← België

H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241008.2N.30 Rolnummer: P.24.1339.N Zaak: H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Burgerlijk recht - Unierecht - Arbeidsrecht - Overige Invoerdatum: 2024-10-11 Raadplegingen: 660 - laatst gezien 2026-06-18 13:03 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241008.2N.30 Fiches 1 - 5 Volgens artikel 3.3 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel weigert de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel onder meer ingeval de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat, op grond van zijn leeftijd niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld voor de feiten die aan dit bevel ten grondslag liggen; volgens artikel 4, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, dat uitvoering geeft aan artikel 3.3 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, wordt de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel geweigerd onder meer ingeval de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, gelet op zijn leeftijd krachtens het Belgische recht nog niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de feiten die aan dat bevel ten grondslag liggen; het Hof van Justitie heeft artikel 3.3 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel met het arrest van 23 januari 2018 in de zaak C-367/16 (ro 30) uitgelegd in die zin, eensdeels, dat de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat alleen de overlevering moet weigeren van minderjarigen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en die volgens het recht van de uitvoerende lidstaat niet de leeftijd hebben die is vereist om strafrechtelijk verantwoordelijk te worden gesteld voor de feiten die ten grondslag liggen aan het tegen hen uitgevaardigde aanhoudingsbevel, en, anderdeels, dat de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat voor haar beslissing over de overlevering van een minderjarige tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, alleen moet nagaan of de betrokkene de minimumleeftijd heeft om in de uitvoerende lidstaat strafrechtelijk verantwoordelijk te worden gesteld voor de feiten die ten grondslag liggen aan dat aanhoudingsbevel, zonder dat zij rekening hoeft te houden met eventuele aanvullende voorwaarden inzake een gepersonaliseerde beoordeling die in het recht van deze lidstaat concreet worden gesteld voor de vervolging of veroordeling van een minderjarige voor dergelijke feiten; hieruit volgt dat onder het niet “strafrechtelijk verantwoordelijk” kunnen worden gesteld, zoals bedoeld in artikel 3.3 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, of het niet “strafrechtelijk aansprakelijk” kunnen worden gesteld zoals bedoeld in artikel 4, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, moet worden begrepen dat de minderjarigen in de uitvoerende lidstaat, wegens hun leeftijd, niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd of veroordeeld voor de betrokken feiten van overlevering

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 3.
  1. Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 3.
  2. Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 3.
  3. Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 3.
  4. Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: MINDERJARIGHEID Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 3.
  5. Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 6 - 10 Artikel 5, eerste lid, Decreet Jeugddelinquentierecht bepaalt dat de op grond van het gemene recht bevoegde rechtbanken, behoudens samenhang met vervolgingen wegens andere misdrijven, kennis nemen van de vorderingen van het openbaar ministerie jegens personen ouder dan zestien jaar en beneden achttien jaar op het ogenblik van het plegen van de feiten, wegens in dat artikel bepaalde verkeersmisdrijven; de jeugdrechtbank kan een minderjarige uit handen geven in de in artikel 38 Decreet Jeugddelinquentierecht bepaalde gevallen; deze uithandengeving is slechts mogelijk als de minderjarige verdachte op het tijdstip van het plegen van het jeugddelict zestien jaar of ouder was en houdt in dat de jeugdrechtbank de zaak naar het openbaar ministerie verwijst, met het oog op vervolging voor de bevoegde rechtbank die het gemeen strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure toepast; enkel indien een uithandengeving mogelijk is of het betreft één van de in artikel 5, eerste lid, Decreet Jeugddelinquentierecht bedoelde verkeersmisdrijven, kan een minderjarige bij toepassing van het Decreet Jeugddelinquentierecht strafrechtelijk worden vervolgd en veroordeeld en dus strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld, zoals bedoeld in artikel 4, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel; van dergelijke strafrechtelijke aansprakelijkheid is geen sprake wanneer bij toepassing van het Decreet Jeugddelinquentierecht aan een minderjarige, jonger dan zestien jaar, in dat decreet bedoelde maatregelen of sancties worden opgelegd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 5 Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 38 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 5 Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 38 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 5 Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 38 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 5 Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 38 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: MINDERJARIGHEID Wettelijke bepalingen: Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 5 Decreet van de Vlaamse Overheid van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht - 15-02-2019 - Art. 38 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 11 - 12 De onwettigheid van de niet-toepassing van de verplichte weigeringsgrond van artikel 4, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel leidt tot de vernietiging van de beslissing waarbij het tegen de eiser uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer wordt gelegd; aangezien er niets meer te beslissen valt, geschiedt de cassatie zonder verwijzing
