id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241015.2N.18 Rolnummer: P.24.1307.N Zaak: BELGISCHE STAAT, SS ASIEL EN MIGRATIE contra A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige Invoerdatum: 2024-10-21 Raadplegingen: 435 - laatst gezien 2026-06-15 07:48 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit de bepaling van artikel 74/6, § 1, eerste lid, Vreemdelingenwet volgt dat de maatregel van vasthouding van een vreemdeling die om internationale bescherming heeft verzocht, slechts kan worden bevolen wanneer geen minder dwingende maatregelen dan de vasthouding nog doeltreffend kunnen worden toegepast om de in die bepaling beoogde doelstelling te verwezenlijken of om de effectieve verwijdering of overdracht van de vreemdeling te bewerkstelligen maar uit de loutere omstandigheid dat die beslissing niet alle mogelijke alternatieve maatregelen vermeldt en afzonderlijk toetst kan geen miskenning van de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit worden afgeleid; die wetsbepaling verzet zich niet ertegen dat de administratieve overheid een minder dwingende maatregel dan de vasthouding hoe dan ook niet doeltreffend acht wanneer de vasthouding van de vreemdeling die om internationale bescherming heeft verzocht, vereist is voor de bescherming van de nationale veiligheid en de openbare orde en in dat geval volstaat het dat de beslissing tot vasthouding concrete redenen aangeeft waarom de vasthouding is vereist voor de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 74/6, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 74/6, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1307.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris bevoegd voor Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, tussenkomende partij, eiser, met als raadsman mr. Thomas Schreurs, advocaat bij de balie Brussel, tegen A. A., vreemdelinge, vastgehouden, verweerster, met als raadsman mr. Zouhaier Chihaoui, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 augustus
- De eiser voert in een memorie en in een aanvullende memorie die aan dit arrest zijn gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 74/6, § 1, eerste lid, Vreemdelingenwet: het arrest oordeelt dat uit de motivering van de bestreden beslissing tot vasthouding van 19 juli 2024 niet blijkt en niet kan worden nagegaan of tevens werd onderzocht of geen minder dwingende maatregelen dan de vasthouding konden worden toegepast en dat aldus rekening werd gehouden met de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit; de als geschonden aangevoerde bepaling vereist echter niet dat de vasthoudingsbeslissing steeds ook andere mogelijke alternatieve maatregelen dan de vasthouding vermeldt; uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt wel degelijk dat een evenredigheids- en subsidiariteitstoets werd uitgevoerd.
- Artikel 74/6, § 1, eerste lid, Vreemdelingenwet bepaalt: “Wanneer het, op basis van een individuele beoordeling, nodig blijkt en er geen andere, minder dwingende maatregelen effectief kunnen worden toegepast, kan de minister of zijn gemachtigde een verzoeker om internationale bescherming, in een welbepaalde plaats in het Rijk vasthouden: (…) 4° wanneer de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde dat vereisen.”
- Uit die bepaling volgt dat de maatregel van vasthouding van een vreemdeling die om internationale bescherming heeft verzocht, slechts kan worden bevolen wanneer geen minder dwingende maatregelen dan de vasthouding nog doeltreffend kunnen worden toegepast om de in die bepaling beoogde doelstelling te verwezenlijken of om de effectieve verwijdering of overdracht van de vreemdeling te bewerkstelligen. Een miskenning van de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit kan evenwel niet worden afgeleid uit de loutere omstandigheid dat die beslissing niet alle mogelijke alternatieve maatregelen vermeldt en afzonderlijk toetst.
- Die wetsbepaling verzet zich niet ertegen dat de administratieve overheid een minder dwingende maatregel dan de vasthouding hoe dan ook niet doeltreffend acht wanneer de vasthouding van de vreemdeling die om internationale bescherming heeft verzocht, vereist is voor de bescherming van de nationale veiligheid en de openbare orde. In dat geval volstaat het dat de beslissing tot vasthouding concrete redenen aangeeft waarom de vasthouding is vereist voor de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde.
- De beslissing tot vasthouding van 19 juli 2024 grondt de vasthouding van de verweerster mede op artikel 74/6, § 1, eerste lid, 4°, Vreemdelingenwet. Zij is gesteund op de volgende overwegingen: - de verweerster werd op 20 februari 2024 op heterdaad betrapt op zwartwerk en daarbij werd vastgesteld dat zij illegaal op het Belgisch grondgebied verbleef; - teneinde haar te verwijderen van het Belgisch grondgebied werd de verweerster onder bijlage 13septies overgebracht naar een gesloten centrum en werden na haar aankomst de nodige stappen daartoe gezet; - op 20 februari 2024 stelde de lokale politie tegen de verweerster een administratief verslag op wegens werken zonder in het bezit te zijn van een arbeidskaart, beroepskaart of “single permit”. Gezien de aard van die feiten kan de verweerster worden beschouwd als een persoon die geacht wordt de openbare orde te schaden; - overeenkomstig artikel 74/6, § 1, eerste lid, 4°, Vreemdelingenwet wordt de vasthouding van de verweerster als noodzakelijk beoordeeld om haar effectieve verwijdering van het Belgisch grondgebied te waarborgen.
- Het arrest oordeelt zoals het middel aanhaalt, alsook dat de beslissing tot vasthouding zich ertoe beperkt te stellen dat onder meer aan de vierde omstandigheid van artikel 74/6, § 1, eerste lid, Vreemdelingenwet is voldaan en dat de vasthouding van de verweerster noodzakelijk is. Het arrest besluit dat daardoor niet aan de vereisten van die bepaling en de motiveringsplicht is beantwoord, te meer omdat uit het administratief dossier blijkt dat de administratieve overheid over informatie beschikte met betrekking tot de persoonlijke situatie van de verweerster.
- Met de hierboven vermelde concrete overwegingen van de beslissing tot vasthouding over het vereiste van de bescherming van de openbare orde, geeft de administratieve overheid evenwel ook ondubbelzinnig te kennen dat geen minder dwingende maatregelen dan de vasthouding nog doeltreffend kunnen worden toegepast om de in artikel 74/6, § 1, eerste lid, 4°, Vreemdelingenwet beoogde doelstelling te verwezenlijken of om de effectieve verwijdering of overdracht van de vreemdeling te bewerkstelligen. De appelrechters die oordelen dat die beslissing niet afdoende is gemotiveerd omdat niet blijkt of kan worden onderzocht of voor die beslissing rekening werd gehouden met de beginselen van evenredigheid en subsidiariteit, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- De grieven die niet tot ruimere cassatie kunnen leiden, behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Laat een tiende van de kosten ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 579,74 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 15 oktober 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241015.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div