← België

J. contra Blankenberge Casino-Kursaal

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241015.2N.8 Rolnummer: P.24.0525.N Zaak: J. contra Blankenberge Casino-Kursaal Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-10-21 Raadplegingen: 714 - laatst gezien 2026-06-19 04:39 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Binnen de context van feiten van fraude bij kansspelen in een casino is het woord "outflow", dat bovendien gelijkenis vertoont met in het Nederlands gebruikte woorden zoals “uitvloei(en)” of “wegvloeien”, verstaanbaar, zodat het arrest met het gebruik van dat woord de Taalwet Gerechtszaken niet schendt. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - Vonnissen en arresten. Nietigheden - Strafzaken Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 24 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 37 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 24 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 37 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Fiches 3 - 5 Krachtens artikel 50, eerste lid, Strafwetboek zijn alle wegens eenzelfde misdrijf veroordeelde personen hoofdelijk gehouden tot vergoeding van de schade die het misdrijf aan de benadeelden heeft veroorzaakt terwijl krachtens artikel 50, tweede en derde lid, Strafwetboek alle wegens eenzelfde misdrijf veroordeelde personen hoofdelijk gehouden zijn tot de kosten, wanneer zij door eenzelfde vonnis of arrest zijn veroordeeld, maar kan de rechter alle veroordeelden of enige van hen vrijstellen van de hoofdelijkheid, mits hij de redenen van die vrijstelling opgeeft en hij het door ieder persoonlijk te dragen aandeel in de kosten bepaalt; de mogelijkheid tot vrijstelling van de hoofdelijkheid die in artikel 50, derde lid, Strafwetboek is bepaald, heeft aldus geen betrekking op de gehoudenheid tot schadevergoeding, maar betreft alleen de veroordeling tot de kosten

(1).
(1)Cass. 28 september 2010, AR P.10.0276.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100928.2, AC 2010, nr.
  1. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Verscheidene daders. Hoofdelijkheid Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HOOFDELIJKHEID Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 6 Overeenkomstig artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen moet de rechter bij iedere veroordeling tot een criminele of correctionele hoofdstraf, de verplichting uitspreken om een bijdrage aan het Slachtofferfonds te betalen; wanneer de rechter op grond van artikel 21ter (oud) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreekt, legt hij aan de beklaagde geen straf op; in dat geval kan de rechter de beklaagde dan ook niet veroordelen tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wet 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen - 01-08-1985 - Art. 29 - 30 ELI link Pub nr 1985021108 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0525.N I N. J., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Dens, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen BLANCAS nv, met zetel te 8370 Blankenberge, Zeedijk 150, ON 0427.451.878, burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman Kris Beirnaert, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Brusselstraat 51, waar de verweerster woonplaats kiest, II BLANCAS nv, reeds vermeld, burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman Kris Beirnaert, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Brusselstraat 51, waar de eiseres woonplaats kiest. tegen
  2. P. B.,
  3. Ph. C.,
  4. K. G.,
  5. P. V.,
  6. Y. D.M.,
  7. R. D.W.,
  8. N. J., reeds vermeld,
  9. S. G.,
  10. G. M.,
  11. P. D.T.,
  12. P. L.,
  13. D. V., beklaagden, verweerders. III BLANCAS nv, reeds vermeld, burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman Kris Beirnaert, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Brusselstraat 51, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
  14. J.-L. D.,
  15. N. V., beklaagden, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 6 maart
  16. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres II-III voert in twee memories die aan dit arrest zijn gehecht, respectievelijk vier middelen en drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I
  17. In zoverre gericht tegen de gedeeltelijke vrijspraak van de eiser I voor de telastlegging A.6, is zijn cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I
  18. Het middel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest stelt vast dat de verweerder II.4 specifiek met betrekking tot de eiser I heeft verklaard dat hij deze ook heeft bevoordeeld, maar het maakt verder geen melding van het feit dat die getuige duidelijk heeft verklaard dat de eiser I niet betrokken was bij het fraudesysteem en dat er met de eiser I nooit afspraken waren gemaakt om te frauderen; aldus miskent het arrest de bewijskracht van het proces-verbaal van de rechtszitting van 27 juni
  19. Het arrest (p. 18-28, in het bijzonder p. 24-25) oordeelt dat de verklaring van de verweerder II.4 dat de eiser I niet betrokken zou zijn bij het fraudesysteem waarmee de verweerder II.4 de eiser heeft bevoordeligd, ongeloofwaardig is en waarom dat zo is.
