← België

CLONEN, vereffenaar EUR ADVICE BV contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241018.1N.9 Rolnummer: C.22.0362.N Zaak: CLONEN, vereffenaar EUR ADVICE BV contra H. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Overige - Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2024-10-31 Raadplegingen: 617 - laatst gezien 2026-06-15 07:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241018.1N.9 Fiches 1 - 4 Gezien de vraag rijst of de wetgever op een grondwettelijk toegelaten wijze een onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing vóór de opheffing van dit wetboek bij Wet van 23 maart 2019, in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, in zoverre de vordering tegen vennoten verjaart na vijf jaar vanaf de bekendmaking van de uittreding van de vennoot of van de ontbinding van de vennootschap, of vanaf het verstrijken van de overeengekomen duur, ongeacht het tijdstip waarop de eiser kennis krijgt van de feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering en die noodzakelijk zijn om zijn vordering effectief te kunnen instellen, en anderzijds artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing, vóór de opheffing van dit wetboek bij Wet van 23 maart 2019, en artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek, krachtens hetwelk de loop van de verjaring van de vordering kennis vereist in hoofde van de eiser van de relevante feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering, bestaat er grond om het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Fiches 5 - 6 Wanneer het Grondwettelijk Hof vaststelt dat een wetsbepaling een leemte bevat waardoor de artikelen 10 en 11 Grondwet worden geschonden, moet de rechter zo mogelijk deze leemte opvullen; of de rechter dit kan, hangt af van de leemte zelf; indien de leemte van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere regeling wordt ingevoerd, dan kan de rechter zich daarvoor niet in de plaats van de wetgever stellen; indien evenwel aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan worden gesteld door de wetsbepaling aan te vullen dermate dat ze niet meer strijdig is met de artikelen 10 en 11 Grondwet, kan en moet de rechter dit doen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 10 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 7 - 8 De leemte inzake het vertrekpunt van de verjaring in geval van het opzettelijk verbergen van verrichtingen door een of meer vennoten is niet van die aard dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere regeling wordt ingevoerd, die een hernieuwde maatschappelijke afweging van belangen door de wetgever of een aanpassing van een of meer andere wettelijke bepalingen vereist. Aan de ongrondwettigheid kan zonder meer een einde worden gesteld door artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen aan te vullen in die zin dat, zoals het geval in het vierde streepje van deze bepaling, de termijn van vijf jaar in dat geval begint te lopen te rekenen van de ontdekking van de verborgen gehouden verrichtingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERJARING - BURGERLIJKE ZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Vennootschappen 7 mei 1999 - 07-05-1999 - Art. 198, § 1, eerste streepje - 69 ELI link Pub nr 1999A09646 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0362.N K.C., advocaat, (…), in zijn hoedanigheid van vereffenaar van EUR ADVICE bv, met zetel te 2920 Kalmthout, Standaertlei 23, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0860.161.158, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
  1. R.H.,
  2. M.V.Z., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 12 mei
  3. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 17 februari 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Het Hof heeft bij arrest van 10 maart 2023 een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof. Bij arrest van 1 februari 2024 heeft het Grondwettelijk Hof deze vraag beantwoord. De eiser en de verweerders hebben op 22 maart 2024 elk een nota neergelegd ter griffie van het Hof. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 17 september 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  4. Krachtens artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing, verjaren alle rechtsvorderingen tegen vennoten door verloop van vijf jaren, te rekenen van de bekendmaking hetzij van hun uittreding hetzij van de akte van ontbinding van de vennootschap, of te rekenen van het verstrijken van de overeengekomen duur. Overeenkomstig het vierde streepje van deze wetsbepaling verjaren alle rechtsvorderingen tegen zaakvoerders, bestuurders, leden van de directieraad, leden van de raad van toezicht, commissarissen, vereffenaars, wegens verrichtingen in verband met hun taak, door verloop van vijf jaren, te rekenen van die verrichtingen of, indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen van de ontdekking.
