Obsah (4)
Art. 193Art. 196Art. 197Art. 214id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 193
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 196
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 197
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 214- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN.
BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen:
Art. 193
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 196
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 197
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 214- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.24.0955.N
- AMELCORE sarl, met zetel te L-8376 Kahler (Groothertogdom Luxemburg), rue des Champs 2, beklaagde,
- D. W., beklaagde, eiseressen, beiden met als raadslieden mr. Kris Beirnaert, advocaat bij de balie Antwerpen, en mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 16 mei
- De eiseressen voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het arrest spreekt de eiseressen vrij voor de telastleggingen A.2.1 en A.2.
- In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 193, 196, 197 en 214 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiseressen schuldig aan de telastleggingen valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken met betrekking tot twee facturen van de eiseres 1, namelijk een factuur gericht aan SDK Electrics (telastlegging A.2.2) en een factuur gericht aan HDO Group (telastlegging A.2.3); het arrest oordeelt dat die facturen door de strafwet beschermde geschriften zijn omdat de bestemmelingen, die wisten dat het fictieve facturen betrof, deze niet daadwerkelijk hebben gecontroleerd; opdat er sprake zou zijn van een beschermd geschrift is het echter niet vereist dat de bestemmeling effectief de vermeldingen op de facturen controleert, maar wel dat hij de mogelijkheid heeft om die vermeldingen te controleren; het arrest dat impliciet het bestaan van die mogelijkheid vaststelt, verantwoordt de beslissing bijgevolg niet naar recht; indien het arrest anders zou moeten worden gelezen, is het Hof niet in staat zijn wettigheidscontrole uit te oefenen en is het arrest niet naar behoren gemotiveerd.
- Het misdrijf van valsheid in geschriften als bedoeld in de artikelen 193, 196 en 214 Strafwetboek bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan.
- Een door de wet beschermd geschrift in de zin van die bepalingen is een geschrift dat in een zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbare vertrouwen opdringt, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten.
- Een geschrift dat slechts bewijswaarde heeft na aanvaarding door de bestemmeling, zoals een factuur waarmee de betaling van goederen of diensten wordt gevraagd, dringt zich in de regel niet op aan het openbaar vertrouwen. Dit is slechts anders wanneer de bestemmeling de in het geschrift voorkomende vermeldingen onmogelijk kan controleren of die controle door toedoen van de uitreiker onmogelijk is gemaakt.
- Een niet waarheidsgetrouwe factuur die niet ertoe strekt de formele bestemmeling van die factuur te misleiden, maar die in onderling overleg tussen de uitreiker en de formele bestemmeling van de factuur is opgesteld om derden te misleiden, bijvoorbeeld om de betaling van een wederrechtelijke prestatie te verhullen, terwijl die derden de inhoud van de factuur niet op zijn juistheid kunnen controleren, kan het voorwerp van een strafbare valsheid uitmaken. Hierdoor kan de gerechtelijke overheid immers overtuigd worden van de waarachtigheid van het valselijk aangegeven juridische feit en kunnen de rechtmatige belangen van de benadeelden van de verhulde rechtshandeling worden geschaad. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 34, 42 en 44) oordeelt onder meer: - “In deze waren zowel de bedrijven die de facturen hadden uitgereikt ([…]) als de bestemmeling (bv […]) ervan op de hoogte dat de aangerekende prestaties nooit werden geleverd en dat het om fictieve facturen ging, die als enige doel hadden de betalingen waarmee [P.] werd omgekocht een boekhoudkundige verantwoording te geven. De facturen werden met andere woorden opgesteld, betaald en in de boekhouding ingeschreven om de omkoping te maskeren en om een schijnbaar legale oorsprong te verschaffen voor de betalingen. De geboekte facturen drongen zich op aan het openbare vertrouwen, in die zin dat derden, zoals de overheid, zouden kunnen worden overtuigd van de waarachtigheid van de gefactureerde prestaties en de rechtmatigheid van de betalingen. De facturen betreffen wel degelijk door de wet beschermde geschriften”; - “De facturen hadden (…) tot doel steekpenningen aan [P.] te doen toekomen, wat zowel in het nadeel is van het voor een gezond ondernemingsklimaat vereiste openbaar vertrouwen, als van de betrokken ondernemingen, met name [D.], die erop moet kunnen vertrouwen dat haar werknemers op eerlijke wijze hun taken verrichten, en de bedrijven die opdrachten moeten kunnen verkrijgen zonder daarvoor steekpenningen te hoeven betalen.”
