id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 24
- 36 ELI link Pub nr 2003022481 Wet 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake
Art. 30
- 36 ELI link Pub nr 2003022481 Thesaurus CAS: PENSIOEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Wet 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake
Art. 24
- 36 ELI link Pub nr 2003022481 Wet 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake
Art. 30- 36 ELI link Pub nr 2003022481 Tekst van de beslissing Nr.
S.20.0059.N BOUWONDERNEMING VOORUITZICHT nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Leopold De Waelplaats 26, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.678.357, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Anne Frédérique Belle, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 250 bus 10, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen J. V., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 28 juni
- Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 8 juli 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Hugo Mormont heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 24, § 1, Wet Aanvullende Pensioenen, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 15 mei 2014, heeft de aangeslotene, wanneer de pensioentoezegging in de betaling voorziet van een persoonlijke bijdrage door de aangeslotene, bij zijn uittreding, pensionering of bij opheffing van de pensioentoezegging, niettegenstaande artikel 17, eerste lid, recht op het gedeelte van die bijdrage dat niet verbruikt werd voor de dekking van het overlijdens- en invaliditeitsrisico vóór de pensionering, gekapitaliseerd tegen een door de Koning bepaalde rentevoet. Krachtens artikel 24, § 2, Wet Aanvullende Pensioenen, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 15 mei 2014, heeft de aangeslotene, wanneer de pensioentoezegging van het type vaste bijdragen is of een toezegging is zoals bedoeld in artikel 21, bij zijn uittreding, pensionering of bij opheffing van de pensioentoezegging, zonder afbreuk te doen aan artikel 17, eerste lid, recht op het gedeelte van de bijdrage dat niet door hem werd gedragen en dat niet verbruikt werd voor de dekking van het overlijdens- en invaliditeitsrisico vóór de pensionering en voor de dekking van de kosten beperkt tot 5% van de stortingen, of het gedeelte van de toegekende bijdragen, gekapitaliseerd tegen een door de Koning bepaalde rentevoet. Krachtens artikel 30 Wet Aanvullende Pensioenen, zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 15 mei 2014, is de inrichter ertoe gehouden bij de uittreding de tekorten van de verworven reserves aan te zuiveren alsook de tekorten ten opzichte van de garanties, bedoeld in artikel
- Uit deze bepalingen volgt dat de werkgever bij uitdiensttreding van de werknemer, bij opheffing van de pensioentoezegging, bij overdracht van de reserves of bij pensionering, verplicht is de tekorten van de verworven reserves aan te zuiveren alsook de tekorten ten opzichte van de garanties, bedoeld in artikel 24, ongeacht de oorzaak van die tekorten. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat uit de voormelde bepalingen volgt dat de inrichter, indien er bij de uittreding, pensionering of bij opheffing van de pensioentoezegging vastgesteld wordt dat de verworven reserves niet aan het bedrag geraken waarmee ze zouden moeten overeenstemmen volgens artikel 24 Wet Aanvullende Pensioenen, enkel het verschil dient te dekken als het gaat om het aanzuiveren van zijn eigen schuld als gevolg van zijn pensioentoezegging, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.
- De aangevoerde schending van de artikelen 1134, eerste en derde lid, 1135, 1142, 1146, 1147, 1148, 1149, 1150 en 1151 Oud Burgerlijk Wetboek, is volledig afgeleid. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Prejudiciële vragen
- De eiseres voert aan dat in de veronderstelling dat de inrichtende werkgever op grond van de artikelen 5, § 3, 24 en 30 Wet Aanvullende Pensioenen gehouden is tot aanzuivering van de reserves in geval van insolventie van de verzekeringsmaatschappij, die bepalingen de artikelen 10 en 11 Grondwet schenden en verzoekt het Grondwettelijk Hof daarover prejudicieel te bevragen.
- In zijn arrest nr. 124/2021 van 30 september 2021 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de artikelen 24 en 30 Wet Aanvullende Pensioenen, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij wet van 5 mei 2014, in de in randnummer 2 vermelde uitlegging niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in zoverre zij aldus van toepassing zijn op een aanvullend pensioen van het type “vaste bijdragen”, waarvan de uitvoering werd toevertrouwd aan een verzekeringsonderneming die vervolgens in vereffening werd gesteld.
- Het Hof is overeenkomstig artikel 26, § 2, tweede lid, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof niet gehouden een aangevoerde prejudiciële vraag te stellen wanneer het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag met een identiek onderwerp. De vragen worden niet gesteld. Tweede onderdeel
- In zijn arrest nr. 124/2021 van 30 september 2021 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de artikelen 24 en 30 van de Wet Aanvullende Pensioenen, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij wet van 5 mei 2014 in de in randnummer 2 vermelde uitlegging niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in zoverre zij aldus van toepassing zijn op een aanvullend pensioen van het type “vaste bijdragen”, waarvan de uitvoering werd toevertrouwd aan een verzekeringsonderneming die vervolgens in vereffening werd gesteld. In datzelfde arrest heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat het, zonder dat het noodzakelijk is te onderzoeken of het in de prejudiciële vraag vermelde artikel 16 van de Grondwet te dezen toepassing kan vinden, volstaat vast te stellen dat de combinatie ervan met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet tot een ander resultaat kan leiden. Aangezien blijkens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof de schending van een grondrecht ipso facto een schending inhoudt van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel en artikel 16 Grondwet het grondrecht op het ongestoord genot van de eigendom betreft, impliceert voorgaand oordeel dat de bepalingen van de Wet Aanvullend Pensioen in de in randnummer 2 voorgestane interpretatie naar het oordeel van het Grondwettelijk Hof artikel 16 Grondwet klaarblijkelijk niet schenden. In zoverre het schending aanvoert van artikel 16 Grondwet, kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Aangezien de in het vorige onderdeel bedoelde garantieverplichting ertoe strekt de pensioenrechten en -reserves te beschermen die voor de aangeslotenen en hun rechthebbende worden opgebouwd, het dienaangaande pertinent is de eindverantwoordelijkheid bij de inrichters te leggen, ongeacht de oorzaak van eventuele tekorten en het type van pensioentoezegging, en dat geen disproportionele gevolgen heeft voor de inrichters vermits zij slechts dienen tussen te komen indien en in de mate er tekorten zijn en slechts ten belope van het minimumrendement en die tekorten, de wetgever in verscheidene beschermingsmechanismen heeft voorzien ter voorkoming dat de pensioeninstelling niet aan haar verplichtingen kan voldoen, de inrichter zich tot de pensioeninstelling kan richten om de bedragen vergoed te zien indien hij dient tussen te komen en het de werkgever vrij staat al dan niet een aanvullend pensioen toe te zeggen, is artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM niet geschonden. In zoverre het schending aanvoert van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, kan het onderdeel evenmin worden aangenomen.
- De overige in het onderdeel aangevoerde grieven zijn volledig afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schendingen van artikel 16 Grondwet en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en mitsdien niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 846,59 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Eric de Formanoir, de sectievoorzitters Christian Storck, Koen Mestdagh en Mireille Delange, en raadsheer Bruno Lietaert en in openbare rechtszitting van 21 oktober 2024 uitgesproken door eerste voorzitter Eric de Formanoir, in aanwezigheid van advocaat-generaal Hugo Mormont, met bijstand van griffier Wim Vanderputten. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241021.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241021.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div