id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241008.2N.11 Rolnummer: P.24.0902.N Zaak: EXPRESS BREAD Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-10-11 Raadplegingen: 591 - laatst gezien 2026-06-16 11:04 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Uit artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat 1°de verplichting de gevraagde inlichtingen te bezorgen voortvloeit uit artikel 67ter Wegverkeerswet zelf, dat elkeen geacht is te kennen; 2°de vraag om inlichtingen niet is onderworpen aan bepaalde vormvereisten: zo kan zij schriftelijk worden geformuleerd door toezending van de vraag samen met het proces-verbaal van overtreding of door voeging van de vraag bij de uitnodiging tot betaling van een onmiddellijke inning of een voorstel van minnelijke schikking, maar ze kan ook mondeling worden gesteld; en 3°het noodzakelijk is maar volstaat dat de schriftelijk of mondeling geformuleerde vraag duidelijk het voertuig, het tijdstip en de plaats van de overtreding vermeldt, waarop de vraag betrekking heeft
(1); de rechter beoordeelt onaantastbaar of een mondeling geformuleerde vraag een vraag om inlichtingen is in de zin van artikel 67ter Wegverkeerswet, alsook of ter gelegenheid van de mondeling geformuleerde vraag duidelijk het voertuig, het tijdstip en de plaats van de overtreding werden vermeld; hij kan daarbij niet alleen de bij de vraagstelling gebruikte bewoordingen in aanmerking nemen, maar ook verwijzen naar het geheel van de feitelijke omstandigheden waarin de betrokkene werd bevraagd; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Cass. 11 januari 2022, AR P.21.1259.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.8, AC 2022, nr. 15, NC 2022, 474, RABG 2022, 630 noot C. DE ROY, “De verplichting tot identificatie van de bestuurder van een voertuig op grond van artikel 67ter Wegverkeerswet: het Hof van Cassatie verzet de bakens” (634-636). Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 67 - Artikel 67ter Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter, eerste en tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Rechtspersonen Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter, eerste en tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 67ter, eerste en tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0902.N EXPRESS BREAD cv, met zetel te 1160 Oudergem, Tervuurse steenweg 113/bus 1, ON 0471.394.759, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Nathalie Buisseret, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 16 mei
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 67ter Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de verbalisanten in hun mondelinge vraag om inlichtingen duidelijk het voertuig, het tijdstip en de plaats van de overtreding hebben vermeld waarop die vraag betrekking had; de in het navolgend proces-verbaal hernomen telefonische communicatie kan niet worden beschouwd als een formele uitnodiging tot identificatie.
- Artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet bepaalt dat: - wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een op naam van een rechtspersoon ingeschreven motorvoertuig en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet werd geïdentificeerd, de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt, ertoe is gehouden de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen, of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig, behalve wanneer zij diefstal, fraude of overmacht kunnen bewijzen; - deze mededeling moet gebeuren binnen de vijftien dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen werd verstuurd.
- Uit deze bepaling en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat: - de verplichting de gevraagde inlichtingen te bezorgen voortvloeit uit artikel 67ter Wegverkeerswet zelf, dat elkeen geacht is te kennen; - de vraag om inlichtingen niet is onderworpen aan bepaalde vormvereisten: zo kan zij schriftelijk worden geformuleerd door toezending van de vraag samen met het proces-verbaal van overtreding of door voeging van de vraag bij de uitnodiging tot betaling van een onmiddellijke inning of een voorstel van minnelijke schikking, maar ze kan ook mondeling worden gesteld; - het noodzakelijk is maar volstaat dat de schriftelijk of mondeling geformuleerde vraag duidelijk het voertuig, het tijdstip en de plaats van de overtreding vermeldt, waarop de vraag betrekking heeft.
- De rechter beoordeelt onaantastbaar of een mondeling geformuleerde vraag een vraag om inlichtingen is in de zin van artikel 67ter Wegverkeerswet, alsook of ter gelegenheid van de mondeling geformuleerde vraag duidelijk het voertuig, het tijdstip en de plaats van de overtreding werden vermeld. Hij kan daarbij niet alleen de bij de vraagstelling gebruikte bewoordingen in aanmerking nemen, maar ook verwijzen naar het geheel van de feitelijke omstandigheden waarin de betrokkene werd bevraagd.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis verwijst naar de weergegeven vermeldingen in het navolgend proces-verbaal en meer in het bijzonder naar het feit dat de verbalisanten tijdens het eerste telefoongesprek met de zaakvoerster van de eiseres uitdrukkelijk de reden van de afspraak hebben medegedeeld en dat zij, nadat er op de afgesproken datum niemand was opgedaagd, de zaakvoerster opnieuw hebben opgebeld met de mededeling dat zij een verklaring diende af te leggen aangezien de bestuurder van de overtreding niet gekend was. Het leidt daaruit af dat de verbalisanten tijdens hun mondeling geformuleerde vraag tot inlichtingen duidelijk het voertuig, het tijdstip en de plaats van de overtreding hebben vermeld, waarop de vraag om inlichtingen betrekking had. Het oordeelt verder ook dat de eiseres reeds vier keer werd veroordeeld voor het niet-mededelen van de identiteit van de bestuurder, zodat ze bezwaarlijk kan voorhouden dat zij niet op de hoogte was van de procedure en niet wist dat zij ertoe gehouden was de identiteit van de bestuurder mede te delen.
- Op grond van het geheel van die redenen kan het bestreden vonnis oordelen dat de mondeling geformuleerde vraag wel degelijk een vraag om inlichtingen is in de zin van artikel 67ter Wegverkeerswet, alsook dat in die mondeling geformuleerde vraag duidelijk het voertuig, het tijdstip en de plaats van de overtreding werden vermeld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 8 oktober 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241008.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div