← België

R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.

P.24.1332.N S. R., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 23 september

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM en artikel 14 IVBPR, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces door een onafhankelijk en onpartijdig rechter: zowel tijdens de rechtszitting als in het vonnis heeft de strafuitvoeringsrechtbank haar woorden betreffende de eiser niet geschuwd; hij wordt omschreven als een hardleerse oplichter met een parasitaire levensstijl; zowel tijdens de rechtszitting als in het vonnis uit de strafuitvoeringsrechtbank haar ongenoegen over het door de minister van Justitie toegekende verlengde penitentiair verlof, dat wordt bestempeld als een miskenning van de scheiding der machten; de strafuitvoeringsrechtbank bestempelt de betalingen door de eiser aan de burgerlijke partijen als opportunistisch; zowel ter rechtszitting als met het vonnis wordt het de eiser duidelijk gemaakt dat hij opgesloten had moeten blijven; daaruit blijkt bij de strafuitvoeringsrechtbank een totaal gebrek aan subjectieve onpartijdigheid; de eiser had geen schijn van kans om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling te verkrijgen; het stond met zekerheid vast dat eisers verzoek zou worden afgewezen.
  3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de strafuitvoeringsrechtbank op de rechtszitting waarop eisers verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling werd behandeld, de door het middel beschreven standpunten zou hebben ingenomen. Evenmin blijkt dat reeds voor de uitspraak van het vonnis vaststond dat de strafuitvoeringsrechtbank eisers verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit zou afwijzen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  4. De strafuitvoeringsrechtbank spreekt zich niet uit over de schuld van een beklaagde, maar moet wel oordelen over het voorhanden zijn van wettelijk bepaalde tegenaanwijzingen, die de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit beletten.
  5. Bij die beoordeling kan de strafuitvoeringsrechtbank onder meer steunen op tegen de veroordeelde uitgesproken veroordelingen en de daarin vervatte gegevens over de omstandigheden waarin de feiten werden gepleegd en betreffende de persoonlijkheid van de veroordeelde, op opvolgingsverslagen betreffende het gedrag van de veroordeelde tijdens zijn detentie en tijdens eerder toegekende strafuitvoeringsmodaliteiten en op eigen ervaringen betreffende de veroordeelde.
  6. De strafuitvoeringsrechtbank die onder meer met verwijzing naar vroegere veroordelingen en een reeds toegekende maar herroepen strafuitvoeringsmodaliteit van oordeel is dat de veroordeelde een hardleerse oplichter is, die geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden en de schuld buiten zichzelf legt, en die vaststelt dat hij wordt omschreven als egocentrisch, onbetrouwbaar en met een parasitaire levensstijl, beschrijft enkel in het kader van het onderzoek naar de wettelijk bepaalde tegenaanwijzingen voor de strafuitvoeringsmodaliteit de persoonlijkheid van de eiser. Zij doet daardoor niet blijken van een gebrek aan subjectieve onpartijdigheid. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  7. De strafuitvoeringrechtbank die in het kader van het onderzoek naar de wettelijk bepaalde tegenaanwijzingen voor de strafuitvoeringsmodaliteit vaststelt dat de minister van Justitie buiten het in de Wet Strafuitvoering bepaalde kader een verlengd penitentiair verlof toekent omwille van de overbevolking in de gevangenissen, die beslissing omschrijft als een miskenning van het beginsel van de scheiding der machten en die beslissing betreurt omdat ze geen rekening houdt met het dossier, de persoonlijkheid van de veroordeelde, de kansen die deze kreeg en al dan niet benutte en er tijdens dit verlof ook geen opvolging is, doet daardoor evenmin blijken van een gebrek aan subjectieve onpartijdigheid. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  8. De strafuitvoeringsrechtbank die in het kader van het onderzoek naar de tegenaanwijzing van het leveren van inspanningen om de burgerlijke partijen te vergoeden, na te hebben vastgesteld dat de eiser betreffende het overlijden van een burgerlijke partij nog steeds geen bewijzen heeft voorgelegd en evenmin een volledig overzicht van de schulden heeft bezorgd, oordeelt dat de drie stortingen van 50,00 euro die de eiser heeft gedaan ten behoeve van twee van de drie burgerlijke partijen twee weken voor de rechtszitting waarop de zaak werd behandeld, zijn gebeurd om louter opportunistische redenen, doet niet blijken van een subjectieve partijdigheid. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 15 oktober 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241015.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.