  20. Het middel voert in werkelijkheid geen miskenning van de bewijskracht van een akte aan, maar betwist die onaantastbare beoordeling door het arrest van de bewijswaarde van de verklaringen van de verweerder II.
  21. Het middel mist feitelijke grondslag. ] Tweede middel van de eiser I
  22. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het “algemeen beginsel van het recht op motivatie van de beslissingen in strafzaken”: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiser I over zijn onschuld aan het hem ten laste gelegde feit, waarbij de eiser I onder meer heeft gewezen op de inhoud van het proces-verbaal van de rechtszitting van 27 juni 2023 en de daarin eveneens vermelde getuigenverklaring van de verweerder II.
  23. Met de redenen die het arrest (p. 18-28) bevat en die het middel niet allemaal vermeldt, oordeelt het arrest dat de eiser I wel degelijk betrokken was bij de fraude en waarom dat zo is. Aldus verwerpt en beantwoordt het eisers verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed, zonder dat het arrest moet antwoorden op alle argumenten die de eiser I heeft aangevoerd tot ondersteuning van zijn verweer, maar die geen zelfstandig verweer uitmaken. Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiseres II-III
  24. Het middel voert schending aan van de artikelen 24 en 37 Taalwet Gerechtszaken: het arrest steunt de gedeeltelijke ongegrondverklaring van de burgerlijke vordering van de eiseres II-III op een redengeving waarbij gebruik wordt gemaakt van het anderstalige begrip “outflow”, zonder vertaling noch weergave van de zakelijke inhoud ervan; nochtans is het begrip “outflow” niet opgenomen in de klassieke Nederlandstalige woordenboeken, behoort het niet tot het gewone Nederlandse taalgebruik, is het niet duidelijk oftewel verstaanbaar en zinnig blijkens de context waarin het wordt gebruikt, berust het niet op een letterlijke overname uit algemeen gebruikte en ingeburgerde terminologie op het vlak van wetgeving, bedrijfsovereenkomsten en titulatuur en is het geen in de rechtstaal algemeen gekende en aanvaarde uitdrukking of adagium; bijgevolg is het arrest niet eentalig in het Nederlands opgesteld; hieruit volgt dat het arrest nietig is in de mate waarin het de burgerlijke vordering van de eiseres II-III ongegrond verklaart en het uitspraak doet over de rechtsplegingsvergoeding.
  25. Het arrest (nr. 6, p. 25-28) oordeelt dat het precieze bedrag van de fraude om verschillende redenen niet kan worden bepaald, zodat de eerste rechter het nadeel van de telastleggingen A.1 tot A.10 (oplichting) en C (manipulatie van informaticagegevens om onrechtmatig economisch voordeel te verwerven) terecht heeft heromschreven door de daarin vermelde minimumbedragen weg te laten en telkens enkel “een niet nader te bepalen bedrag” over te laten. Daarbij oordeelt het arrest, met redenen die het (p. 36) nadien overneemt bij de beoordeling van de burgerlijke vordering van de eiseres II-III tegen de verweerders II en III, in essentie dat: - er slechts een beperkt aantal camerabeelden aanwezig zijn, die worden geëxtrapoleerd over een lange periode; - de betrokken spelers ook regulier speelden en er niet kan worden bepaald wat de winsten en verliezen van die reguliere spelen waren en hoe deze zich verhielden tot de totale cash-outs (uitkeringen aan spelers door het casino); - de niet-frauduleuze eerste inzetten niet exact kunnen worden bepaald, evenmin als de met die inzetten behaalde cash-outs; - de drops (inzetten door spelers) niet exact kunnen worden bepaald omdat soms fictief hogere bedragen werden ingegeven om de fraude te maskeren en kleinere drops niet steeds werden geregistreerd; - vertrekkende van cash-outs ook geen rekening dient te worden gehouden met verliezen, gezien deze cash-outs nu eenmaal de bedragen betreffen die de spelers mee naar huis namen, dus na aftrok van hun verliezen; - “Verder zijn menselijke fouten in de registraties nooit uitgesloten. Het gaat om een quasi-gesloten geldcircuit, maar foutieve uitbetalingen zijn mogelijk welke leiden tot kasverschillen en een mogelijke niet-geregistreerde outflow van jetons in het geval een speler op het einde van zijn bezoek de jetons niet inruilt maar meeneemt. Bijgevolg zijn noch de cash-outs noch de drops een sluitende weergave van al dan niet door fraude bekomen winsten en kan het exacte bedrag niet bepaald worden” (p. 27-28).
