← België

V. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 127

, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 127

, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Noch artikel 127, § 2, Wetboek van Strafvordering, noch enige andere bepaling verplicht de voorzitter van de raadkamer om zijn beslissing tot het bepalen van de rechtsdag voor de regeling van de rechtspleging en zijn eventuele beslissing tot het bepalen van de termijn voor inzage en afschriftname van het dossier en voor het vragen van bijkomende onderzoekshandelingen door de onderzoeksrechter, op te nemen in een schriftelijke beschikking; het volstaat dat de voorzitter zijn desbetreffende beslissing of beslissingen meedeelt aan de griffier, die ze dan opneemt in zijn gerechtsbrief gericht aan de partijen en aldus bestaat geen twijfel erover dat die gerechtsbrief wel degelijk de beslissing of beslissingen van de voorzitter van de raadkamer weergeeft. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 127

, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 127, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.24.0313.N R. V., burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Ben Leyman, advocaat bij de balie Oudenaarde, met kantoor te 9620 Zottegem, Provinciebaan 62, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen

  1. D. D. B., inverdenkinggestelde,
  2. T. D. B., inverdenkinggestelde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 8 februari
  3. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 61quinquies en 127 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de eiseres haar verzoekschrift overeenkomstig de artikelen 61quinquies en 127 Wetboek van Strafvordering laattijdig ter griffie heeft neergelegd op 22 juni 2023, dit is na de termijn voor het indienen van dat verzoekschrift, die bij gerechtsbrief van 15 mei 2023 was bepaald van 1 juni 2023 tot en met 21 juni 2023; die termijn kon echter pas eindigen op de laatste dag vóór de rechtszitting van de raadkamer voor de regeling van de rechtspleging, bepaald op 23 juni 2023; die termijn wordt bovendien niet bepaald door de griffier, maar wel door de voorzitter van de raadkamer; het dossier bevat geen beschikking van de voorzitter, noch een uittreksel van het in artikel 127, § 2, Wetboek van Strafvordering bedoelde register; uit het feit dat de bij de gerechtsbrief toegekende inzagetermijn langer was dan de minimumtermijn van vijftien dagen, kan het arrest niet afleiden dat de beslissing tot het bepalen van die termijn door de voorzitter van de raadkamer is genomen; bijgevolg bestaat er twijfel of de inzagetermijn wel door de bevoegde persoon is bepaald; bij gebrek aan zekerheid daarover moet ervan worden uitgegaan dat er geen termijn is bepaald en had de eiseres het recht om tot de dag vóór de rechtszitting een verzoek tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen te richten aan de onderzoeksrechter; door de eiseres dat recht te ontzeggen, worden haar recht om te beschikken over de nodige tijd en faciliteiten ter voorbereiding van haar verdediging en haar recht om getuigen à charge en à décharge op te roepen miskend.
  5. Artikel 127, § 2 en § 3, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “§
  6. De raadkamer laat ten minste vijftien dagen vooraf in een daartoe bestemd register ter griffie melding maken van plaats, dag en uur van verschijning. De termijn wordt teruggebracht tot drie dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt. De griffier stelt de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij, degene die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd en hun advocaten in kennis per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg dat het dossier op de griffie in origineel of in kopie ter beschikking ligt, dat ze er inzage van kunnen hebben en er kopie van kunnen opvragen. Ze kunnen zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van het dossier nemen ter plaatse. §
  7. Binnen de in § 2 bepaalde termijn kunnen de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 61quinquies verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. In dat geval wordt de regeling van de rechtspleging geschorst. Als het verzoek definitief is behandeld, wordt de zaak opnieuw vastgesteld voor de raadkamer overeenkomstig de in § 2 bepaalde vormen en termijnen. De inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij kunnen een verzoek overeenkomstig artikel 90septies, § 6, tweede lid aan de onderzoeksrechter richten. De verzoeken vermeld in deze paragraaf dienen op straffe van niet ontvankelijkheid toegezonden aan of neergelegd te worden op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn.”
  8. Die paragrafen laten de voorzitter van de raadkamer toe de termijn waarbinnen de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij het dossier kunnen inzien of kopiëren, dan wel de onderzoeksrechter kunnen verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten, te laten eindigen op een datum die voorafgaat aan de datum van de rechtszitting voor de regeling van de rechtspleging, waarvan hij melding laat maken in het daartoe bestemde register. Enkel is vereist dat die termijn minstens vijftien dagen bedraagt vanaf de kennisgeving van die melding.
