id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 6
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 5 Listige kunstgrepen, in de zin van artikel 496 Strafwetboek, zoals hier toepasselijk, zijn misleidende middelen die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen met het oog op de afgifte of de levering van de zaak; dergelijke handelingen kunnen onder meer bestaan in een geheel van praktijken die niet als dusdanig maar wel in hun geheel genomen een listige kunstgreep uitmaken omdat zij gezamenlijk determinerend zijn voor de navolgende afgifte van gelden en opdat zij daarvoor determinerend zouden zijn, moeten listige kunstgrepen in de regel voorafgaan aan de afgifte of de levering; dit belet evenwel niet dat listige kunstgrepen ook kunnen worden opgeleverd door een geheel van geënsceneerde feiten die gedeeltelijk vóór en gedeeltelijk volgend op de afgifte of de levering van de zaak plaatsvinden
(1).
(1)Cass. 1 december 2020, AR P.20.0784.N, AC 2020, ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5, met concl. van advocaat-generaal B. DE SMET; Cass. 17 februari 2015, AR P.14.1526.N, AC 2015, nr. 123, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.
- Thesaurus CAS: OPLICHTING Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 496 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0855.N
- A. M., beklaagde, eiseres,
- F. V. F., beklaagde, eiser, beiden met als raadsman mr. Pieter Helsen, advocaat bij de balie Limburg, tegen
- S. D., burgerlijke partij,
- E. D., burgerlijke partij,
- J. D. L., burgerlijke partij,
- P. D., burgerlijke partij, verweerders, de verweerders 1, 2 en 4 met als raadsman mr. Toon Muysewinkel, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 16 mei
- De eisers voeren in een gezamenlijke memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.3 EVRM: het arrest heromschrijft de aan de eisers ten laste gelegde feiten van een overtreding van de artikelen VI.100, 14°, XV.86 en XV.70 Wetboek van economisch recht naar oplichting en verklaart de eisers schuldig aan dat laatste misdrijf; die heromschrijving was niet op vraag van het openbaar ministerie in hoger beroep en werd enkel door de burgerlijke partijen in het debat voor de appelrechters gebracht; evenmin nodigden de appelrechters zelf de eisers uit om verweer te voeren tegen de nieuwe omschrijving; bijgevolg werden de eisers niet op de hoogte gesteld van de aard en de reden van de tegen hen ingebrachte beschuldiging.
- De rechter mag een beklaagde slechts schuldig verklaren aan een feit waarvan hij de omschrijving, zoals dit feit bij hem is aanhangig gemaakt, heeft gewijzigd, indien die beklaagde de gelegenheid had zich daarover te verdedigen.
- Het recht van verdediging vereist evenwel niet noodzakelijk dat het de rechter is die de beklaagde uitdrukkelijk uitnodigt om zich te verweren tegen een heromschrijving. Indien de heromschrijving in het debat was als gevolg van de opmerkingen of de vordering van een andere partij, zodat de beklaagde daardoor wist dat een heromschrijving tot de mogelijkheden behoorde en hij zich daartegen ook kon verdedigen, is een uitdrukkelijke verwittiging door de rechter niet vereist. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Na de aan de eisers ten laste gelegde feiten te hebben heromschreven naar het misdrijf oplichting oordeelt het arrest (p. 10): “De heromschrijving (…) werd reeds door [de verweerders 1, 2 en 4] aangebracht voor de eerste rechter en herhaald voor het hof (van beroep). Ook het openbaar ministerie heeft voor het hof (van beroep) een mogelijke heromschrijving in het misdrijf oplichting aangebracht bij ‘nota inzake 2020/PGA/34384’, gevoegd bij kantschrift dd. 6 oktober 2023.” Het proces-verbaal van de rechtszitting van 14 maart 2024 vermeldt dat het openbaar ministerie werd gehoord in zijn vordering conform die nota.