  26. Binnen deze context is het woord "outflow", dat bovendien gelijkenis vertoont met in het Nederlands gebruikte woorden zoals “uitvloei(en)” of “wegvloeien”, verstaanbaar. Aldus schendt het arrest met het gebruik van dat woord de Taalwet Gerechtszaken niet. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiseres II-III Eerste onderdeel
  27. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 3 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het rechtsbegrip feitelijk vermoeden: het arrest kan de bedragen van de schadevergoeding tot betaling waarvan het de verweerders II en III veroordeelt aan de eiseres II-III, niet afleiden uit de feiten die het vaststelt; het arrest bepaalt die schadevergoeding ten onrechte niet op de totale cash-outs uitgekeerd per speler tijdens de respectieve incriminatieperiodes (totaal: 2.841.737,77 euro), maar enkel op 16 procent van die cash-outs; het arrest stelt vast dat het gemiddelde hold-percentage van de eiseres II-III 15,5 procent bedroeg voor het roulettespel en 25,8 procent voor het blackjack-spel; het arrest houdt echter geen rekening met het feit dat, zoals het zelf vaststelt, de winstkans van een speler 100 procent is wanneer er wordt valsgespeeld en dat dit gedeelte van de cash-outs ook deel uitmaakt van de schade; door aldus het hold-percentage van 16 procent toe te passen op het deel van de cash-out dat de betrokken spelers frauduleus hebben verkregen, heeft het arrest 84 procent van dat deel ten onrechte niet als schade aangemerkt; bovendien vermindert het arrest de verkregen resultaten ten onrechte en zonder enige concrete overweging met variërende bedragen om uit te komen op afgeronde bedragen per speler; aldus verleent het arrest aan de eiseres II-III geen integrale schadevergoeding; minstens is het arrest onduidelijk, onnauwkeurig of tegenstrijdig gemotiveerd.
  28. Artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek verplicht degene door wiens schuld aan een ander schade is ontstaan, deze integraal te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde zo goed als mogelijk moet worden geplaatst in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de fout niet was begaan.
  29. De rechter beoordeelt onaantastbaar in feite, maar binnen de perken van de conclusies van partijen, het bestaan en de omvang van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade, alsook het bedrag van de vergoeding dat nodig is voor het volledige herstel van die schade. De rechter mag de schade naar billijkheid ramen, mits hij de redenen aangeeft waarom hij de door het slachtoffer voorgestelde berekeningswijze niet kan aannemen en hij tevens vaststelt dat de schade onmogelijk anders kan worden bepaald. Die mogelijkheid voor de rechter om de schade naar billijkheid te ramen, laat het recht op integrale schadevergoeding van het slachtoffer onverlet. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen naar recht zijn beslissing heeft kunnen afleiden.
  30. Het arrest spreekt wel degelijk de redenering van de eiseres II-III tegen dat wanneer een speler in een casino door vals spel de afgifte van gelden verkrijgt, de schade van het casino bestaat in de integrale cash-out.
