← België

Limlodec contra A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 4

, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -

Art. 4

, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -

Art. 4

, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: EIGENDOM Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -

Art. 4

, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Fiches 5 - 8 Voor de toepassing van de bepaling van artikel 43 Strafwetboek moet een derde die voor de rechter zijn aanspraken laat gelden op een zaak die overeenkomstig artikel 4, § 6, Drugswet in aanmerking komt voor verbeurdverklaring, worden gelijkgesteld met een veroordeelde zodat die derde dan ook als verweer voor de strafrechter mag aanvoeren dat de onttrekking van de verbeurd te verklaren zaak aan zijn vermogen voor hem een onredelijk zware last uitmaakt; de strafrechter dient dat verweer te beantwoorden maar hij moet , bij afwezigheid van een daartoe strekkend verweer, niet ambtshalve vaststellen dat de verbeurdverklaring geen onredelijk zware last voor de betrokkene uitmaakt. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 43 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -

Art. 4

, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 43 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -

Art. 4

, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 43 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... -

Art. 4, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Tekst van de beslissing Nr.

P.24.1117.N LIMLODEC nv, met zetel te 3581 Beverlo (Beringen), Turfstraat 3, ON 0439.586.083, persoon die aanspraak maakt op verbeurdverklaarde zaken, eiseres, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 26 juni

