id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.3 Rolnummer: P.24.1103.N Zaak: PROCUREUR-GENERAAL GENT contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-10-25 Raadplegingen: 881 - laatst gezien 2026-06-17 10:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Het enkele feit dat een voormalige bestuurder van een vennootschap na zijn ontslag nog betrokken blijft bij de werking van die vennootschap, daarin nog een zekere inspraak heeft en nog over een volmacht op de vennootschapsrekening beschikt, impliceert niet dat hij nog steeds het feitelijk bestuur over de vennootschap uitoefent; de rechter oordeelt daarover onaantastbaar op grond van de feiten die hij vaststelt en het Hof gaat wel na of de rechter uit de feiten die hij vaststelt, geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. Thesaurus CAS: VENNOOTSCHAPPEN - HANDELSVENNOOTSCHAPPEN - Algemeen FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - MISDRIJVEN IN VERBAND MET FAILLISSEMENT, BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN MISDRIJF - TOEREKENBAARHEID - Algemeen ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Tekst van de beslissing Nr. P.24.1103.N I PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, eiser, tegen B. V., beklaagde, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. II Pieter HUYGHE, met kantoor te 9000 Gent, Savaanstraat 72, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement E3 CONCEPT bv, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Serge Defrenne, advocaat bij de balie Gent, tegen B. V., reeds vermeld, beklaagde, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 3 juni
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van de eiser I en eerste middel van de eiser II
- De middelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 193, 196, 197, 489 en 489bis, 1° en 4°, Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat niet boven elke redelijke twijfel vaststaat dat de verweerder na zijn ontslag als zaakvoerder van E. bv nog feitelijk bestuurder van die vennootschap was en het spreekt hem dienvolgens vrij van de telastleggingen A (valsheid en gebruik van het valse stuk door fictief ontslag te nemen als zaakvoerder van de vennootschap), B (laattijdige aangifte faillissement) en C (bezwarende operaties om het faillissement uit te stellen); het arrest geeft een verkeerde invulling van de begrippen feitelijke bestuurder en intellectuele valsheid; het arrest aanvaardt op basis van de feitelijke gegevens van het dossier duidelijk dat de verweerder ook na zijn zogenaamde ontslag en vervanging door P.V. als bestuurder, de financiële en boekhoudkundige beslissingsmacht over de vennootschap had; een inmenging op één bestuurspunt is voldoende, wat hier het geval is en wat het arrest ook erkent; ingevolge de volmacht van de verweerder op de vennootschapsrekening en zijn financiële en boekhoudkundige beslissingsmacht zijn de handelingen van de verweerder namens de vennootschap ook verbindend ten aanzien van derden; het arrest oordeelt ten onrechte dat dit alles niet voldoende is om als feitelijke bestuurder te worden beschouwd; het is niet omdat ook een andere bestuurder, in casu P.V., bestuursbevoegdheid had, dat dit het feitelijk bestuur van de verweerder teniet zou doen; het is niet vereist dat men op alle vlakken zijn wil oplegt of kan opleggen; de feitelijke bestuurder kan bijgevolg perfect op gelijke voet staan met een van de bestuurders van de vennootschap; aldus is het arrest niet naar recht verantwoord, noch regelmatig met redenen omkleed.