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 435 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIE - VERNIETIGING. OMVANG - Strafzaken - Strafvordering - Andere partijen Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 435 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1339.N J. H., persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, eiser, met als raadsman mr. Wesley Jeunen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 19 september
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 3 oktober 2024 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie. Op de rechtszitting van 8 oktober 2024 heeft raadsheer Jos Decoker verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 3.3 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 van de Raad betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel) en artikel 4, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: de appelrechters steunen hun beslissing hoofdzakelijk op de overweging dat in Vlaanderen volgens het decreet van 15 februari 2019 betreffende het jeugddelinquentierecht (hierna Decreet Jeugddelinquentierecht) een minderjarige van 12 jaar strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld, evenwel mits bepaalde voorwaarden zijn vervuld en dat, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan, een plaatsingsmaatregel kan worden genomen, die al dan niet wegens de duur ervan en het gegeven dat de minderjarige door de plaatsing in zijn vrijheid wordt beperkt, geïnterpreteerd zou kunnen worden als een strafrechtelijke sanctie; deze interpretatie van het begrip “strafrechtelijke verantwoordelijkheid” is louter gebaseerd op Belgische, in feite enkel Vlaamse, regelgeving en houdt geen rekening met de Unierechtelijke interpretatie van het begrip, zoals gegeven in het arrest van het Hof van Justitie van 23 januari 2018 in de zaak C-367/16, als het “strafrechtelijk kunnen vervolgd of veroordeeld worden”; door hun oordeel volledig te steunen op de bepalingen uit het Decreet Jeugddelinquentierecht maken de appelrechters ook, in strijd met de uitlegging van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel in het voormelde arrest van het Hof van Justitie, toepassing van regionale regelgeving en niet van “de nationale bepalingen van een lidstaat”, waardoor de woon- of verblijfplaats van een minderjarige ten onrechte mee zou wegen op de beoordeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid.
  3. Volgens artikel 3.3 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel weigert de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel onder meer ingeval de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat, op grond van zijn leeftijd niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld voor de feiten die aan dit bevel ten grondslag liggen.
  4. Volgens artikel 4, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, dat uitvoering geeft aan artikel 3.3 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, wordt de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel geweigerd onder meer ingeval de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, gelet op zijn leeftijd krachtens het Belgische recht nog niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de feiten die aan dat bevel ten grondslag liggen.
  5. Het Hof van Justitie heeft artikel 3.3 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel met het arrest van 23 januari 2018 in de zaak C-367/16 (ro 30) uitgelegd in die zin, eensdeels, dat de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat alleen de overlevering moet weigeren van minderjarigen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en die volgens het recht van de uitvoerende lidstaat niet de leeftijd hebben die is vereist om strafrechtelijk verantwoordelijk te worden gesteld voor de feiten die ten grondslag liggen aan het tegen hen uitgevaardigde aanhoudingsbevel, en, anderdeels, dat de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat voor haar beslissing over de overlevering van een minderjarige tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, alleen moet nagaan of de betrokkene de minimumleeftijd heeft om in de uitvoerende lidstaat strafrechtelijk verantwoordelijk te worden gesteld voor de feiten die ten grondslag liggen aan dat aanhoudingsbevel, zonder dat zij rekening hoeft te houden met eventuele aanvullende voorwaarden inzake een gepersonaliseerde beoordeling die in het recht van deze lidstaat concreet worden gesteld voor de vervolging of veroordeling van een minderjarige voor dergelijke feiten.
  6. Hieruit volgt dat onder het niet “strafrechtelijk verantwoordelijk” kunnen worden gesteld, zoals bedoeld in artikel 3.3 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, of het niet “strafrechtelijk aansprakelijk” kunnen worden gesteld zoals bedoeld in artikel 4, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, moet worden begrepen dat de minderjarigen in de uitvoerende lidstaat, wegens hun leeftijd, niet strafrechtelijk kunnen worden vervolgd of veroordeeld voor de betrokken feiten van overlevering.
