← België

V. contra C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241015.2N.9 Rolnummer: P.24.0435.N Zaak: V. contra C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-10-21 Raadplegingen: 706 - laatst gezien 2026-06-19 01:16 Fiche Overeenkomstig artikel 235 Wetboek van Strafvordering kunnen de kamers van inbeschuldigingstelling in alle zaken, zolang zij niet beslist hebben of de inbeschuldigingstelling dient te worden uitgesproken, om het even of de eerste rechters al dan niet een onderzoek hebben ingesteld, ambtshalve vervolgingen gelasten, zich de stukken doen overleggen, de zaak onderzoeken of doen onderzoeken, en daarna beschikken zoals het behoort en zoals blijkt uit het gebruik van het woord “ambtshalve” in de vermelde bepaling, oefent de kamer van inbeschuldigingstelling deze bevoegdheid naar eigen goedvinden uit zodat een partij dit niet kan vorderen en de kamer van inbeschuldigingstelling niet hoeft te beslissen over een door een partij gevraagde toepassing van artikel 235 Wetboek van Strafvordering, noch de redenen moet vermelden waarom ze op een desbetreffende vraag niet ingaat; neemt de kamer van inbeschuldigingstelling over een dergelijke vraag toch een gemotiveerde beslissing, dan mag zij niettemin uit haar vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleiden aangezien het Hof geen onwettigheid laat bestaan die blijkt uit een gegeven waarop het vermag acht te slaan, ongeacht of dat gegeven is vervat in een motivering die in het voorliggende geval niet vereist is, maar dit houdt niet in dat de kamer van inbeschuldigingstelling een beslissing die zij uit haar aard niet dient te motiveren, toch formeel met redenen moet omkleden omdat een partij steeds inzicht moet hebben in de concrete redenering van een rechter of omdat een partij steeds in de gelegenheid moet worden gesteld om redenen van een rechter te onderwerpen aan een wettigheidstoezicht van het Hof; uit de artikelen 6.1. EVRM, 13 EVRM en artikel 235 Wetboek van Strafvordering volgt geen verplichting van de rechter om voor enig welke beslissing die hij neemt de redenen te vermelden die deze beslissing voor de partijen of de samenleving begrijpelijk maken, noch het recht van een partij om tegen eender welke beslissing van de rechter cassatieberoep te kunnen instellen

(1).
(1)Cass. 23 december 2015, AR P.15.0615.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151223.3, AC 2015, nr. 775; Cass. 11 februari 2015, AR P.14.1011.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150211.7, AC 2015, nr. 99; Cass. 22 december 2009, AR P.09.1121.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091222.7, AC 2009, nr.
  1. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 235 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0435.N L. V.G., burgerlijke partij, eiser, met als raadslieden mr. Patrick Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8210 Zedelgem, Burgemeester Jozef Lievensstraat 12, waar de eiser woonplaats kiest, en mr. Bram Casier, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen
  2. R. C.,
  3. S. R.,
  4. Ch. S.,
  5. F. D.B., inverdenkinggestelden, verweerders, de verweerders 2 en 3 met als raadsman mr. Ben Leyman, advocaat bij de balie Oudenaarde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 februari
  6. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord
  7. Volgens artikel 429, derde lid, Wetboek van Strafvordering dient de memorie van antwoord van een verweerder in cassatie te worden ontvangen ter griffie van het Hof uiterlijk de achtste dag vóór de rechtszitting.
  8. Die termijn van acht dagen is een volle termijn, wat inhoudt dat acht volledig vrije dagen moet worden gelaten tussen de dag van het indienen van de memorie van antwoord en de dag van de rechtszitting. Indien de negende of de tiende dag vóór de rechtszitting een zaterdag of zondag is, moet de memorie ervoor zijn neergelegd.
  9. Volgens de door de griffie overeenkomstig artikel 429, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering aangebrachte vermelding werd de memorie van antwoord van de verweerders 2 en 3 ontvangen op maandag 7 oktober 2024, terwijl de memorie uiterlijk op vrijdag 4 oktober 2024 had moeten worden ontvangen. De memorie van antwoord is wegens laattijdigheid niet ontvankelijk. Eerste middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 135, § 1, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 8.1, 4° en 5°, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt in strijd met de vermeldingen in eisers akte van hoger beroep en grievenformulier dat de eiser ook hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling van de verweerder 1 voor de telastlegging A (opzettelijk brandstichting) en het veroordeelt hem dienvolgens tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep aan de verweerder 1; aldus miskent het arrest de bewijskracht van eisers beroepsakte en grievenformulier; minstens schendt het arrest artikel 135, § 1, Wetboek van Strafvordering, dat de burgerlijke partij toelaat haar hoger beroep te beperken tot bepaalde onderdelen van een beslissing van de raadkamer.
