id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241004.1N.7 Rolnummer: C.23.0501.N Zaak: DAMA nv contra BELGISCHE STAAT FOD JUSTITIE Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2024-10-18 Raadplegingen: 591 - laatst gezien 2026-06-18 18:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.7 Fiche 1 De rechtbank van eerste aanleg gaat na of de beslissing van de Kansspelcommissie tot het opleggen van een administratieve geldboete in feite en in rechte verantwoord is, waarbij de rechtbank de bewijswaarde van de door de partijen ingeroepen elementen tot staving van hun voor de rechtbank gevoerde verweer anders kan beoordelen dan de Kansspelcommissie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SPELEN EN WEDDENSCHAPPEN Wettelijke bepalingen: Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 15/7, § 1 - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Fiches 2 - 3 De Kansspelwet bepaalt geen termijn waarbinnen een afschrift van het proces-verbaal moet worden toegezonden aan de betrokkene en waarvan de niet-naleving tot gevolg heeft dat het proces-verbaal zijn bijzondere bewijswaarde verliest; Niettemin kan een laattijdige toezending tot gevolg hebben dat het proces-verbaal zijn bijzondere bewijswaarde verliest indien daardoor het recht van verdediging van de betrokkene wordt miskend
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SPELEN EN WEDDENSCHAPPEN Wettelijke bepalingen: Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 15, § 2, tweede en derde lid - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Wettelijke bepalingen: Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 15, § 2, tweede en derde lid - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Fiche 4 Uit het enkele feit dat een afschrift van het proces-verbaal pas aan de betrokkene wordt overgezonden nadat de Kansspelcommissie de procedure tegen hem heeft opgestart, volgt niet automatisch een miskenning van zijn recht van verdediging; de rechter oordeelt onaantastbaar in feite of het recht van verdediging van de betrokkene daardoor daadwerkelijk is miskend
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - BURGERLIJKE ZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 15, § 2, tweede en derde lid - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Fiche 5 Bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk mag de Kanspelcommissie, en in beroep de rechtbank, onder meer rekening houden met de winst die de inbreuk heeft opgeleverd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SPELEN EN WEDDENSCHAPPEN Wettelijke bepalingen: Wet 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers - 07-05-1999 - Art. 15/3, § 2 - 77 ELI link Pub nr 1999010222 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0501.N DAMA nv, vennootschap naar het recht van Curaçao, met zetel te Willemstad (Curaçao), Julianaplein 6, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kabinet te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50/65 (6de verdieping), verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 26 juni
- Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft op 4 juli 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 15/7, § 1, Kansspelwet kan de betrokkene die de beslissing betwist waarbij hem door de Kansspelcommissie een administratieve geldboete wordt opgelegd, binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing van de commissie, door middel van een verzoekschrift, beroep instellen bij de rechtbank van eerste aanleg van zijn woonplaats of maatschappelijke zetel, die zetelt met volle rechtsmacht. De rechtbank van eerste aanleg gaat na of de beslissing van de Kansspelcommissie tot het opleggen van een administratieve geldboete in feite en in rechte verantwoord is, waarbij de rechtbank de bewijswaarde van de door de partijen ingeroepen elementen tot staving van hun voor de rechtbank gevoerde verweer anders kan beoordelen dan de Kansspelcommissie.
- Uit de stukken waarop het Hof acht mag slaan, blijkt dat: - volgens de Kansspelcommissie het proces-verbaal van 6 oktober 2020 zijn bijzondere bewijswaarde zou hebben verloren omdat aan de eiseres geen afschrift van het proces-verbaal werd overgemaakt; - de Kansspelcommissie de aan de eiseres ten laste gelegde feiten toch bewezen heeft geacht en aan haar een administratieve geldboete van 40.000 euro heeft opgelegd wegens een inbreuk op artikel 4, § 1, Kansspelwet; - de eiseres voor de rechtbank het verweer heeft gevoerd dat bij gebrek aan bijzondere bewijswaarde van de processen-verbaal van 31 augustus 2020 en 6 oktober 2020 de inbreuk niet bewezen is; - de verweerder voor de rechtbank het verweer heeft gevoerd dat de inbreuk bewezen is aan de hand van de processen-verbaal van 31 augustus 2020 en 6 oktober 2020 die wel bijzondere bewijswaarde hebben.