  31. Zoals blijkt uit de redenen vermeld onder het eerste middel van de eiseres II-III, steunt het arrest de beperking van de door de eiseres II-III gevorderde schadevergoeding niet op de enkele grond dat de verweerders II.1, II.2, II.5, II.6, II.7, II.8, II.9 en II.10 en de verweerders III ook regulier hebben gespeeld.
  32. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  33. Met de onder het eerste middel van de eiseres II-III in essentie weergegeven redenen vermeldt het arrest waarom de totale cash-outs die de eiseres II-III tijdens de herleide incriminatieperiode aan de verweerder II.7 heeft uitbetaald, niet de gefraudeerde bedragen noch schade uitmaken. In het bijzonder oordeelt het arrest (p. 26) daarbij onder meer dat “(…) blijkt dat de spelers ook op andere momenten speelden. [De verweerders II en III] waren bovendien gekende en fervente gokkers die dan ook niet louter of voor het eerst naar het casino kwamen om deel te nemen aan de oplichting.”
  34. Het arrest (p. 36) oordeelt verder dat die redenen evenzeer gelden op burgerlijk gebied voor wat betreft de schade van de eiseres II-III ingevolge alle telastleggingen, daar het aan de eiseres II-III is om haar schade te bewijzen.
  35. Vervolgens (nr. 15-25, p. 36-44) oordeelt het arrest dat, nu is vastgesteld dat er onvoldoende objectieve gegevens voorhanden zijn die het precies bepalen van de schade toelaten, het hof van beroep de schade naar billijkheid bepaalt, rekening houdend met de elementen die het verder opsomt, namelijk met: - de verliesberekening door de gerechtsdeskundige “per frauderende speler, per datum met uren, betrokken Croupier, tafel en winnend nr., uitbetaling en inkoop. Men kan hierop uitmaken hoeveel fraude winst er per dag gemaakt is rekening houdende met gemaakte investering en dit in vermindering gebracht van de fraude winst”: - de verweerder II.1 : 265.765,00 euro, - de verweerder II.2: 376.270,00 euro, - de verweerder II.5: 415.447,77 euro, - de verweerder II.6: 380.400,00 euro, - de verweerder II.7: 218.480,00 euro, - de verweerder II.8: 726.535,00 euro, - de verweerder II.9 : 373.870,00 euro, - de verweerder II.10: 26.020,00 euro, - de verweerder III.1: 37.590,00 euro, - de verweerster III.2: 21.360,00 euro; - de commentaren van de speurders met betrekking tot elke van de bij de fraude betrokken speler, dit zijn de verweerders II.1, 2, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 en de verweerders III; - de volgende redenering: “Elk spel (Amerikaanse roulette en Blackjack) heeft een zogenaamd “hold percentage” of terugbetalingspercentage wat wordt omschreven als het percentage van het resultaat ten opzichte van de drop. Voor elk kansspel bestaat een theoretisch hold percentage. Het betreft een rendementsterm gehanteerd in een casino waarbij de verhouding bepaald wordt tussen de totale inzet van de spelers (drop) en hetgeen het casino daarvan overhoudt na uitbetaling van de winsten. Het relatieve aandeel van de inzet dat niet wordt uitgekeerd wordt uitgedrukt als een percentage. Een hold percentage van 10% betekent dat van een totale drop van 100, een bedrag van 90 wordt uitgekeerd, en een bedrag van 10 als winst overblijft bij het casino. Wanneer wordt vastgesteld dat het actueel hold percentage significant afwijkt van het theoretisch hold percentage is dit een signaal voor het casino. Grote afwijkingen zijn toe te schrijven aan grote verliezen of grote winsten van spelers. Door het hof (van beroep) werd terzake bijkomend onderzoek gevraagd aan de Kansspelcommissie. Het antwoord van de Kansspelcommissie is evenwel niet bruikbaar nu enkel de theoretisch statistische berekening werd gemaakt van het aantal