- De eisers konden op grond van de uitdrukkelijke vraag van de verweerders 1, 2 en 4 en van de opmerkingen van het openbaar ministerie tijdens het debat bijgevolg weten dat een heromschrijving van de aan hen ten laste gelegde feiten tot de mogelijkheden behoorde. Aldus zijn zij op de hoogte gebleven van de aard en de reden van de tegen hen ingebrachte beschuldiging en werden zij in de gelegenheid gesteld om zich tegen die heromschrijving te verdedigen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek: alle uitwendige handelingen, waaronder meerdere mailberichten, die het arrest aanhaalt om listige kunstgrepen aan te tonen die hebben geleid tot de overschrijving van gelden door de verweerders op 31 augustus 2016 en 2 september 2016, dateren van na die data; om daarvoor determinerend te zijn, kunnen dergelijke uitwendige handelingen niet anders dan aan die overschrijvingen voorafgaan.
- Oplichting in de zin van artikel 496 Strafwetboek, zoals hier toepasselijk, bestaat in het zich doen afgeven of leveren van een door die bepaling bedoelde zaak die een ander toebehoort, hetzij door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden, hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen, met het oogmerk zich die zaak toe te eigenen.
- Listige kunstgrepen zijn misleidende middelen die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen met het oog op de afgifte of de levering van de zaak.
- Dergelijke handelingen kunnen onder meer bestaan in een geheel van praktijken die niet als dusdanig maar wel in hun geheel genomen een listige kunstgreep uitmaken omdat zij gezamenlijk determinerend zijn voor de navolgende afgifte van gelden. Opdat zij daarvoor determinerend zouden zijn, moeten listige kunstgrepen in de regel voorafgaan aan de afgifte of de levering. Dit belet evenwel niet dat listige kunstgrepen ook kunnen worden opgeleverd door een geheel van geënsceneerde feiten die gedeeltelijk vóór en gedeeltelijk volgend op de afgifte of de levering van de zaak plaatsvinden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 21-22) oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt, maar haalt ook uitwendige handelingen aan die de overschrijving van gelden door de verweerders voorafgaan en daarvoor mede determinerend waren, namelijk: - de inschakeling bij de belegging in cryptomunten van de bankrekening van een Noorse advocaat aangezien de tussenkomst van een advocaat en diens bankrekening bij beleggingen een zeker vertrouwen wekt bij derden; - het feit dat de eisers zich naar de verweerders toe engageerden om de opening van hun accounts, het aanschaffen van de cryptomunten en het verdere beheer van de accounts op zich te nemen en zo ook bij te dragen tot het succes van de beleggingen in de cryptomunt NNC. Dit engagement was essentieel voor de verweerders, aangezien zij geen enkele kennis hadden van het gebeuren rond cryptomunten en de verhandeling ervan en dit zo ook hadden meegedeeld aan in het bijzonder de eiseres. Op grond van het geheel van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat het aanwenden van die listige kunstgrepen door de eisers determinerend was voor de overschrijving van gelden door de verweerders op 31 augustus 2016 en 2 september
- In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel voor het overige een motiveringsgebrek aanvoert, is het afgeleid uit die vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek: het arrest beantwoordt niet het verweer in de appelconclusie van de eisers dat er geen causaal verband is bewezen tussen hun handelen en het investeringsverlies van de verweerster 2 en de verweerder 4, aangezien die laatsten voorafgaand aan hun investeringen nooit contact met de eiseres hebben gehad.
- Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 496 Strafwetboek schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- Met betrekking tot de burgerlijke vorderingen van de verweerster 2 en de verweerder 4 oordeelt het arrest (p. 32) dat zij onmiskenbaar schade hebben geleden in causaal verband met de bewezenverklaarde feiten, “zoals duidelijk gebleken is uit de voorgaande uiteenzettingen inzake de beoordeling van de schuldvraag”. Met de aldus bedoelde redenen beantwoordt het arrest (p. 17-23) wel degelijk het door het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 176,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 22 oktober 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180515.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div