLSEM, “Tien jaar toepassing van de heropening …”, in Hommage E. Krings en M. Storme, p. 682, nr. 63; A. VERHEYLESONNE en O. KLEES, “La loi belge du 1er avril 2007 relative à la réouverture de la procédure pénale …”, Rev.trim.D.H. 2008, p.
  1. De verwerping van een verzoek tot heropening dient niettemin met veel omzichtigheid te worden benaderd zoals moge blijken uit Cass. 7 september 2022, AR P.22.0339.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220907.2F.4-P.22.0340.F, AC 2022, nr.
  2. met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas. (AW) Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Instellingen Tekst van de beslissing Nr. P.24.0672.N
  3. L. V.E.,
  4. M. L., verzoekers tot heropening van de rechtspleging, met als raadsman mr. Herman Segers, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3580 Beringen, Hasseltsesteenweg 136, waar de verzoekers woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht en ter griffie van het Hof is neergelegd op 2 mei 2024 vragen de verzoekers op grond van artikel 442bis Wetboek van Strafvordering de heropening van de rechtspleging die heeft geleid tot het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 maart 2013 en tot het arrest van het Hof van 13 januari
  5. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. De raadsman van de verzoekers heeft op 26 september 2024 ter griffie van het Hof een antwoordnoot ingediend. II. RELEVANTE GEGEVENS De verzoekers zetten uiteen dat: - zij werden veroordeeld bij arrest van het hof van beroep te Gent van 29 maart 2013 wegens inbreuken op het Monumentendecreet van 3 maart 1976, zoals toentertijd van toepassing, waarbij hun voorziening tegen dit arrest door het Hof werd verworpen bij arrest van 13 januari 2015; - zij op 2 juli 2015 een verzoekschrift hebben ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het Europees Hof), welk verzoekschrift hoofdzakelijk was gebaseerd op een schending van artikel 6.1 EVRM wegens het overschrijden van de redelijke termijn met betrekking tot de herstelvordering; - de Belgische Regering bij schrijven van 16 januari 2020 heeft erkend dat er een schending is van artikel 6.1 EVRM en heeft voorgesteld om de zaak te laten doorhalen mits aan de verzoekers een bedrag van 8.000,00 euro zou worden betaald; - het Europees Hof bij beslissing van 16 juni 2020, die op 9 juli 2020 ter kennis van de verzoekers werd gebracht, het verzoekschrift van de rol heeft geschrapt bij toepassing van artikel 37.1.c EVRM; - zij bij toepassing van artikel 442quinquies Wetboek van Strafvordering bij een op 20 augustus 2020 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift de heropening hebben gevraagd van de rechtspleging die heeft geleid tot het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 maart 2013, gelet op de belangrijke financiële schade die zij hebben ondergaan en nog steeds ondergaan omdat het Vlaams Gewest de betaling van de dwangsommen, verbonden aan de herstelmaatregel, blijft nastreven; - het Hof bij arrest van 17 november 2020 hun aanvraag tot heropening van de rechtspleging ongegrond heeft verklaard; - zij vervolgens op 22 januari 2021 hebben verzocht om de herinschrijving van de zaak op de rol, waarna het Europees Hof de zaak op 13 december 2022 opnieuw op de rol heeft ingeschreven; - het Europees Hof bij beslissing van 7 november 2023 hun verzoek onontvankelijk heeft verklaard. III. BESLISSING VAN HET HOF
  6. De verzoekers vorderen dat: - het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 maart 2013 en het arrest van het Hof van 13 januari 2015 worden herroepen; - alle gevolgen die voortvloeien uit die arresten als niet-bestaande worden beschouwd en dat hen volledig rechtsherstel wordt verleend; - akte wordt verleend van het feit dat zij een procedure tot volledige schadeloosstelling hebben ingeleid tegen de Belgische Staat en de Inspecteur Onroerend Erfgoed namens het Vlaams Gewest; - in ondergeschikte orde artikel 442quinquies Wetboek van Strafvordering zou worden toegepast.
  7. In de beslissing van 7 november 2023 oordeelde het Europees Hof dat de verzoekers, die een schending van artikel 6.1 EVRM aanvoeren ingevolge de verwerping van hun aanvraag tot heropening van de rechtspleging bij arrest van het Hof van 17 november 2020, niet meer de hoedanigheid hebben van slachtoffer in de zin van artikel 34 EVRM. Het Europees Hof verklaarde het verzoekschrift bijgevolg niet ontvankelijk en oordeelde dienaangaande onder meer dat: - het verlies van de hoedanigheid van slachtoffer voortvloeit uit de erkenning door de nationale autoriteiten van een schending van het EVRM en uit de omstandigheid dat aan de verzoekers een aangepaste en voldoende genoegdoening werd verleend, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak en de aard van de schending; - de door de verzoekers aangevoerde grief over de buitensporige duur van de tegen hen gevoerde procedure ratione personae niet verenigbaar is met de bepalingen van het EVRM in de zin van artikel 35.3.a EVRM en moet worden verworpen bij toepassing van artikel 35.4 EVRM.
  8. In zoverre de aanvraag tot heropening dezelfde grondslag heeft als de heropeningsaanvraag die door het Hof bij arrest van 17 november 2020 ongegrond werd verklaard, is het verzoek niet ontvankelijk.
  9. Artikel 442bis, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Wanneer bij een definitief arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is vastgesteld dat het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden of de aanvullende protocollen, hierna “het Europees Verdrag”, zijn geschonden, kan, enkel wat de strafvordering betreft, de heropening gevraagd worden van de rechtspleging die geleid heeft tot de veroordeling van de verzoeker in de zaak voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens of tot de veroordeling van een andere persoon, wegens hetzelfde feit en op grond van dezelfde bewijsmiddelen. Hetzelfde geldt in geval van een beslissing of arrest waarbij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens akte neemt van de minnelijke schikking tussen de partijen en waarin de Belgische regering deze schending erkent, overeenkomstig artikel 39 van het Europees Verdrag, of waarbij het akte neemt van de unilaterale verklaring van erkenning van de schending, overeenkomstig artikel 37, § 1, van het Europees Verdrag, en dientengevolge beslist de zaak van de rol te schrappen.”
  10. Een beslissing van het Europees Hof waarbij een door een verzoeker bij dat Hof ingediend verzoekschrift niet ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 35.3 en 35.4 EVRM, is geen arrest of beslissing in de zin van artikel 442bis, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat in de procedure voorafgaand aan die beslissing door het Europees Hof akte werd verleend van de unilaterale verklaring van de Belgische Regering van de erkenning van een schending van een bepaling van het EVRM, noch door de omstandigheid dat een op die erkenning gebaseerde, eerdere aanvraag tot heropening van de rechtspleging ongegrond werd verklaard, noch door de omstandigheid dat de naar aanleiding van de unilaterale verklaring aangeboden schadevergoeding door de verzoeker onvoldoende wordt geacht.
  11. In zoverre is de aanvraag tot heropening van de rechtspleging bijgevolg eveneens niet ontvankelijk.
  12. De overige vorderingen van de verzoekers zijn afgeleid uit de onontvankelijke aanvraag tot heropening en zijn bijgevolg evenzeer niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verklaart de aanvraag tot heropening van de rechtspleging niet ontvankelijk. Veroordeelt de verzoekers tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 1 oktober 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241001.2N.99 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220907.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.