winstkansen per spel en niet in concreto wat de winstkansen waren bij een regulier en een frauduleus spel in het betrokken casino en met de betrokken spelwijze en dus gesteund op concrete spelresultaten. Door [de eiseres II-III] werden evenwel concrete cijfers gegeven (…) omtrent het hold percentage (i.e. het percentage dat bepaald is door het casino op basis van de hold percentages van de vorige jaren), zijnde in de jaren 2002-2016 in de regel tussen 12% en 16%. In die periode bekomt men na de feiten een cijfer van 15,50%. Indien men derhalve regulier had gespeeld zou 15,50% in de ingezette bedragen voor het casino geweest zijn en hadden de spelers 84,50% gerecupereerd via speelwinsten. Wat Black Jack betreft geeft [de eiseres II-III] een hold percentage van gemiddeld 25,80%. Zoals [de eiseres II-III] terecht opmerkt, geven ook deze cijfers evenwel geen zekerheid omdat bij een vals spel er een winstzekerheid is van 100%. Indien toegepast op de totale cash-outs houdt dit bovendien geen rekening met de reguliere spelen, die er ook waren, waarbij het 'correcte' hold percentage reeds is toegepast. Tot slot zijn er ook, mede gelet op de totale cash-outs en drops, duidelijk verschillen in speelstijlen waar te nemen tussen de betrokken spelers. Op grond van de voormelde gegevens die derhalve slechts richtinggevend kunnen zijn omwille van de opgesomde motieven, weerhoudt het hof (van beroep) naar billijkheid de hierna bepaalde bedragen per tenlastelegging.”
  36. Verder bepaalt het arrest de schadevergoeding per speler in euro als volgt: Verweerder - speler Totaal cash-outs Totaal drops Theoretische hold (16 %) Schadevergoeding naar billijkheid II.1 265.765,00 261.900,00 42.522,40 35.000,00 II.2 376.270,00 353.500,00 60.203,20 50.000,00 II.5 415.447,77 421.122,61 66.471,00 55.000,00 II.6 380.400,00 379.500,00 59.264,00 50.000,00 II.7 203.280,00 123.950,00 32.524,80 25.000,00 II.8 726.535,00 699.870,00 116.245,60 80.000,00 II.9 373.870,00 355.600,00 59.819,20 50.000,00 II.10 26.020,00 13.650,00 4.163,20 3.000,00 III.1 37.590,00 27.850,00 6.014,40 5.000,00 III.2 21.360,00 21.350,00 3.417,60 2.000,00
  37. Eensdeels motiveert het arrest met het geheel van de vermelde redenen waarom het de door de eiseres II-III voorgestelde berekeningswijze van de schade, bestaande in alle uitkeringen aan de vermelde verweerders tijdens de respectieve incriminatieperiodes, niet kan aannemen en waarom de schade onmogelijk anders dan naar billijkheid kan worden bepaald, namelijk omdat de gegevens van het strafdossier niet toelaten het gedeelte van de cash-outs dat werd verkregen door vals spel op een voldoende precieze wijze af te zonderen van het gedeelte van de cash-outs dat werd verkregen door regulier spel.
  38. Anderdeels sluit het arrest met die redenen niet uit dat in de schade van de eiseres II-III ook het feit moet worden verrekend dat de winstkans van de spelers bij valsspelen 100 procent bedraagt. Enkel blijkt daaruit het oordeel van het arrest dat het deel van de totale cash-outs aan de spelers, waarvan de eiseres II-III bewijst is dat het is verkregen uit de fraude, beperkt is.
  39. Verder blijkt uit niets dat het arrest de bedragen, berekend als een percentage van 16 procent op de cash-outs aan elke speler tijdens de respectieve incriminatieperiodes, naar beneden toe zou hebben gecorrigeerd louter om uit te komen op afgeronde bedragen per speler. De vermelde onzekerheid over de werkelijke omvang van de schade liet het arrest daarentegen toe om de eerst verkregen, theoretische berekening te herleiden tot de bedragen waarvan het oordeelt dat die het meest overeenkomen met de bewezen werkelijke schade van de eiseres II-III.