  5. Bij het voormelde arrest van 10 maart 2023 heeft het Hof de twee door de verweerders in hun memorie van antwoord opgeworpen gronden van niet-ontvankelijkheid verworpen en elke nadere uitspraak aangehouden tot het Grondwettelijk Hof uitspraak zal hebben gedaan over de volgende prejudiciële vraag: “Schendt artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing voor de opheffing van dit wetboek bij Wet van 23 maart 2019, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, in zoverre de vordering tegen vennoten verjaart na vijf jaar vanaf de bekendmaking van de uittreding van de vennoot of van de ontbinding van de vennootschap, of vanaf het verstrijken van de overeengekomen duur, ongeacht het tijdstip waarop de eiser kennis krijgt van de feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering en die noodzakelijk zijn om zijn vordering effectief te kunnen instellen, terwijl de loop van de verjaring van de vordering op grond van artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek van Vennootschappen, zoals van toepassing voor de opheffing van dit wetboek bij Wet van 23 maart 2019 en artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Oud Burgerlijk Wetboek, kennis vereist in hoofde van de eiser van de relevante feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering?”
  6. Bij zijn arrest nr. 17/2024 van 1 februari 2024 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen, de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, EVRM schendt, in zoverre het niet in een uitzondering voorziet in geval van het opzettelijk verbergen van verrichtingen door een of meerdere vennoten. Het Grondwettelijk Hof oordeelde hierbij: “B.4.
  7. In tegenstelling tot hetgeen de prejudiciële vraag laat uitschijnen, volgt niet uit artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek van Vennootschappen dat de verjaringstermijn van de rechtsvorderingen tegen zaakvoerders, bestuurders, leden van de directieraad, leden van de raad van toezicht, commissarissen en vereffenaars pas aanvangt op het ogenblik dat de eiser kennis heeft van de relevante feiten die ten grondslag liggen aan zijn vordering. Krachtens die bepaling neemt de verjaringstermijn in de regel immers een aanvang op het ogenblik van de verrichtingen. Enkel wanneer de verrichtingen met opzet verborgen zijn gehouden, neemt de verjaringstermijn een aanvang bij de ontdekking en dus vanaf het ogenblik dat de schuldeiser daarvan kennis heeft gekregen. Wanneer het gebrek aan kennis van de verrichting in hoofde van de schuldeiser een andere oorzaak heeft, zoals een gebrek aan diligentie, vangt de verjaringstermijn wel degelijk aan op het ogenblik van de verrichting. Het Hof beperkt zijn onderzoek bijgevolg tot de hypothese waarin de vennoten respectievelijk de zaakvoerders, bestuurders, leden van de directieraad, leden van de raad van toezicht, commissarissen en vereffenaars de verrichtingen met opzet verborgen hebben gehouden voor de schuldeisers.” “B.
  8. Zoals de Ministerraad aanvoert, heeft de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen als doel de te lange onzekerheid voor de vennoten te vermijden, die voortvloeide uit de gemeenrechtelijke verjaringstermijn. De wetgever wilde daarnaast voorkomen dat, door een te lange onzekerheid na het beëindigen van de hoedanigheid van vennoot, potentiële kapitaalverschaffers minder geneigd zouden zijn om te investeren in nieuwe vennootschappen. Met het instellen van de korte verjaringstermijn van vijf jaar in artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek van Vennootschappen was het eveneens de bedoeling van de wetgever de in die bepaling bedoelde personen niet te lang in onzekerheid te laten omtrent hun eventuele aansprakelijkheid voor fouten begaan in de uitoefening van hun opdracht. Hij vreesde dat anders slechts weinig personen bereid zouden worden gevonden verantwoordelijke taken op zich te nemen. Tevens meende hij dat van degenen die een aansprakelijkheidsvordering zouden willen instellen, redelijkerwijze mag worden gevraagd dat ze dat doen op een tijdstip dat niet te ver verwijderd ligt van het ogenblik waarop de schadeveroorzakende handelingen werden gesteld, zodanig dat de aangesproken personen zich die handelingen nog kunnen herinneren en zich daarop kunnen verdedigen. De wetgever heeft bijgevolg, door een van het gemeen recht afwijkende termijn op te leggen in een algemene en imperatieve bepaling die wordt geacht te voldoen in alle gevallen, de privébelangen van de schuldeisers ondergeschikt gemaakt aan de hogere belangen van het handelsverkeer.” “B.10.
  9. De verschillen tussen de vennoten en de in artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek van Vennootschappen bedoelde personen, wat zowel hun rol in de vennootschap als hun aansprakelijkheid betreft, kunnen verantwoorden dat de vijfjarige verjaringstermijn voor rechtsvorderingen tegen de eersten begint te lopen vanaf het verlies van hun hoedanigheid, terwijl de vijfjarige verjaringstermijn voor rechtsvorderingen tegen de laatsten, wegens verrichtingen in verband met hun taak, begint te lopen vanaf die verrichtingen.” “B.10.
