← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 5

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 8 Eensdeels moet de kamer voor de bescherming van de maatschappij (hierna de kamer) toezicht houden op de wijze waarop de interneringsbeslissingen binnen het geldende verdragsrechtelijke en wettelijke kader worden uitgevoerd; daarbij staat het aan de kamer erover te waken dat de geïnterneerde binnen een redelijke termijn wordt geplaatst in een aangepaste instelling waar hij de meest gepaste zorg ontvangt en bij die beoordeling dient de kamer noodzakelijkerwijze en op grond van de gegevens zoals voorhanden op het moment van haar uitspraak, rekening te houden met de beschikbaarheid van de voorzieningen die gericht zijn op de specifieke noden van de geïnterneerde zoals door haar vastgesteld; anderdeels dient de kamer erover te waken dat de begane onrechtmatigheid bij de uitvoering van een interneringsmaatregel evenredig worden gesanctioneerd: een onaangepaste verzorging kan een onrechtmatigheid in de zin van artikel 5.1.e en 5.4 EVRM opleveren, zonder daarom de invrijheidstelling van de geesteszieke te kunnen verantwoorden indien de samenleving daardoor ernstig in gevaar komt; de kamer oordeelt onaantastbaar over de evenredigheid van de handhaving van de vrijheidsberoving van de geïnterneerde en het Hof gaat na of de kamer uit haar vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ GEESTESZIEKE ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Tekst van de beslissing Nr. P.24.1346.N A. S., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Louis Carlier, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Gent, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 23 september

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 2, 3 en 5.1.e EVRM en de artikelen 2 en 11 Interneringswet: het arrest verwerpt het verzoek van de eiser om zijn onmiddellijke invrijheidsstelling te bevelen wegens de miskenning van zijn fundamentele rechten, minstens de eiser “onmiddellijk en prioritair” te plaatsen in een forensisch psychiatrisch centrum (hierna FPC); de eiser bevindt zich bijna 21 maanden in detentie, zonder adequate zorg en toekomstperspectief; zijn psychische problematiek, namelijk een ernstige psychose in combinatie met een gevoeligheid voor middelengebruik, vereist een dringende, aangepaste behandeling; de situatie in detentie is niet alleen volstrekt onaangepast aan de zorgnoden van de eiser maar is bovendien volstrekt uitzichtloos; de periode waarin de eiser in detentie wordt gehouden gaat de redelijke duur die nodig is om een juiste zorginstelling te vinden ver te boven; door te oordelen “dat [de rechtbank] – binnen de perken van de wet, en binnen de beperkingen die eigen zijn zowel telkens aan het individu van de geïnterneerde als aan de mate van beschikbaarheid van aangepaste voorzieningen – er op toeziet dat de dubbele doelstelling van bescherming van de maatschappij en verstrekking van de nodige zorg aan de geïnterneerde persoon, verwoord in art. 2 van de wet, zo goed mogelijk wordt gerealiseerd” miskent het vonnis de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat zorg en behandeling van een geesteszieke door een tijdige opname in een aangepaste zorginstelling geen gunstmaatregel is, maar een plicht die op de overheid rust en dat het gebrek aan beschikbare plaatsen in geschikte instellingen niet volstaat als rechtvaardigingsgrond om een persoon met een geestesstoornis in detentie te houden; door te oordelen dat de eiser “niet verblijft in een annex maar in een afdeling tot bescherming van de maatschappij waar een zorgequipe werkzaam is”, miskent het vonnis de op de rechtszitting en in conclusie met overtuigingsstukken toegelichte, concrete detentieomstandigheden van de eiser, namelijk dat de eiser in Merksplas thans niet op een zorgafdeling verblijft, maar wel in een veiligheidscel; door te oordelen dat het verblijf van de eiser te Merksplas “slechts tijdelijk [is], in afwachting van een behandeling”, miskent het vonnis het in conclusie opgeworpen gegeven dat zijn verblijf in detentie niet tijdelijk zal zijn, maar integendeel nog geruime tijd zal duren, gelet op de gekende wachtlijsten voor het FPC Gent en het FPC Antwerpen.
