id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241004.1N.2 Rolnummer: C.23.0272.N Zaak: MARKT 1 bv contra HISTORIUM nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-10-18 Raadplegingen: 809 - laatst gezien 2026-06-15 07:46 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.2 Fiches 1 - 2 Uit de samenhang van artikelen 18 en 19 Handelshuurwet en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat wanneer bij huurhernieuwing onenigheid blijft bestaan over de huurprijs, de rechter naar billijkheid, rekening houdend met alle objectieve omstandigheden en onder meer met de in artikel 19 opgesomde criteria, de normale huurwaarde van het goed op het ogenblik van de huurhernieuwing bepaalt; een onzekere economische conjunctuur ten gevolge van een wereldwijde pandemie, die een invloed uitoefent op de huurwaarde op het ogenblik van de huurhernieuwing, kan als een dergelijke objectieve omstandigheid worden beschouwd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - HANDELSHUUR - Einde (Opzegging. Huurhernieuwing. Enz) Wettelijke bepalingen: Wet van 30 april 1951 BURGERLIJK WETBOEK. - BOEK III - TITEL VIII - HOOFDSTUK II, Afdeling 2bis : Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder - 30-04-1951 - Art. 18 - 30 ELI link Pub nr 1951043003 Wet van 30 april 1951 BURGERLIJK WETBOEK. - BOEK III - TITEL VIII - HOOFDSTUK II, Afdeling 2bis : Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder - 30-04-1951 - Art. 19 - 30 ELI link Pub nr 1951043003 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0272.N
- MARKT 1 bv, met zetel te 8000 Brugge, Sint-Annarei 22, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0705.818.916,
- B. R.,
- M. W.
- P. T., advocaat, met kantoor te 8000 Brugge, Bevrijdingslaan 2, bus 1, in zijn hoedanigheid van voogd ad hoc over: H. R., A. R., R. D. A. D, J. D, A. R., A. R., eisers, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen HISTORIUM nv, met zetel te 8000 Brugge, Markt 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0878.909.971, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 15 februari
- Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft op 24 mei 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 18 Handelshuurwet bepaalt dat wanneer uit het in artikel 14 bedoelde antwoord van de verhuurder op de aanvraag tot huurhernieuwing blijkt dat deze de hernieuwing afhankelijk stelt van voorwaarden betreffende de huurprijs, de bijdrage in de lasten, de wijze van genot of andere modaliteiten van de huur en indien omtrent die voorwaarden onenigheid blijft bestaan, de huurder zich tot de rechter wendt binnen dertig dagen na het antwoord van de verhuurder, op straffe van verval, waarbij de rechter uitspraak doet naar billijkheid. Artikel 19 Handelshuurwet bepaalt dat indien de onenigheid de door de verhuurder gevraagde huurprijs betreft, de rechter onder meer rekening houdt met de prijs die in de wijk, de agglomeratie of de streek gewoonlijk wordt gevraagd voor vergelijkbare onroerende goederen, gedeelten van onroerende goederen of lokalen, en eveneens, in voorkomend geval, met de bijzondere aard van de gedreven handel, en het voordeel door de huurder getrokken uit de gehele of gedeeltelijke onderverhuring van de lokalen. Hij let niet op het gunstig of ongunstig rendement van de onderneming, dat uitsluitend aan de huurder is toe te schrijven.
- Uit de samenhang van de voormelde wetsbepalingen en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat wanneer bij huurhernieuwing onenigheid blijft bestaan over de huurprijs, de rechter naar billijkheid, rekening houdend met alle objectieve omstandigheden en onder meer met de in artikel 19 opgesomde criteria, de normale huurwaarde van het goed op het ogenblik van de huurhernieuwing bepaalt. Een onzekere economische conjunctuur ten gevolge van een wereldwijde pandemie, die een invloed uitoefent op de huurwaarde op het ogenblik van de huurhernieuwing, kan als een dergelijke objectieve omstandigheid worden beschouwd.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de normale huurwaarde van het pand op 1 januari 2021, zonder rekening te houden met de gevolgen van de coronapandemie, moet worden vastgesteld op een bedrag van 400.000 euro per jaar; - dit bedrag voortvloeit uit een zeer omstandig en gedegen onderzoek door de deskundige, die evenwel bij het vaststellen van dit bedrag geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van de coronapandemie; - op 1 januari 2021 er sprake was van de tweede lockdown ten gevolge van de coronapandemie waarbij wegens het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 beperkingen en regels golden; - de eisers niet kunnen worden bijgetreden in hun bewering dat de door de overheid uitgevaardigde maatregelen geen enkel effect hebben op de huurwaarde van het gehuurde goed; - op 1 januari 2021 nog de grootste onzekerheid bestond over de verdere evolutie van de pandemie, evenals de effecten ervan op middellange en lange termijn op de economie en het toerisme; - de deskundige terecht in zijn voorverslag heeft gesteld dat de economische gevolgen dan ook nog niet inschatbaar zijn, het einde van de tunnel nog niet in zicht is, laat staan de gevolgen voor de vastgoedmarkt; - het enige wat vaststaat, het verregaand en bijzonder negatief effect op korte termijn is aangezien het toerisme in Vlaanderen was gekelderd; - deze onzekerheid onbetwistbaar een negatieve invloed had op de normale huurwaarde van het pand van de eisers per 1 januari 2021; - op dat ogenblik het volstrekt onduidelijk was hoelang de pandemie en de daaruit voortvloeiende beperkende maatregelen zouden duren, waardoor het onmogelijk was om een prognose te maken over omzet/rendement van een uitbating in het pand; - de onzekerheid en de gevolgen van de wereldwijde coronapandemie de normale huurwaarde van het pand per 1 januari 2021 met 25 pct. heeft doen dalen; - de normale huurwaarde van het pand en de jaarlijke basishuurprijs verschuldigd vanaf 1 januari 2021 in billijkheid wordt bepaald op 300.000 euro.
- Met die redenen geeft de appelrechter te kennen dat de op het ogenblik van de huurhernieuwing heersende, onzekere economische conjunctuur ten gevolge van een wereldwijde pandemie een neerwaartse invloed uitoefende op de huurwaarde en verantwoordt hij naar recht zijn beslissing om hiermee rekening te houden bij het bepalen van de normale huurwaarde op 1 januari
- In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 14, 18, 19 en 20 Handelshuurwet, kan het niet worden aangenomen.
- Uit het dossier van de rechtspleging blijkt dat: - de eisers in hun appelconclusie aanvoerden dat de door de overheid uitgevaardigde coronamaatregelen geen enkel effect hebben gehad op de huurwaarde van het gehuurde goed; - de verweerster in haar appelconclusie aanvoerde dat onder meer de pandemie aanleiding gaf tot de daling van huurprijzen fluctuerend tussen 20 pct. en 40 pct.
- De appelrechter oordeelt met de redenen vermeld in ro. 3 dat de coronapandemie negatieve gevolgen heeft op de normale huurwaarde van het handelspand, waarna hij naar billijkheid oordeelt dat de onzekerheid en de gevolgen van de wereldwijde coronapandemie de normale huurwaarde van het pand per 1 januari 2021 met 25 pct. heeft doen dalen.
- Uit de voormelde processtukken en deze redenen, die het Hof toelaten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, volgt dat de appelrechter de waardevermindering van 25 pct. niet steunt op persoonlijke kennis, maar wel op gegevens die aan de tegenspraak van de partijen werden onderworpen. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, artikel 870 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 8.3 en 8.4 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging, kan het evenmin worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 1.065,68 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting 4 oktober 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241004.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div