- Met die redenen en deze die het onderdeel vermeldt, oordeelt het arrest niet dat facturen beschermde geschriften zijn wanneer zij niet daadwerkelijk door de bestemmelingen worden gecontroleerd, maar wel, eensdeels, dat de hier bedoelde facturen niet waren bestemd om te worden gecontroleerd door de formele bestemmelingen ervan en, anderdeels, dat zij niet daadwerkelijk konden worden gecontroleerd door de derden ten aanzien waarvan zij wel waren bestemd om uitwerking te hebben, waaronder de overheid en de benadeelden door de omkoping. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 5 en 66 Strafwetboek: het arrest stelt niet vast dat de eiseres 1 wetens en willens heeft gehandeld bij het uitreiken of inschrijven van de facturen die het voorwerp van haar veroordeling uitmaken en van het ontvangen van betaling daarvoor; het arrest dat aldus niet vaststelt dat de eiseres 1 kennis had van het valse karakter van de facturen en de wil had om hieraan mee te werken, stelt geen eigen strafrechtelijke fout van de eiseres 1 vast en verantwoordt de beslissing niet naar recht; het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiseres 1 rond de noodzaak tot het vaststellen van een eigen strafrechtelijke fout en besluit nergens tot het bestaan van een opzettelijke beslissing of een nalatigheid binnen de rechtspersoon als gevolg waarvan valse facturen konden worden aangemaakt en gebruikt; aldus laat het arrest het Hof niet toe de wettigheid van de beslissing na te gaan en is het niet naar behoren gemotiveerd.
- Een rechtspersoon kan maar strafrechtelijk verantwoordelijk zijn indien op het niveau van de rechtspersoon onder meer de aanwezigheid wordt vastgesteld van het voor het misdrijf vereiste moreel bestanddeel. Dit houdt in dat, al naar gelang het geval, moet blijken dat de rechtspersoon heeft gehandeld met het vereiste bijzonder of algemeen opzet, onachtzaam is geweest dan wel heeft gehandeld met het vereiste deelnemingsopzet.
- Het autonoom karakter van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon belet de rechter niet om bij de beoordeling van de aanwezigheid van het moreel misdrijfbestanddeel rekening te houden met het gedrag van de natuurlijke persoon die handelt voor of namens de rechtspersoon. De rechtspersoon als fictieve entiteit handelt immers noodzakelijkerwijze via natuurlijke personen die hem juridisch of feitelijk besturen of voor zijn rekening optreden, zodat hun gedrag bij de beoordeling van de aanwezigheid van het moreel misdrijfbestanddeel bij de rechtspersoon in aanmerking kan worden genomen.
- Indien blijkt dat de handelingen van een rechtspersoon volledig worden bepaald door de enige zaakvoerder, kan de rechter zich bij de beoordeling van de aanwezigheid van het moreel misdrijfbestanddeel op het niveau van de rechtspersoon en dus bij de vaststelling dat dit bestanddeel op dit niveau is aangetoond, laten leiden door het gedrag van die ene zaakvoerder. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de redenen die het onderdeel vermeldt, leidt het arrest het moreel bestanddeel bij de eiseres 1 in het bijzonder af uit de gedragingen en het opzet van haar enige zaakvoerder de eiseres 2 en uit de omstandigheid dat de tussenkomst van eiseres 1 noodzakelijk was om fraude te kunnen plegen. Aldus verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de feiten van de telastleggingen A.2.2 en A.2.3 moreel toerekenbaar zijn aan de eiseres 1, beantwoordt het haar verweer en laat het aan het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 66 Strafwetboek: enerzijds verklaart het arrest de eiseres 2 schuldig aan de feiten van de telastleggingen A.2.2 en A.2.3 omdat zij kennis had van de door de eiseres 1 uitgegeven facturen en zij hieraan bewust haar medewerking heeft verleend, hetgeen een vorm van strafbare deelneming in de zin van artikel 66, eerste lid, tweede zinssnede, of derde lid, Strafwetboek uitmaakt; anderzijds verantwoordt het arrest de strafmaat van de eiseres 2 door te motiveren dat zij valse facturen heeft uitgeschreven om corruptie te verdoezelen, wat haar tot de eigenlijke dader van die feiten in de zin van artikel 66, tweede lid, eerste zinsnede, Strafwetboek maakt; doordat het arrest aldus niet eenduidig beslist of de eiseres 2 als hoofddader van, dan wel als strafbare deelnemer aan de valsheid in geschriften en het gebruik van valse stukken moet worden beschouwd, terwijl beide categorieën van personen noodzakelijkerwijze een andere kwalificatie van het vervolgde feit impliceren, is het arrest niet naar recht verantwoord en is het bovendien tegenstrijdig gemotiveerd.
