id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 8
, 4° - 32 ELI link Pub nr 1987800433 Gecoördineerde wet 7 augustus 1987
Art. 131
, § 1 - 32 ELI link Pub nr 1987800433 Thesaurus CAS: GENEESKUNDE - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wet 7 augustus 1987
Art. 8
, 4° - 32 ELI link Pub nr 1987800433 Gecoördineerde wet 7 augustus 1987
Art. 131, § 1 - 32 ELI link Pub nr 1987800433 Tekst van de beslissing Nr.
C.23.0278.N
- G. A. M.,
- A. bv, eisers, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen SINT-FRANCISCUSZIEKENHUIS vzw, met zetel te 3550 Heusden-Zolder, Pastoor Paquaylaan 129, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0469.037.857, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen van 22 maart 2021 en 13 februari
- Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft op 4 juni 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- In zoverre het onderdeel gericht is tegen de vaststelling dat de eigen stukken van de eisers bevestigen dat de Associatie Heelkunde de prestaties die de eiser uitvoerde op de medische permanentie van de verweerster aan de eiser vergoedde, terwijl de beslissing dat de eisers niet bewijzen dat ze verbonden waren met de verweerster in de zin van artikel 8, 4°, van de wet van 7 augustus 1987 op de ziekenhuizen (hierna Ziekenhuiswet 1987) niet op deze reden berust, is het niet ontvankelijk.
- Artikel 8, 4°, Ziekenhuiswet 1987, zoals van toepassing, bepaalt dat onder ziekenhuisgeneesheer wordt verstaan de geneesheer verbonden aan het ziekenhuis. Artikel 131, § 1, Ziekenhuiswet 1987 bepaalt dat de respectieve rechten en verplichtingen van de individuele ziekenhuisgeneesheer en de beheerder, alsook meer bepaald de werkvoorwaarden van de individuele ziekenhuisgeneesheer onder verwijzing naar de in artikel 130 bedoelde algemene regeling schriftelijk vastgesteld moeten worden, hetzij in een overeenkomst, hetzij in de benoemingsakte.
- Uit de tekst van deze wetsbepalingen en de wetsgeschiedenis blijkt dat het begrip “verbonden aan het ziekenhuis” een juridisch element inhoudt, in die zin dat het begrip “verbonden aan” inhoudt dat er een aanstelling of benoeming is geweest door de ziekenhuisbeheerder.
- Het onderdeel dat ervan uitgaat dat een arts als ziekenhuisgeneesheer kwalificeert door een juridische band met het ziekenhuis anders dan een aanstelling of een benoeming door de ziekenhuisbeheerder, faalt in zoverre naar recht. Tweede onderdeel
- In zoverre het onderdeel is gericht tegen de vaststelling van de appelrechter van het standpunt van de verweerster en de vaststelling dat de eigen stukken van de eisers bevestigen dat de Associatie Heelkunde de prestaties die de eiser uitvoerde op de medische permanentie van de verweerster aan de eiser vergoedde, terwijl de beslissing dat de eisers niet bewijzen dat ze verbonden waren met de verweerster in de zin van artikel 8, 4°, Ziekenhuiswet 1987 niet op deze redenen berust, is het niet ontvankelijk.
- Artikel 8.8 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat, behalve in de gevallen waarin de wet anders bepaalt, het bewijs met alle bewijsmiddelen kan worden geleverd. Artikel 8.1, 9°, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een feitelijk vermoeden een bewijsmiddel is waarbij de rechter het bestaan van één of meer onbekende feiten afleidt uit het voorhanden zijn van één of meer bekende feiten. Artikel 8.29 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat feitelijke vermoedens enkel toelaatbaar zijn in de gevallen waarin de wet het bewijs met alle bewijsmiddelen toelaat. Hun bewijswaarde wordt overgelaten aan het oordeel van de rechter, die ze enkel zal aannemen indien zij op één of meer ernstige en precieze aanwijzingen berusten. Voor zover het vermoeden op meerdere aanwijzingen steunt, moeten ze met elkaar overeenstemmend zijn.
- Hoewel de rechter de concrete omstandigheden waarop hij steunt onaantastbaar in feite vaststelt en de wet aan het oordeel van de rechter overlaat welke gevolgen hij als feitelijk vermoeden daaruit trekt, kan het Hof nagaan of de rechter het rechtsbegrip feitelijk vermoeden heeft miskend en meer precies of hij uit de gedane vaststellingen gevolgen heeft getrokken die daarmee geen verband houden of op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- De appelrechter stelt vast dat het deskundigenonderzoek heeft aangetoond dat: - de eiser in de betrokken periode meer dan 7.000 uur spoedpermanentie verrichtte in het ziekenhuis van de verweerster; - de eiser ingeschakeld was in de wachtdienst bij de verweerster en deelnam aan meer dan 350 MUG-interventies voor de verweerster; - het ereloon van de eiser centraal werd geïnd door de verweerster; - de eiser insprong voor andere artsen; - een collegiale sfeer heerste; - de eiser bij zijn opstart overleg had met de hoofdarts; - de infrastructuur en lokalen van de verweerster ter beschikking waren van de eiser; - hij dezelfde beroepskledij droeg als de andere artsen.
- De appelrechter die op grond van deze redenen oordeelt dat de eisers uit deze feiten onterecht afleiden dat de eiser een ziekenhuisgeneesheer is in de zin van artikel 8, 4°, Ziekenhuiswet 1987 en dat de voormelde feiten zowel afzonderlijk als tezamen slechts het bewijs leveren van een feitelijke band tussen de eiser en de verweerster, miskent het rechtsbegrip feitelijk vermoeden niet en ontneemt de eisers niet het recht om de verbondenheid in de zin van artikel 8, 4°, Ziekenhuiswet 1987 door alle bewijsmiddelen, inzonderheid de feitelijke vermoedens en de feitelijke uitvoering van een vermeende overeenkomst, te leveren. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 8.8 en 8.29 Burgerlijk Wetboek en miskenning van het rechtsbegrip feitelijk vermoeden, kan het niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 1349 en 1353 Oud Burgerlijk Wetboek, die op het geding niet van toepassing zijn, is het niet ontvankelijk.
- Voor het overige is het onderdeel geheel afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde schending van de artikelen 8.8 en 8.29 Burgerlijk Wetboek en derhalve niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het is niet tegenstrijdig enerzijds te oordelen dat de eisers niet bewijzen dat ze verbonden waren met de verweerster in de zin van artikel 8, 4°, Ziekenhuiswet 1987 en anderzijds te oordelen dat de eisers zich, conform de afspraken uit het verleden tussen de eiser en de verweerster zoals die kunnen worden afgeleid uit de door de eisers voorgelegde fiscale fiches en betalingsbewijzen, voor de betaling van het saldo van hun achterstallig ereloon voor de periode van 1 januari 2005 tot 16 maart 2005 dienen te richten tot de Associatie Heelkunde. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 594,21 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Michael Traest, en in openbare rechtszitting van 4 oktober 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Frederic Vroman, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241004.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241004.1N.8 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250613.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div