  40. Hieruit volgt dat het arrest met de redenen die het bevat en die niet onduidelijk, onnauwkeurig of tegenstrijdig zijn, wettig en zonder miskenning van het begrip schade de aan de eiseres II-III verschuldigde schadevergoeding kan bepalen op de bedragen tot betaling waarvan het de verweerders II en III veroordeelt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  41. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiseres II-III op het verweer van bepaalde verweerders dat de winst verkregen uit regulier spel moest worden afgetrokken van de schadebepaling van de eiseres II-III; de eiseres II-III voerde aan dat dit verweer in strijd is met de kracht van gewijsde van het beroepen vonnis aangezien de in dat vonnis definitief bewezen verklaarde feiten ten aanzien van alle verweerders II en III, behalve de verweerder II.7, per definitie alle winstuitkeringen aan de betrokken spelers en derhalve de totale cash-out bevatten.
  42. Het arrest (nr. 6, p. 25-28) bevestigt de herkwalificatie door de eerste rechter van de telastleggingen A.1 tot A.10 en C door daarin de aanvankelijk per telastlegging en in totaal vermelde bedragen weg te laten, zodat enkel nog onbekende bedragen per speler en in totaal overbleven. Het (p. 30-36) verwerpt het verweer van de verweerders II en III in zoverre dat ingaat tegen hun definitieve schuldigverklaring door het beroepen vonnis en het (p. 36) oordeelt: “Dat de beslissingen op strafgebied van het beroepen vonnis definitief zijn en bijgevolg op strafgebied voor wat betreft de tenlasteleggingen A telkens door de eerste rechter “een niet nader te bepalen bedrag” werd weerhouden, belet niet dat, ingevolge het hoger beroep van [de eiseres II-III], door het hof (van beroep) de bedragen als te betalen vergoeding voor geleden schade ingevolge die tenlasteleggingen wel nader bepaald kunnen worden, desgevallend ex aequo et bono.” Daarnaast oordeelt het arrest dat de totale cash-outs niet de gefraudeerde bedragen, noch de schade uitmaken en waarom dat zo is. Aldus beantwoordt het arrest het vermelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel van de eiseres II
  43. Het middel voert schending aan van artikel 50 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de kosten van de eiseres II voor haar technische raadsman schade uitmaken, maar dat, aangezien het verslag van die technische raadsman ten aanzien van alle beklaagden werd aangewend, er wat deze schade betreft geen hoofdelijke veroordeling mogelijk is voor alle verweerders; het veroordeelt elke verweerder tot elk een veertiende van die kosten; de eerste rechter heeft de verweerders II.3, II.4, II.11 en II.12 nochtans definitief schuldig verklaard aan dezelfde misdrijven, namelijk de feiten van de telastleggingen A.1 tot A.10, B en C; bijgevolg dienden die verweerders hoofdelijk te worden veroordeeld tot vergoeding van die schade.
  44. Krachtens artikel 50, eerste lid, Strafwetboek zijn alle wegens eenzelfde misdrijf veroordeelde personen hoofdelijk gehouden tot vergoeding van de schade die het misdrijf aan de benadeelden heeft veroorzaakt. Krachtens artikel 50, tweede en derde lid, Strafwetboek zijn alle wegens eenzelfde misdrijf veroordeelde personen hoofdelijk gehouden tot de kosten, wanneer zij door eenzelfde vonnis of arrest zijn veroordeeld, maar kan de rechter alle veroordeelden of enige van hen vrijstellen van de hoofdelijkheid, mits hij de redenen van die vrijstelling opgeeft en hij het door ieder persoonlijk te dragen aandeel in de kosten bepaalt. De mogelijkheid tot vrijstelling van de hoofdelijkheid die in artikel 50, derde lid, Strafwetboek is bepaald, heeft aldus geen betrekking op de gehoudenheid tot schadevergoeding, maar betreft alleen de veroordeling tot de kosten.
  45. Het beroepen vonnis heeft de verweerders II.3, II.4, II.11 en II.12 definitief veroordeeld voor de feiten van de telastleggingen A.1 tot A.10, B en C.