  3. In zoverre het middel opkomt tegen het nalaten van de Belgische Staat, is het niet gericht tegen het vonnis en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
  4. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare vaststellingen van het vonnis over de detentietoestand van de eiser, dan wel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is omdat die feiten niet blijken uit het bestreden vonnis of uit andere stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, is het evenmin ontvankelijk.
  5. Een door artikel 3, 4°, b), Interneringswet bedoelde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij (hierna ABM) waar een geïnterneerde op grond van de Interneringswet kan worden geplaatst of waarnaar hij kan worden overgeplaatst, is geen gevangenis.
  6. De internering is volgens artikel 2, eerste lid, Interneringswet een veiligheidsmaatregel die ertoe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde de zorg kan worden verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij. Een vrijheidsberoving als gevolg van een interneringsbeslissing is in beginsel niet strijdig met artikel 5.1.e EVRM.
  7. Artikel 5.1 EVRM bepaalt: “Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure: e. in het geval van rechtmatige detentie van (…) geesteszieken (…).” Artikel 5.4 EVRM bepaalt: “Eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd heeft het recht voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is.”
  8. Uit die bepalingen volgt dat een vrijheidsberoving van een geesteszieke die strafbare feiten heeft gepleegd en op die grond is geïnterneerd, rechtmatig is indien hij binnen een redelijke termijn wordt geplaatst in een aangepaste instelling waar hem aangepaste zorg wordt verstrekt.
  9. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende artikel 5.1.e en 5.4 EVRM blijkt dat: - de “rechtmatigheid” niet alleen de gevangenhouding zelf maar ook haar verdere tenuitvoerlegging betreft; - de gevangenhouding in overeenstemming moet zijn, niet alleen met het interne recht maar ook met de limitatief bepaalde gronden van artikel 5.1 EVRM, teneinde elke vorm van willekeur te voorkomen, alsook dat er een band moet bestaan tussen die gronden en de plaats en wijze van de gevangenhouding; - de gevangenhouding op grond van artikel 5.1.e EVRM zowel de bescherming van de geesteszieke zelf als van de samenleving beoogt.
  10. Eensdeels moet de kamer voor de bescherming van de maatschappij (hierna de kamer) toezicht houden op de wijze waarop de interneringsbeslissingen binnen het geldende verdragsrechtelijke en wettelijke kader worden uitgevoerd. Daarbij staat het aan de kamer erover te waken dat de geïnterneerde binnen een redelijke termijn wordt geplaatst in een aangepaste instelling waar hij de meest gepaste zorg ontvangt. Bij die beoordeling dient de kamer noodzakelijkerwijze en op grond van de gegevens zoals voorhanden op het moment van haar uitspraak, rekening te houden met de beschikbaarheid van de voorzieningen die gericht zijn op de specifieke noden van de geïnterneerde zoals door haar vastgesteld.
  11. Anderdeels dient de kamer erover te waken dat de begane onrechtmatigheid bij de uitvoering van een interneringsmaatregel evenredig worden gesanctioneerd: een onaangepaste verzorging kan een onrechtmatigheid in de zin van artikel 5.1.e en 5.4 EVRM opleveren, zonder daarom de invrijheidstelling van de geesteszieke te kunnen verantwoorden indien de samenleving daardoor ernstig in gevaar komt.