  9. Noch artikel 127, § 2, Wetboek van Strafvordering, noch enige andere bepaling verplicht de voorzitter van de raadkamer om zijn beslissing tot het bepalen van de rechtsdag voor de regeling van de rechtspleging en zijn eventuele beslissing tot het bepalen van de termijn voor inzage en afschriftname van het dossier en voor het vragen van bijkomende onderzoekshandelingen door de onderzoeksrechter, op te nemen in een schriftelijke beschikking. Het volstaat dat de voorzitter zijn desbetreffende beslissing of beslissingen meedeelt aan de griffier, die ze dan opneemt in zijn gerechtsbrief gericht aan de partijen. Aldus bestaat geen twijfel erover dat die gerechtsbrief wel degelijk de beslissing of beslissingen van de voorzitter van de raadkamer weergeeft.
  10. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. Met de redenen die het arrest bevat en waarmee het in dezelfde zin oordeelt, verantwoordt het naar recht de beslissing dat het verzoekschrift van de eiseres overeenkomstig de artikelen 61quinquies en 127 Wetboek van Strafvordering laattijdig is neergelegd en derhalve niet ontvankelijk is. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  12. In zoverre het onderdeel schending van artikel 6 EVRM aanvoert, is het afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 226 Strafwetboek en artikel 128 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat er lastens de verweerders onvoldoende bezwaren zijn om hen naar de vonnisrechter te verwijzen en dat er geen noodzaak is om de onderzoeksrechter te gelasten met het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen; van een diepgaand onderzoek is geen sprake; uit de in het onderdeel vermelde gegevens blijkt dat er wel degelijk bezwaren bestaan dat de verweerders aanzienlijke sommen van de erflater hebben ontvangen en dat zij ten onrechte beweren van niets te weten.
  14. Het onderdeel komt in zijn geheel op tegen het onaantastbare oordeel van het arrest over de bezwaren of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest motiveert onvoldoende waarom het niet ingaat op het verzoek van de eiseres tot het bevelen van bijkomende onderzoekshandelingen, bestaande in een onderzoek naar de bankrekeningen en de bankkluis en de oproeping van een bankbediende als getuige; het arrest is eveneens tegenstrijdig gemotiveerd, nu het enerzijds oordeelt dat er sprake zou zijn van een “fishing expedition" gesteund op eenzijdige beweringen van de eiseres die niet worden gestaafd en het anderzijds oordeelt dat de eiseres zelf reeds de dienstige stukken heeft neergelegd zodat de eiseres aldus wel degelijk bewijzen aanbrengt, minstens een begin van bewijs; voor het overige wordt de beslissing dat er onvoldoende bezwaren bestaan om de verweerders te verwijzen naar de vonnisrechter niet gemotiveerd; het arrest beperkt zich tot een eenvoudige overname van de schriftelijke vordering van de procureur-generaal; alle andere middelen die de eiseres heeft aangebracht, worden niet beantwoord noch gemotiveerd, maar daarentegen geminimaliseerd door deze te bestempelen als loutere "meningsverschillen in een getroebleerde familie".
  16. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die de rechtspleging regelen. Die beslissingen, ook wanneer zij een buitenvervolgingstelling bevatten, zijn immers geen vonnissen in de zin van dat artikel. In zoverre het onderdeel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  17. In zoverre het onderdeel niet preciseert welk bij conclusie aangevoerd verweer het arrest niet beantwoordt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  18. Met de redenen die het arrest (p. 9-11) bevat, aangevuld met de redenen van de vordering van het openbaar ministerie die het arrest overneemt, beantwoordt het wel degelijk het in het onderdeel aangehaalde verweer van de eiseres, zonder te moeten antwoorden op elk tot staving van dat verweer aangevoerde argument dat geen zelfstandig verweer uitmaakt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  19. Het arrest oordeelt eensdeels: “Een bankonderzoek bij de beide [verweerders] over de lange periode die wordt aangehaald is niet relevant en evenmin geoorloofd nu dergelijk onderzoek neerkomt op een “fishing expedition”, temeer er, behoudens de eenzijdige en door niets aanneembaar gemaakte beweringen van [de eiseres], geen ernstige aanwijzingen zijn van bewegingen op deze rekeningen die verder onderzoek zou billijken. Eenzelfde overweging ligt bovendien voor inzake het al dan niet aanhouden van een bankkluis door [de verweerders] en inzake door hen aangegane woonkredieten.” Met overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie oordeelt het anderdeels: “[De eiseres] heeft het ook over tal van overschrijvingen van de rekening van [de erflater] naar de rekeningen van [de verweerders] dan wel rechtstreeks naar de rekening van diverse schuldeisers van [de verweerders]. [De eiseres] legt een reeks bankafschriften voor die dit moet aantonen. Doch uit niets blijkt dat de stortingen naar diverse derden bestemd zouden zijn om schuldeisers van [de verweerders] te betalen. De stortingen naar [de verweerders] zelf zijn eerder beperkt, dateren vaak van jaren voor het overlijden en het is niet duidelijk waarvoor deze stortingen dienden. Het is niet duidelijk of deze al dan niet tot de nalatenschap behoorden.” Die redenen sluiten elkaar niet uit noch doen zij elkaar teniet. Aldus zijn zij niet tegenstrijdig. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 90,61 euro, waarvan 55,61 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 22 oktober 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130514.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.