  11. Het arrest oordeelt dat artikel 204 Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is en het neergelegde grievenformulier de waarde van een loutere inlichting heeft.
  12. Het oordeelt niet dat artikel 135, § 1, Wetboek van Strafvordering de eiser niet toelaat zijn hoger beroep te richten tegen enkel bepaalde aspecten van de beroepen beschikking van de raadkamer.
  13. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - op 19 juli 2021 doet de eiser klacht met burgerlijkepartijstelling die volgens de beroepen beschikking en het arrest gericht was tegen de verweerder 1 wegens opzettelijke brandstichting, de verweerders 2 en 3 wegens belaging en de verweerders 2 en 4 wegens laster; - bij beschikking van 26 mei 2023 stelt de beroepen beschikking die verweerders buiten vervolging voor die telastleggingen wegens het bestaan van onvoldoende bezwaren en veroordeelt het de eiser tot de kosten van het onderzoek, aan de zijde van het openbaar ministerie bepaald op 0,00 euro, alsmede tot het betalen van rechtsplegingsvergoedingen ten belope van 112,50 euro aan de verweerder 1 en van 1.800,00 euro aan de verweerders 2 en 3 gezamenlijk; - bij akte van 6 juni 2023 stelt de eiser hoger beroep in tegen die beschikking “conform het grievenformulier (verwijzend naar de verklaring hoger beroep)”; - op dezelfde dag legt de eiser een grievenformulier neer, waarin de volgende rubrieken zijn aangekruist met de volgende handgeschreven commentaren: - Procedure: “een aantal rechtsgronden S.w. werden niet beoordeeld”; - Schuld: “zie mijn verklaring p. 3 in fine” en “ik betwist de motivering in de beschikking/een gebrek aan motivering”; - Straf en/of maatregel: “buitenvervolgingstelling zie mijn verklaring” en “ik betwist elk deelaspect behalve voor [de verweerder 1] de opzettelijke brandstichting”; - Burgerlijke rechtsvordering: “ik behoud mijn vordering zie verklaring in fine”; - Andere: “gerechtskosten, RPV” en “ik behoud mijn vordering zie verklaring in fine”; - aan het grievenformulier is een document gehecht, genaamd “Verklaring hoger beroep tegen beschikking raadkamer Artikel 135 § 3 Wetboek van Strafvordering”. Daarin zijn de vier verweerders aangeduid als tegenpartijen. Voor wat betreft de verweerder 1 is onder meer vermeld: - “Er werd niets gemotiveerd over de collectieve schuldenregeling [de verweerder 1], waarbij [de verweerders 2 en 3] als raadsman voor deze strafzaak de advocaat inhuurden die ook schuldbemiddelaar was, dit met de bedoeling om de indruk te wekken dat zij macht hebben over de zaak, etc....” (nr. 16); - “Voor [de verweerder 1] werd er niet geoordeeld over de processuele kwade trouw (verduistering van gelden) in het kader van de Collectieve schuldenregeling waarbij hij zijn verplichting om de door Vredegerecht te betalen schadevergoeding poogt te ontwijken. Quid art. 433 decies tussenkomst De kollebloem?” (nr. 32); - “Er werd niet nagegaan waarom [de verweerder 1] geen verhaal wil doen op [de verweerders 2, 3 en 4] door de belaging” (nr. 33); - de eiser heeft in zijn appelconclusie de in eerste aanleg aan de verweerder 1 toegekende rechtsplegingsvergoeding betwist; - het arrest oordeelt onder meer dat “Waar [de] [de eiser] vraagt (zie daaromtrent zijn conclusie) om onderzoek te doen naar andere feiten en/of personen hij eigenlijk toepassing van artikel 235 van het Wetboek van Strafvordering [vraagt]” en het verwerpt zijn desbetreffend verzoek. Aldus hield de enkele vermelding in eisers grievenschrift dat zijn hoger beroep niet gericht was tegen de beslissing van de beroepen beschikking tot buitenvervolgingstelling van de verweerder 1, niet in dat zijn hoger beroep voor het overige niet gericht was tegen die verweerder. Bijgevolg kan het arrest de eiser veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan de verweerder
  15. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  16. In zoverre het middel miskenning van de bewijskracht van akten aanvoert, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  17. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM, artikel 235 Wetboek van Strafvordering en artikel 608 Gerechtelijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de kamer van inbeschuldigingstelling op discretionaire wijze gebruik maakt van de bevoegdheden die artikel 235 Wetboek van Strafvordering aan die kamer toekent, zonder daartoe te kunnen worden verplicht door de partijen en zonder die beslissing te moeten motiveren; ook een dergelijke beslissing moet echter wettig zijn en moet het Hof toelaten zijn ambtshalve controle op die wettigheid uit te oefenen; wanneer een partij in de procedure tot regeling van de rechtspleging een verzoek aan de kamer van inbeschuldigingstelling richt om toepassing te maken van haar discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 235 Wetboek van Strafvordering, dan vereist