- Uit het geheel van de redenen van het arrest blijkt dat dit de eiseres 2 wegens de feiten van de telastleggingen A.2.2 en A.2.3 veroordeelt als dader in de zin van artikel 66, tweede lid, eerste zinssnede, Strafwetboek. De enkele omstandigheid dat het arrest daarbij vermeldt: “[De eiseres 2] was enige zaakvoerder van [de eiseres 1] en beheerde de rekeningen. Het is uitgesloten dat zij geen kennis zou hebben van facturen die [de eiseres 1] heeft uitgegeven en zij heeft bewust hieraan haar medewerking verleend. Dat haar toenmalige vriend [P.] het initiatief voor de fraude had genomen, doet daaraan geen afbreuk”, impliceert niet dat het de eiseres 2 schuldig acht als mededader in de zin van artikel 66, tweede lid, tweede zinssnede, of derde lid, Strafwetboek. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest stelt vast dat B. zou hebben verklaard dat de factuur van 12.000,00 euro, voorwerp van de telastlegging A.2.2, niet met geleverde prestaties overeenstemde; B. heeft echter niet verklaard dat die factuur niet met geleverde prestaties overeenstemde, maar wel dat de aangerekende kostprijs van 12.000,00 euro niet in overeenstemming was met de kostprijs van de ontwikkeling van het product; dit is wezenlijk verschillend: in het eerste geval gaat het om een factuur voor een niet-geleverde prestatie en in het tweede geval om een factuur voor een geleverde prestatie waarvoor een te hoge prijs werd aangerekend; aldus miskent het arrest de bewijskracht van de verklaringen van B.
- Het arrest geeft van de verklaringen van B. een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 190 Grondwet, artikel 3 Probatiewet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, artikel 4 Afkondigingswet, de artikelen 67 en 193 van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten (hierna Overheidsopdrachtenwet 2016), artikel 131 van het koninklijk besluit van 18 april 2017 plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren en artikel 1.2 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de niet-retroactiviteit van wetten: het arrest verwerpt de verzoeken van de eiseressen tot het verlenen van de gunst van de opschorting omdat de verplichte uitsluiting van deelname aan de plaatsingsprocedure zoals bepaald in artikel 67 Overheidsopdrachtenwet “voorzienbaar” was ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten; het laatste bewezenverklaarde feit dateert echter van vóór de bekendmaking van artikel 67 Overheidsopdrachtenwet 2016 in het Belgisch Staatsblad (beide onderdelen).
- Voor wat betreft de eiseres 1 verwijst het arrest (p. 52, nr. 31) niet naar artikel 67 Overheidsopdrachtenwet
- Evenmin is voor wat betreft die eiseres de voorzienbaarheid van de sanctie bestaande in de uitsluiting van overheidsopdrachten de enige reden op grond waarvan het arrest de gevraagde opschorting weigert. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Artikel 67, § 1, eerste lid, Overheidsopdrachtenwet 2016, in werking getreden op 30 juni 2017 en derhalve na de incriminatieperiode van de telastleggingen A.2.2 en A.2.3 (“meermaals, tussen 30 september 2014 en 28 juni 2016”), bepaalt dat de aanbestedende overheid in de regel een kandidaat of inschrijver van deelname aan de plaatsingsprocedure uitsluit wanneer zij heeft vastgesteld of anderszins ervan op de hoogte is dat deze kandidaat of inschrijver door een rechterlijke beslissing met kracht van gewijsde veroordeeld is wegens 1° deelneming aan een criminele organisatie, 2° omkoping; 3° fraude; 4° terroristische misdrijven of strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten, dan wel uitlokking van, medeplichtigheid aan of poging tot het plegen van een dergelijk misdrijf of strafbaar feit; 5° witwassen van geld en financiering van terrorisme; 6° kinderarbeid en andere vormen van mensenhandel en 7° het tewerkstellen van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen. Ten tijde van de feiten was de Overheidsopdrachtenwet 2006 van toepassing. Artikel 20, § 1, tweede lid, van die wet bepaalde dat in de regel aan elke kandidaat of inschrijver de toegang tot elke overheidsopdracht wordt ontzegd indien hij werd veroordeeld door een rechterlijke beslissing met kracht van gewijsde waarvan de aanbestedende overheid kennis heeft en die betrekking heeft op deelname aan een criminele organisatie, omkoping, fraude of witwassen van geld.
- Hieruit volgt dat de principiële sanctie van de uitsluiting van overheidsopdrachten voor de feiten waarvoor de eiseres 2 wordt veroordeeld, ook reeds ten tijde van het plegen van die feiten bekend was aan die eiseres. Dat het arrest uitdrukkelijk verwijst naar artikel 67 Overheidsopdrachtenwet 2016, doet daaraan geen afbreuk. Aldus is de beslissing van het arrest om de vraag om opschorting van de eiseres 2 te verwerpen wegens de voorzienbaarheid van de door haar aangevoerde sanctie regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiseressen tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 249,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 22 oktober 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250528.2F.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130122.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div