  7. Het Decreet Jeugddelinquentierecht is volgens artikel 4, § 1, van dat decreet van toepassing op de minderjarige verdachte en de minderjarige delictpleger. Een minderjarige verdachte is volgens artikel 2, 12°, Decreet Jeugddelinquentierecht een minderjarige die verdacht wordt van het plegen van een jeugddelict. Een minderjarige delictpleger is volgens artikel 2, 11°, van dat decreet een minderjarige die een jeugddelict heeft gepleegd. Een minderjarige is volgens artikel 2, 10°, van dat decreet een persoon van minstens twaalf jaar die de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt op het ogenblik van het plegen van het jeugddelict.
  8. Een jeugddelict is volgens artikel 2, 7°, Decreet Jeugddelinquentierecht een als misdrijf omschreven feit gepleegd door een minderjarige. Een reactie is volgens artikel 2, 17°, van dat decreet de maatregel of sanctie als maatschappelijk antwoord op een jeugddelict. Een maatregel is volgens artikel 2, 9°, van dat decreet het maatschappelijk antwoord op een jeugddelict tijdens de voorbereidende rechtspleging, met uitsluiting van het herstelrechtelijk aanbod. Een sanctie is volgens artikel 2, 19°, van dat decreet het maatschappelijk antwoord op een jeugddelict tijdens de rechtspleging ten gronde, met uitsluiting van het herstelrechtelijk aanbod, de uithandengeving en het toevertrouwen van een minderjarige aan een afdeling van een jeugdpsychiatrische dienst als vermeld in artikel 39 van het decreet.
  9. Artikel 5, eerste lid, Decreet Jeugddelinquentierecht bepaalt dat de op grond van het gemene recht bevoegde rechtbanken, behoudens samenhang met vervolgingen wegens andere misdrijven, kennis nemen van de vorderingen van het openbaar ministerie jegens personen ouder dan zestien jaar en beneden achttien jaar op het ogenblik van het plegen van de feiten, wegens in dat artikel bepaalde verkeersmisdrijven.
  10. De jeugdrechtbank kan een minderjarige uit handen geven in de in artikel 38 Decreet Jeugddelinquentierecht bepaalde gevallen. Deze uithandengeving is slechts mogelijk als de minderjarige verdachte op het tijdstip van het plegen van het jeugddelict zestien jaar of ouder was en houdt in dat de jeugdrechtbank de zaak naar het openbaar ministerie verwijst, met het oog op vervolging voor de bevoegde rechtbank die het gemeen strafrecht en de gemeenrechtelijke strafprocedure toepast.
  11. Enkel indien een uithandengeving mogelijk is of het betreft één van de in artikel 5, eerste lid, Decreet Jeugddelinquentierecht bedoelde verkeersmisdrijven, kan een minderjarige bij toepassing van het Decreet Jeugddelinquentierecht strafrechtelijk worden vervolgd en veroordeeld en dus strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld, zoals bedoeld in artikel 4, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel.
  12. Van dergelijke strafrechtelijke aansprakelijkheid is geen sprake wanneer bij toepassing van het Decreet Jeugddelinquentierecht aan een minderjarige, jonger dan zestien jaar, in dat decreet bedoelde maatregelen of sancties worden opgelegd.
  13. Het arrest dat met verwijzing naar de bepalingen van het Decreet Jeugddelinquentierecht oordeelt dat de verplichte weigeringsgrond van artikel 4, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel niet moet worden toegepast, schendt deze bepaling. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  14. De grieven behoeven geen antwoord. Omvang van de cassatie
  15. De onwettigheid van de niet-toepassing van de verplichte weigeringsgrond van artikel 4, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel leidt tot de vernietiging van de beslissing waarbij het tegen de eiser uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer wordt gelegd. Aangezien er niets meer te beslissen valt, geschiedt de cassatie zonder verwijzing. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Laat de kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 64,90 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 8 oktober 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241008.2N.30 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241008.2N.30 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.