- Het enkele feit dat een voormalige bestuurder van een vennootschap na zijn ontslag nog betrokken blijft bij de werking van die vennootschap, daarin nog een zekere inspraak heeft en nog over een volmacht op de vennootschapsrekening beschikt, impliceert niet dat hij nog steeds het feitelijk bestuur over de vennootschap uitoefent. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar op grond van de feiten die hij vaststelt. Het Hof gaat wel na of de rechter uit de feiten die hij vaststelt, geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt als volgt: - feitelijk zaakvoerder is hij die daden stelt op dezelfde wijze als een bestuurder in rechte dat zou doen. Essentieel voor een bestuurder is dat hij onafhankelijk van enig orgaan of gezag kan optreden. De feitelijke bestuurder oefent op onofficiële wijze de bevoegdheden uit die wettelijk of statutair zijn toegewezen aan de officiële vennootschapsorganen. Dit kan zich voordoen als iemand alle volmachten heeft, betalingen kan doen, de vennootschap vertegenwoordigt en zo meer; - het hof van beroep is van oordeel dat er redelijke twijfel is over de vraag of de verweerder na zijn ontslag als zaakvoerder op 5 november 2015 feitelijk zaakvoerder van E. bv bleef; - eensdeels bevat het strafdossier elementen waaruit kan worden geconcludeerd dat de verweerder ook na zijn ontslag als zaakvoerder nog betrokken was bij de dagelijkse werking van E. bv (volmacht op de vennootschapsrekening, overschrijvingen van en naar vennootschappen verbonden aan de verweerder, aanbrengen van klanten, verklaring van de boekhouder dat de verweerder na zijn ontslag nog een beetje inspraak had, verklaring van P.V.); - uit verschillende andere elementen blijkt echter dat er redelijke twijfel bestaat over de vraag of deze betrokkenheid volstaat om te oordelen dat de verweerder feitelijk zaakvoerder was van E. bv (verklaringen revisor en werknemers, onderzoek naar leveranciers, verklaringen P.V.S. en Y.V.C., gebrek aan verder onderzoek waardoor niet is aangetoond dat de verweerder naar klanten of andere derden toe de vennootschap vertegenwoordigde of er op onafhankelijke wijze beslissingen nam); - er is gelet op deze elementen geen zekerheid of de verweerder na zijn ontslag nog onafhankelijk van P.V. beslissingen nam. P.V. trad wel degelijk volwaardig op als zaakvoerder, in tegenstelling tot wat hij verklaarde bij de politie. Voorts blijkt uit de dossiergegevens niet dat P.V. als zaakvoerder werd aangesteld om de verweerder als verantwoordelijke zaakvoerder uit de wind te zetten omwille van een mogelijk dreigende failliete toestand van de vennootschap op het ogenblik van de aanstelling van P.V. De verklaring van P.V. is minstens op dat punt niet zomaar voor waar aan te nemen; - het feitelijk zaakvoerderschap van de verweerder staat, alle elementen in acht genomen, niet boven elke redelijke twijfel vast.
- Op grond van die redenen, waarmee het arrest niet zonder meer oordeelt zoals het middel aanvoert, kan het wettig en zonder miskenning van de begrippen feitelijk bestuurder en intellectuele valsheid oordelen dat de verweerder na zijn ontslag geen feitelijke zaakvoerder van E. bv meer was en dat hij geen valsheid heeft gepleegd. Aldus is de beslissing eveneens regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: enerzijds oordeelt het arrest dat de verweerder nog betrokken was bij de dagelijkse werking van de vennootschap en anderzijds oordeelt het dat er twijfel is over de vraag of de verweerder feitelijk zaakvoerder was; aldus is het arrest tegenstrijdig, minstens dubbelzinnig gemotiveerd; dit geldt des te meer daar het arrest voorafgaand motiveert wat moet worden verstaan onder een feitelijke zaakvoerder, namelijk wanneer iemand alle volmachten heeft en betalingen kan doen, en vervolgens vaststelt dat de verweerder II daadwerkelijk dergelijke handelingen stelde.
- Het middel preciseert niet in welke lezing het arrest wettig en in welke andere lezing het onwettig is. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest dubbelzinnig is gemotiveerd, is het onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Voor het overige is het middel, dat formeel een tegenstrijdigheid in de motivering van het arrest aanvoert, in werkelijkheid afgeleid uit de met het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Laat de kosten van de eiser I ten laste van de Staat. Veroordeelt de eiser II tot de kosten van zijn cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 97,21 euro, waarvan op het cassatieberoep I 26,40 euro is verschuldigd, en op het cassatieberoep II 35,81 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 22 oktober 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div