id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241018.1N.12 Rolnummer: C.20.0396.N Zaak: LENSING&BROCKHAUSEN GmbH c BELG ST ECONOMIE WERK Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2024-10-31 Raadplegingen: 503 - laatst gezien 2026-06-15 07:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Een middel dat schending aanvoert van een wettelijke bepaling die niet de openbare orde raakt noch van dwingend recht is, die niet aan de feitenrechter werd voorgelegd, die deze niet uit eigen initiatief heeft toegepast en die hij ook niet diende toe te passen, is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Nieuw middel Fiche 2 Volgens het gemeen recht begint moratoire interest niet te lopen dan op voorwaarde, ten eerste, dat de schuld eisbaar is en, ten tweede, dat er een aanmaning tot betaling is; deze regel raakt de openbare orde niet en is niet van dwingend recht. Thesaurus CAS: INTERESTEN - MORATOIRE INTERESTEN Tekst van de beslissing Nr. C.20.0396.N LENSING & BROCKHAUSEN GmbH, vennootschap naar Duits recht, met zetel te 46446 Emmerich (Duitsland), Werner Heisenbergstrasse 27, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de vice-eersteminister en minister van Economie en Werk, met kabinet te 1000 Brussel, Hertogstraat 61,
- BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO’s en Landbouw, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing, met kabinet te 1000 Brussel, Karmelietenstraat 15, 6de verdieping, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 10 maart 2020, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 18 januari
- Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel in zijn geheel
- Een middel dat schending aanvoert van een wettelijke bepaling die niet de openbare orde raakt noch van dwingend recht is, die niet aan de feitenrechter werd voorgelegd, die deze niet uit eigen initiatief heeft toegepast en die hij ook niet diende toe te passen, is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Volgens het gemeen recht begint moratoire interest niet te lopen dan op voorwaarde, ten eerste, dat de schuld eisbaar is en, ten tweede, dat er een aanmaning tot betaling is. Deze regel raakt de openbare orde niet en is niet van dwingend recht
- In haar syntheseconclusie stelde de eiseres zelf dat de douaneschuld ontstaan is in de loop van
- Verder voerde zij aan dat er sprake is van “verval van schuldvordering” omdat: - artikel 2 Verordening nr. 1697/79 voorschrijft dat de procedure tot navordering van de niet-geheven rechten niet meer kan worden ingeleid na een termijn van drie jaar vanaf de dag waarop het oorspronkelijk van de belastingschuldige opgeëiste bedrag waarop de douaneschuld ter zake van het betrokken goed is ontstaan, en dat de procedure tot navordering wordt ingeleid door de kennisgeving aan de betrokkene van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat hij verschuldigd is; - er geen kennisgeving, en dus geen inleiding van de procedure tot navordering, binnen de termijn van drie jaar plaatsvond; - de vorderingsprocedure niet werd ingeleid binnen de termijn van drie jaar vanaf de dag waarop de douaneschuld is ontstaan, aangezien binnen de termijn van drie jaar geen kennisgeving aan de eiseres werd gericht; - kennisgeving van de verschuldigde rechten niet blijkt uit de kennisgeving van het proces-verbaal van 29 november 1994 omdat nergens uit blijkt dat dit proces-verbaal aan de eiseres is overgemaakt, laat staan aldaar zou zijn toegekomen; - uit het proces-verbaal kan worden afgeleid dat het aan de overtreders en niet aan de eiseres werd meegedeeld; - de Belgische Staat niet bewijst dat zij binnen drie jaar, zijnde een vervaltermijn, aan de eiseres een bedrag dat ze wenst in te vorderen, heeft meegedeeld en de dagvaarding van 1997 buiten de wettelijke vervaltermijn van drie jaar valt.
- Zodoende voerde de eiseres voor het hof van beroep niet aan dat de verweerders geen aanspraak konden maken op de gevorderde nalatigheidsinterest en dat de gevorderde interest niet verschuldigd zou zijn wegens het niet opeisbaar zijn van de schuld of wegens gebrek aan ingebrekestelling.
- Bij gebrek aan betwisting van de vordering tot het betalen van de interest diende de appelrechter niet ambtshalve toepassing te maken van de als geschonden aangevoerde wetsbepalingen. Het middel is in al zijn onderdelen nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 533,32 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Myriam Ghyselen en Ann De Wolf, en in openbare terechtzitting van 18 oktober 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241018.1N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div