  46. Het arrest (p. 44) oordeelt dat de kosten van de technische raadsman van de eiseres II schade uitmaken die zij kan verhalen op de verweerders II en III. Met de in het middel vermelde redenen oordeelt het arrest echter dat een hoofdelijke veroordeling van de verweerders II.3, II.4, II.11 en II.12 tot vergoeding van die schade aan de eiseres II niet mogelijk is. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Vierde middel van de eiseres II, derde middel van de eiseres III Eerste onderdeel
  47. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 162bis, eerste lid, 194 en 211 Wetboek van Strafvordering, artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek en artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding: het arrest herleidt ambtshalve de aan de eiseres II-III toekomende rechtsplegingsvergoedingen door het basisbedrag ervan te berekenen op de toegekende schadevergoeding in plaats van op de gevorderde schadevergoeding wegens de kennelijke overwaardering van die vordering; het stelt de partijen echter niet in de gelegenheid hierover standpunt in te nemen.
  48. De rechter kan afwijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding en deze berekenen op basis van het toegekende bedrag veeleer dan op basis van het gevorderde bedrag, onder meer wanneer dit laatste bedrag volgt uit een klaarblijkelijke overwaardering die de normaal bedachtzame en zorgvuldige procespartij niet zou hebben begaan. De rechter kan de gevorderde rechtsplegingsvergoeding op deze grond echter niet ambtshalve herleiden zonder de partijen in de gelegenheid te stellen hierover standpunt in te nemen.
  49. Het arrest oordeelt: “Nu [de eiseres II-III] haar vordering volledig heeft gebaseerd op de totale cash-outs, wetende dat deze geen correct beeld geven omwille van de voormelde redenen hetgeen ook door de geïntimeerden werd betwist, is er naar oordeel van het hof (van beroep) sprake van een klaarblijkelijke overwaardering die de normaal bedachtzame en zorgvuldige rechtszoekende niet zou hebben begaan, zodat het hof (van beroep) de rechtsplegingsvergoeding bepaalt op basis van het toegekende bedrag in plaats van het gevorderde.”
  50. Het arrest dat aldus ambtshalve afwijkt van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding zonder de eiseres II-III de gelegenheid te geven hierover standpunt in te nemen, verantwoordt de beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
  51. Het onderdeel dat niet kan leiden tot ruimere cassatie dan deze die volgt uit het eerste onderdeel of tot cassatie zonder verwijzing, behoeft geen antwoord. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - Artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen
  52. Overeenkomstig artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen moet de rechter bij iedere veroordeling tot een criminele of correctionele hoofdstraf, de verplichting uitspreken om een bijdrage aan het Slachtofferfonds te betalen.
  53. Wanneer de rechter op grond van artikel 21ter (oud) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreekt, legt hij aan de beklaagde geen straf op. In dat geval kan de rechter de beklaagde dan ook niet veroordelen tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds.
  54. Het arrest verklaart, zoals het beroepen vonnis, de eiser I schuldig aan de telastlegging A.6 en spreekt een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uit. Het legt, met bevestiging van het beroepen vonnis die deze veroordeling nochtans niet bevat, aan de eiser I de verplichting op tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Aldus verantwoordt het de beslissing niet naar recht. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  55. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser I veroordeelt tot de betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het beslist over de schade van de eiseres II bestaande in de kosten van haar technische raadsman voor wat betreft de verweerders II.3, II.4, II.11 en II.
  56. Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het beslist over de aan de eiseres II-III toekomende rechtsplegingsvergoedingen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser I tot negen tienden van de kosten van zijn cassatieberoep. Laat de overige kosten van het cassatieberoep I ten laste van de Staat. Veroordeelt de eiseres II tot een vijfde van de kosten van haar cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres III tot een vijfde van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten van de eiseres II-III aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Zegt dat er geen reden is tot verwijzing voor wat betreft de cassatie op het ambtshalve middel. Verwijst voor het overige de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 1.893,01 euro, waarvan de eiser I 265,87 euro is verschuldigd en de eiseres II-III 454,74 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 15 oktober 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241015.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100928.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.