het recht op een eerlijke behandeling van de zaak dat de kamer van inbeschuldigingstelling, wanneer zij geen gevolg verleent aan dat verzoek, die beslissing motiveert door de voornaamste redenen ervan op te geven; het tegendeel zou inhouden dat de vragende partij nooit inzicht krijgt in die beslissing en dat niet kan worden nagegaan of die beslissing op een wettige wijze werd genomen, dit is overeenkomstig de beginselen inzake gelijkheid en niet-discriminatie en binnen de bakens van de redelijkheid; door eisers verzoek tot toepassing van artikel 235 Wetboek van Strafvordering af te wijzen zonder de voornaamste redenen van die afwijzing te geven, schendt het arrest de voormelde bepalingen. De eiser vraagt in ondergeschikte orde dat de volgende prejudiciële vraag wordt gesteld aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt artikel 235 Sv. (gelezen in samenhang met artikel 6.1 en 13 EVRM, en artikel 608 Gerechtelijk Wetboek) de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat het toelaat dat een uitdrukkelijk genomen discretionaire beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling op een verzoek tot het gelasten van vervolgingen, tot het doen overleggen van stukken of tot het onderzoeken of doen onderzoeken van een zaak, niet aan een wettigheidstoets en een marginale toetsing onderworpen kan worden wanneer die beslissing zelfs helemaal niet gemotiveerd is, wel aan een wettigheidstoets en een marginale toetsing onderworpen kan worden wanneer die beslissing wel gemotiveerd is, terwijl elke rechtsonderhorige die om een toepassing van artikel 235 Sv. verzoekt, recht heeft op een eerlijk proces en op een effectief rechtsmiddel, waaronder een voorziening bij het Hof van Cassatie, door middel waarvan beslissingen voor het Hof gebracht kunnen worden wegens overtredingen van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen?”
  18. Overeenkomstig artikel 235 Wetboek van Strafvordering kunnen de kamers van inbeschuldigingstelling in alle zaken, zolang zij niet beslist hebben of de inbeschuldigingstelling dient te worden uitgesproken, om het even of de eerste rechters al dan niet een onderzoek hebben ingesteld, ambtshalve vervolgingen gelasten, zich de stukken doen overleggen, de zaak onderzoeken of doen onderzoeken, en daarna beschikken zoals het behoort.
  19. Zoals blijkt uit het gebruik van het woord “ambtshalve” in de vermelde bepaling, oefent de kamer van inbeschuldigingstelling deze bevoegdheid naar eigen goedvinden uit. Een partij kan dit niet vorderen, zodat de kamer van inbeschuldigingstelling niet hoeft te beslissen over een door een partij gevraagde toepassing van artikel 235 Wetboek van Strafvordering, noch redenen moet vermelden waarom ze op een desbetreffende vraag niet ingaat.
  20. Neemt de kamer van inbeschuldigingstelling over een dergelijke vraag toch een gemotiveerde beslissing, dan mag zij niettemin uit haar vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleiden. Het Hof laat immers geen onwettigheid bestaan die blijkt uit een gegeven waarop het vermag acht te slaan, ongeacht of dat gegeven is vervat in een motivering die in het voorliggende geval niet vereist is. Dit houdt echter niet in dat de kamer van inbeschuldigingstelling een beslissing die zij uit haar aard niet dient te motiveren, toch formeel met redenen moet omkleden omdat een partij steeds inzicht moet hebben in de concrete redenering van een rechter of omdat een partij steeds in de gelegenheid moet worden gesteld om redenen van een rechter te onderwerpen aan een wettigheidstoezicht van het Hof. Dergelijke verplichtingen volgen niet uit enige in het middel als geschonden aangewezen bepaling. Geen van die bepalingen bevat immers de plicht van de rechter om voor enig welke beslissing die hij neemt de redenen te vermelden die deze beslissing voor de partijen of de samenleving begrijpelijk maken, noch het recht van een partij om tegen eender welke beslissing van de rechter cassatieberoep te kunnen instellen.
  21. Bovendien heeft de enkele omstandigheid dat de rechter in de ene zaak wel en in de andere zaak geen melding maakt van redenen die hij niet dient te vermelden, niet tot gevolg dat partijen zich in die zaken bevinden in vergelijkbare rechtstoestanden.
  22. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  23. De prejudiciële vraag die is afgeleid uit die onjuiste rechtsopvattingen, wordt niet gesteld. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,21 euro, waarvan 62,21 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 15 oktober 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241015.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091222.7 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150211.7 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151223.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.