  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 43 en 43bis Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf: het arrest verwerpt de vordering van de eiseres tot teruggave of vrijgave van het voertuig Porsche en bevestigt de bijzondere verbeurdverklaring (hierna verbeurdverklaring) van dat voertuig lastens de beklaagde A. omdat A. het heeft gebruikt voor het plegen van het drugmisdrijf; daarmee miskent het arrest het persoonlijk karakter van de straf aangezien de eiseres een derde te goeder trouw is; het arrest leidt het oordeel dat de eiseres niet te goeder trouw is af uit de vaststellingen dat de zaakvoerder van de eiseres de toenmalige partner was van A. en dat de eiseres de eigenaar was van het pand waarin de cannabisplantage werd geëxploiteerd en in die hoedanigheid huurgelden ontving; het beantwoordt echter niet het verweer van de eiseres dat haar zaakvoerster buiten vervolging werd gesteld, dat er van een amoureuze relatie geen sprake was omdat de zaakvoerster de wil had geuit te scheiden van A. en dat de zaakvoerster ingevolge ziekte destijds niet op de hoogte was van de activiteiten van A.
  3. Op grond van artikel 4, § 6, Drugwet, zoals van toepassing, kan de rechter, onverminderd de toepassing van de artikelen 42 en 43 Strafwetboek, de verbeurdverklaring bevelen van voertuigen die hebben gediend om drugmisdrijven te plegen, zelfs indien ze geen eigendom zijn van de veroordeelde.
  4. Die verbeurdverklaring kan bijgevolg een derde treffen die eigenaar is van het voertuig. Die derde kan evenwel zijn aanspraken op dat voertuig voor de rechter doen gelden en op die grond opkomen tegen de verbeurdverklaring ervan.
  5. Het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf en het recht op eigendom verzetten zich ertegen dat een dergelijke verbeurdverklaring wordt opgelegd aan een derde te goeder trouw die niet wist en niet kon weten dat zijn voertuig werd of zou worden gebruikt om het drugmisdrijf te plegen.
  6. Het enkele feit dat de derde niet is veroordeeld voor het drugmisdrijf voor het plegen waarvan zijn voertuig heeft gediend, of dat hij voor dat misdrijf buiten vervolging is gesteld, volstaat niet om de verbeurdverklaring ervan lastens de dader van het misdrijf te beletten. Daarvoor is ook vereist dat de derde te goeder trouw is. Bij het bepalen van die goede trouw kan de rechter rekening houden met de omstandigheid dat de derde heeft bijgedragen tot de totstandkoming van het drugmisdrijf ingevolge een gedraging die hem verwijtbaar is, zonder dat die gedraging als dusdanig ook strafbaar dient te zijn.
  7. Het staat aan de rechter om op grond van de concrete gegevens van de zaak te oordelen of de derde die opkomt tegen de verbeurdverklaring van het voertuig op grond van artikel 4, § 6, Drugwet, te goeder trouw is. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. Met eigen redenen en redenen die het overneemt van het beroepen vonnis oordeelt het arrest (p. 15) als volgt: - “[De eiseres] [houdt] voor dat zij geen kennis had van enig gebruik dat van het voertuig zou zijn gemaakt en dat zou hebben bijgedragen tot de verwezenlijking van de beoordeelde misdrijven. Rekening houdend met de gegevens van het strafdossier, en met name met het feit dat de eerste beklaagde [A.] de echtgenoot was van de zaakvoerder van [de eiseres] waarbij tevens is gebleken dat hij hierbij feitelijk gezien een zeer betrokken rol speelde, meent de rechtbank dat dergelijke kennis wel degelijk aanwezig was”; - “Zonder [de eiseres] op enigerlei wijze schuldig te verklaren aan de voorliggende misdrijven, meent de rechtbank op grond van het voorgaande wel dat zij haar voertuig op een verwijtbare wijze ter beschikking stelde vermits zij wist dat dit werd gebruikt voor het plegen van drugsmisdrijven. Dienvolgens kan zij volgens de rechtbank niet als een derde te goeder trouw worden beschouwd, zodat haar verzet tegen de verbeurdverklaring ongegrond is. Evident volgt uit het een en ander dat van een teruggave geen sprake kan zijn”; - “[Het hof (van beroep)] [dient] vast te stellen dat de zaakvoerder van [de eiseres] de toenmalige partner betrof van beklaagde ¬[A.] én dat [de eiseres] de eigenaar betrof van het pand waarin de cannabisplantage werd geëxploiteerd en in die hoedanigheid huurgelden ontving. Samen met de eerste rechter is het hof (van beroep) van oordeel dat, gelet op de voorliggende dossiergegevens, [de eiseres] haar voertuig ter beschikking stelde van beklaagde A. wetende welk gebruik van het voertuig werd gemaakt dat aldus heeft bijgedragen tot de verwezenlijking van de beoordeelde misdrijven.”
  9. Met die redenen beantwoordt het arrest het in het onderdeel vermelde verweer van de eiseres, zonder te moeten antwoorden op elk tot staving daarvan aangevoerd argument dat geen zelfstandig verweer uitmaakt, en is de beslissing tot verwerping van de vordering van de eiseres tot vrijgave of teruggave van het voertuig Porsche naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 43 en 43bis Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat de straf niet onredelijk mag zijn: uit het arrest blijkt niet dat de appelrechters hebben beoordeeld of de verbeurdverklaring van het voertuig Porsche geen onredelijk zware straf voor de eiseres uitmaakt; zodoende motiveren de appelrechters de opgelegde verbeurdverklaring en het al dan niet onredelijke karakter ervan niet op afdoende wijze; in zoverre de verbeurdverklaring niet wordt uitgesproken lastens de veroordeelde maar wel lastens een derde die beweert recht te hebben op de verbeurdverklaarde zaak, moet het onredelijk zware karakter van de verbeurdverklaring voor deze derde naar analogie worden beoordeeld.
  11. Overeenkomstig artikel 43 Strafwetboek wordt de verbeurdverklaring van zaken die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van de misdaad of het wanbedrijf uitgesproken, behoudens wanneer dit tot gevolg zou hebben dat de veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen.
  12. Voor de toepassing van deze bepaling moet een derde die voor de rechter zijn aanspraken laat gelden op een zaak die overeenkomstig artikel 4, § 6, Drugwet in aanmerking komt voor verbeurdverklaring, worden gelijkgesteld met een veroordeelde. Die derde mag dan ook als verweer voor de strafrechter aanvoeren dat de onttrekking van de verbeurd te verklaren zaak aan zijn vermogen voor hem een onredelijk zware last uitmaakt. De strafrechter dient dat verweer te beantwoorden. Hij moet evenwel, bij afwezigheid van een daartoe strekkend verweer, niet ambtshalve vaststellen dat de verbeurdverklaring geen onredelijk zware last voor de betrokkene uitmaakt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  13. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres voor de appelrechters heeft aangevoerd dat de verbeurdverklaring van het voertuig Porsche lastens A. voor haar een onredelijk zware last uitmaakt. Bijgevolg moesten de appelrechters dat niet uitdrukkelijk vaststellen. In zoverre kan het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,71 euro, waarvan 78,71 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 15 oktober 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241015.2N.22 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.