  12. De kamer oordeelt onaantastbaar over de evenredigheid van de handhaving van de vrijheidsberoving van de geïnterneerde. Het Hof gaat wel na of de kamer uit haar vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  13. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  14. Het vonnis oordeelt onder meer dat: - feiten van opzettelijke brandstichting aan de basis liggen van de internering en de eiser eerder werd veroordeeld wegens aanranding van de eerbaarheid met geweld op een meerderjarige; - de deskundigen dr. D.V. en dr. L. een psychotische tot manisch psychotische symptomatologie en een psychotische kwetsbaarheid aannemen en dat de behandeling dient plaats te vinden in een forensische setting; - de eiser recent werd onderzocht door dr. S. en in zijn verslag van 7 maart 2024 een psychotische stoornis wordt aangenomen, in combinatie met een historiek van middelenmisbruik; - er ook een hoog risico op nieuw delictgedrag wordt aangenomen en een residentiële behandeling in een hoog beveiligde, psychiatrische setting wordt geadviseerd; - er sprake is van veel agressie tijdens detentie; de directeur geeft aan dat de eiser een bedreiging is voor de fysieke en psychische integriteit van medegedetineerden, personeel, derden en zichzelf; - de antecedenten en detentieverloop wijzen op de noodzaak van een langdurige, residentiële opname in een gesloten forensische setting dat een aanvang dient te krijgen binnen een FPC; - bij afwezigheid van de concrete plaatsingsmogelijkheid de directeur tot plaatsing in een ABM adviseert; - de PSD de impulsiviteit, het ernstig psychiatrisch ziektebeeld, gebrek aan inzicht, gebrek aan medewerking aan behandeling, wederkerend geweld en brandstichtingen zowel buiten als binnen instellingen, onderstreept; - deze elementen dwingen het advies van de deskundigen te bevestigen, met name dat de eiser alleen maar via een FPC een start kan nemen met een behandeling; - de rechtbank de zaak meermaals in voortzetting heeft geplaatst om de eiser te kunnen horen; - de rechtbank erop wijst dat zij – binnen de perken van de wet, en binnen de beperkingen die eigen zijn, zowel telkens aan het individu van de geïnterneerde als aan de mate van beschikbaarheid van aangepaste voorzieningen – er op toeziet dat de dubbele doelstelling van bescherming van de maatschappij en verstrekking van de nodige zorg aan de geïnterneerde persoon, verwoord in artikel 2 van de Interneringswet, zo goed mogelijk wordt gerealiseerd; - de rechtbank vaststelt dat de eiser niet verblijft in een annex maar in een ABM waar een zorgequipe werkzaam is; - dit verblijf bovendien slecht tijdelijk is, in afwachting van een behandeling; - de rechtbank bijgevolg oordeelt dat er geen sprake is van foltering, onmenselijke en vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 3 EVRM; - de rechtbank bijgevolg niet ingaat op het verzoek van de raadsman om de eiser onmiddellijk in vrijheid te stellen en een invrijheidstelling bovendien een groot risico voor nieuwe strafbare feiten inhoudt, zoals bepaald door de gerechtsdeskundigen; - gelet op de adviezen en het high risk profiel de rechtbank een plaatsing in de ABM beveelt in afwachting van een overplaatsing naar het FPC; - een eventuele spoedprocedure voor een overplaatsing naar het FPC tot de beslissingsbevoegdheid van de Centrale Medische Dienst behoort.
  15. Het vonnis dat aldus de onrechtmatigheid van eisers toestand van gevangenhouding afweegt tegen het gevaar dat zijn vrijlating voor de samenleving zou opleveren, onder meer rekening houdend met de aard van eisers geestesziekte en met zijn gedrag, kan op grond van de vermelde redenen wettig oordelen dat, in afwachting van een overplaatsing naar een FPC, een verdere plaatsing in een ABM noodzakelijk is ter bescherming van de maatschappelijke veiligheid en kan op grond daarvan wettig eisers verzoek om zijn onmiddellijke invrijheidstelling te bevelen, verwerpen.
  16. Met die redenen oordeelt het vonnis eveneens dat de eiser, rekening houdend met de vermelde gegevens, zo snel als redelijkerwijze mogelijk dient te worden overgeplaatst naar een FPC en verantwoordt het die beslissing naar recht.
  17. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  18. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis beantwoordt nergens het door de eiser in conclusie geformuleerde verzoek om vast te stellen dat zijn rechten onder de artikelen 2 en 5 EVRM en de artikelen 2 en 11 Interneringswet worden geschonden.
  19. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel beantwoordt en verwerpt het vonnis het verweer van de eiser over de door hem aangevoerde wetsschendingen, zonder te moeten antwoorden op elk argument dat tot staving van dat verweer is aangevoerd, maar zelf geen afzonderlijk verweer vormt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 22 oktober 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.24 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.30 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.26 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.