← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241015.2N.27 Rolnummer: P.24.1331.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-10-21 Raadplegingen: 529 - laatst gezien 2026-06-19 02:45 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche De naleving van de termijnen van artikel 52, § 1, Wet Strafuitvoering waarbinnen de rechtszitting van de strafuitvoeringsrechtbank moet plaatsvinden, is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid; het zijn termijnen van orde en de overschrijding ervan tast de wettigheid niet aan van de beslissing die een verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit afwijst

(1).
(1)Cass. 31 januari 2012, AR P.12.0069.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120131.3, AC 2012, nr. 77; Cass. 28 augustus 2007, AR P.07.1666.N, AC 2007, nr.
  1. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 52, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1331.N E. S., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Sander Van Hulle, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 16 september 2024 (nr. 2823/2024). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 52, § 1, Wet Strafuitvoering: het vonnis is gewezen na een rechtszitting die in strijd met die bepaling werd gehouden meer dan zes maanden na eisers verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
  3. De naleving van de termijnen van in artikel 52, § 1, Wet Strafuitvoering waarbinnen de rechtszitting van de strafuitvoeringsrechtbank moet plaatsvinden, is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. Het zijn termijnen van orde en de overschrijding ervan tast de wettigheid niet aan van de beslissing die een verzoek om een strafuitvoeringsmodaliteit afwijst. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
  4. Het middel voert miskenning aan van het begrip feitelijk vermoeden: met het oordeel dat op een werkbelofte geen logo prijkt en die belofte niet is ondertekend, kan het vonnis niet afleiden dat er ernstige twijfels bestaan over de oprechtheid van deze werkbelofte.
  5. Het middel dat formeel een onwettigheid aanvoert, maar in werkelijkheid geheel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling door de strafuitvoeringsrechtbank van de bewijswaarde van het door de eiser ingediende stuk, is niet ontvankelijk. Derde middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering: uit het vonnis blijkt niet welke tegenaanwijzing wordt aangenomen ter afwijzing van het verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling; het vonnis is beperkt tot hypotheses; daaruit kan niet worden afgeleid dat het reclasseringsplan niet volstaat om tegemoet te komen aan het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten.
  7. Het vonnis stelt op ondubbelzinnige en dus niet op louter hypothetische wijze vast dat de tegenaanwijzing van het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten voorhanden is en het verwijst daarvoor naar een niet afdoend reclasseringsplan. Met het gebruik van de woorden “zou”, “twijfels” en “lijkt” geeft het vonnis enkel aan dat er geen zekerheid bestaat over de juistheid van bepaalde gegevens uit dat plan. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  8. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling door de strafuitvoeringsrechtbank van het voorhanden zijn van de vermelde tegenaanwijzing en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 15 oktober 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241015.2N.27 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120131.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.