  10. Het is evenwel niet redelijk verantwoord dat enkel voor de rechtsvorderingen tegen de in artikel 198, § 1, vierde streepje, Wetboek van vennootschappen bedoelde personen is voorzien in een uitzondering op het absolute karakter van de verjaringstermijn ingeval de schadeverwekkende verrichtingen met opzet verborgen zijn gehouden, terwijl er voor rechtsvorderingen tegen vennoten niet is voorzien in een uitzondering op het absolute karakter van de verjaringstermijn ingeval de verjaring tot stand is gekomen door het opzettelijk verbergen van verrichtingen door een of meerdere vennoten. Indien de schuldeiser na het verstrijken van de absolute verjaringstermijn van vijf jaar alsnog kennis zou krijgen van dergelijke verrichtingen, dient er in een mogelijkheid te worden voorzien om zijn vordering alsnog te doen gelden.” “B.
  11. In zoverre de in het geding zijnde bepaling in een dergelijk geval niet voorziet in een uitzondering, is het in B.4.2 gepreciseerde verschil in behandeling bijgevolg niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, EVRM.”
  12. Overeenkomstig artikel 28, eerste lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof moeten het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, zich voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de prejudiciële vragen zijn gesteld, voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof.
  13. Wanneer het Grondwettelijk Hof vaststelt dat een wetsbepaling een leemte bevat waardoor de artikelen 10 en 11 Grondwet worden geschonden, moet de rechter zo mogelijk deze leemte opvullen. Of de rechter dit kan, hangt af van de leemte zelf. Indien de leemte van die aard is dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere regeling wordt ingevoerd, dan kan de rechter zich daarvoor niet in de plaats van de wetgever stellen. Indien evenwel aan de ongrondwettigheid zonder meer een einde kan worden gesteld door de wetsbepaling aan te vullen dermate dat ze niet meer strijdig is met de artikelen 10 en 11 Grondwet, kan en moet de rechter dit doen.
  14. De leemte inzake het vertrekpunt van de verjaring in geval van het opzettelijk verbergen van verrichtingen door een of meer vennoten is niet van die aard dat zij noodzakelijk vereist dat een volledig andere regeling wordt ingevoerd, die een hernieuwde maatschappelijke afweging van belangen door de wetgever of een aanpassing van een of meer andere wettelijke bepalingen vereist. Aan de ongrondwettigheid kan zonder meer een einde worden gesteld door artikel 198, § 1, eerste streepje, Wetboek van Vennootschappen aan te vullen in die zin dat, zoals het geval in het vierde streepje van deze bepaling, de termijn van vijf jaar in dat geval begint te lopen te rekenen van de ontdekking van de verborgen gehouden verrichtingen.
  15. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de vordering van de vereffenaar is gericht tegen de verweerders in hun hoedanigheid van aandeelhouder en tegen de eerste verweerder eveneens in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van Eur Advice bv; - de verweerders in hun hoedanigheid van aandeelhouder worden verweten zich vennootschapsgelden te hebben toegeëigend; - de beweerde verrichtingen dateren van vóór de inwerkingtreding van het WVV op 1 mei 2019, zodat op de vordering artikel 198, § 1, Wetboek van Vennootschappen nog van toepassing is; - aangenomen wordt dat deze verjaringstermijn geldt voor alle aansprakelijkheidsvorderingen ingesteld tegen bestuurders en vennoten; - de gerechtelijke ontbinding van de vennootschap dateert van 28 januari 2014; - betekening van dit vonnis gebeurde op de zetel van de vennootschap op 3 februari 2014; - uittreksel van dit vonnis werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 29 april 2014; - de dagvaarding ter inleiding van huidige procedure dateert van 15 januari 2020, meer dan vijf jaar na de bekendmaking van de ontbinding.
  16. De appelrechter die op grond van deze redenen oordeelt dat in de mate dat de verweerders worden aangesproken in hun hoedanigheid van vennoot van de Eur Advice bv, de vordering van de eiser verjaard is, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Myriam Ghyselen en Ann De Wolf, en in openbare terechtzitting van 18 oktober 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241018.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241018.1N.9 voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230310.1N.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230310.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.