- Door binnen de perken van het door de eiseres ingestelde beroep, de bewijswaarde van de processen-verbaal te beoordelen en te oordelen dat deze hun bijzondere bewijswaarde niet hebben verloren doordat zij niet voor de procedure bij de Kansspelcommissie aan de eiseres werden overgemaakt, schendt het vonnis geen van de in het onderdeel als geschonden aangewezen wetsbepalingen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Artikel 15, § 2, tweede lid, Kansspelwet bepaalt dat een afschrift van het betreffende proces-verbaal wordt overgezonden aan de commissie evenals aan de persoon die een inbreuk heeft gepleegd op deze wet of haar uitvoeringsbesluiten, met uitdrukkelijke vermelding van de datum waarop het origineel werd toegestuurd of ter hand werd gesteld aan de procureur des Konings. Krachtens artikel 15, § 2, derde lid, Kansspelwet heeft het proces-verbaal dat door de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren werd opgesteld inzake inbreuken op deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, bewijskracht tot het tegendeel bewezen is.
- De Kansspelwet bepaalt geen termijn waarbinnen een afschrift van het proces-verbaal moet worden toegezonden aan de betrokkene en waarvan de niet-naleving tot gevolg heeft dat het proces-verbaal zijn bijzondere bewijswaarde verliest. Niettemin kan een laattijdige toezending tot gevolg hebben dat het proces-verbaal zijn bijzondere bewijswaarde verliest indien daardoor het recht van verdediging van de betrokkene wordt miskend. Uit het enkele feit dat een afschrift van het proces-verbaal pas aan de betrokkene wordt overgezonden nadat de Kansspelcommissie de procedure tegen hem heeft opgestart, volgt niet automatisch een miskenning van zijn recht van verdediging. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of het recht van verdediging van de betrokkene daardoor daadwerkelijk is miskend.
- Het onderdeel dat ervan uitgaat dat het overmaken van een afschrift van het proces-verbaal in elk geval moet gebeuren vooraleer de Kansspelcommissie de procedure tegen de betrokkene heeft opgestart, bij gebreke waarvan automatisch het recht van verdediging van de betrokkene wordt miskend en het proces-verbaal zijn bijzondere bewijswaarde verliest, faalt naar recht. Tweede middel Eerste en tweede onderdeel
- Hoewel de rechter op onaantastbare wijze het bestaan vaststelt van de feiten waarop hij steunt en hoewel de gevolgtrekkingen die hij daaruit als vermoeden afleidt, aan zijn oordeel en beleid worden overgelaten, mag hij het rechtsbegrip feitelijk vermoeden, dat aan het toezicht van het Hof is onderworpen, niet miskennen of denatureren. Hij mag met name aan de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen verbinden die op grond van die feiten niet kunnen worden verantwoord.
- De rechtbank stelt vast en oordeelt dat: - de data van registratie van de beide websites blijken uit de processen-verbaal die door een ambtenaar van de verweerder werden opgesteld en die een bijzondere bewijskracht hebben; - uit stuk 2 van de eiseres blijkt dat zij pas werd opgericht op 11 december 2019; - gelet op het maatschappelijk doel van de eiseres en het gegeven dat haar zetel gevestigd is op hetzelfde adres als dat van de vennootschap die optreedt als haar bestuurder, de eiseres duidelijk werd opgericht met het enkele en specifieke doel van de uitbating van de websites in kwestie; - wat betreft de bewering van de eiseres dat zij de betrokken domeinnamen pas in de loop van 2020 zou hebben overgenomen, de rechtbank weinig waarde hecht aan de stukken 3 en 4 van de eiseres, die louter uitgaan van de eiseres zelf en klaarblijkelijk volkomen eenzijdig werden opgesteld en ondertekend door een bestuurder van de eiseres; - op grond van het geheel van de voorliggende stukken en feiten de rechtbank het voldoende bewezen acht dat de eiseres de websites heeft uitgebaat vanaf de datum van haar oprichting.
- Op grond van deze redenen, die het Hof toelaten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, kon de rechtbank, zonder miskenning van het rechtsbegrip feitelijk vermoeden, oordelen dat voldoende bewezen is dat de eiseres de websites heeft uitgebaat vanaf de datum van haar oprichting. De onderdelen kunnen niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Artikel 15/3, § 2, Kansspelwet bepaalt dat de omvang van de administratieve geldboete evenredig is ten aanzien van de ernst van de inbreuk die de boete verantwoordt.
- Bij de beoordeling van de ernst van de inbreuk mag de Kanspelcommissie, en in beroep de rechtbank, onder meer rekening houden met de winst die de inbreuk heeft opgeleverd. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 300,36 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 4 oktober 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241004.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div