id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 6 De rechter weegt het verzoek van de beklaagde tot voeging van bepaalde gegevens uit een ander strafdossier en de eraan ten grondslag liggende redenen af tegen de eventuele redenen om niet op dat verzoek in te gaan; bij dit laatste kan de rechter onder meer rekening houden met de mate waarin het recht op tegenspraak wordt gevrijwaard door de reeds aanwezige gegevens en met beletsels voor de voeging van de gevraagde gegevens, zoals het geheim van een nog lopend strafonderzoek, de bescherming van de privacy van derden en de afscherming van bepaalde opsporings- en onderzoekstechnieken, maar de rechter dient daarbij steeds het eerlijk proces in zijn geheel te waarborgen en waar mogelijk te voorzien in compenserende waarborgen voor het ontbreken van bepaalde gegevens in het strafdossier
(1).
(1)Zie Cass. 31 oktober 2023, AR P.23.0998.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.2, AC 2023, nr.
- Cass. 31 oktober 2023, AR P.23.0893.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1, AC 2023, nr.
- Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 7 - 11 Indien een beklaagde verzoekt om een getuige te horen louter over de wijze waarop bewijs is verzameld, zoals een verbalisant over de geautomatiseerde technieken waarmee informaticagegevens aan elkaar worden gekoppeld, dient de rechter dit verzoek niet te toetsen aan de drie criteria die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende het door artikel 6.1. en 6.3.d gewaarborgde recht om een getuige à charge onder eed te horen op de rechtszitting
(1); het feit dat een verbalisant bepaalde aspecten van die bewijsverzameling heeft vermeld in een proces-verbaal, leidt niet tot een ander besluit; de rechter oordeelt in dat geval onaantastbaar of het horen van de getuige noodzakelijk is voor de beoordeling van de regelmatigheid van de procedure; het feit dat de partij die om het verhoor van de getuige verzoekt, niet enigszins aannemelijk maakt dat er een ernstige grond tot betwisting van de bewijsverkrijging bestaat, kan de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige verantwoorden, hetgeen eveneens het geval is wanneer het gaat om bewijsverkrijging die de uitkomst van de zaak niet op een doorslaggevende wijze kan bepalen.
(1)Zie Cass. 31 oktober 2023, AR P.23.0998.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.2, AC 2023, nr.
- Cass. 31 oktober 2023, AR P.23.0893.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1, AC 2023, nr.
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Tekst van de beslissing Nr. P.24.0858.N Y. E. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Martelaarslaan 134, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 8 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: het arrest oordeelt met overname van de redenen van het beroepen vonnis, aangevuld met eigen redenen, dat de eiser wel degelijk de gebruiker is van de SKY ECC PIN CTU0YM, voorheen de PINs 490101, QBTDKG en ED6ZRE; het arrest beantwoordt evenwel niet eisers bij appelconclusie gevoerde verweer waarbij hij de vaststellingen van de eerste rechter heeft betwist.
- Het arrest (p. 95-100) stelt vast dat er sinds de procedure in eerste aanleg meerdere stukken aan het strafdossier zijn toegevoegd en het verwerpt eisers verweer dat er onvoldoende informatie voorligt om hem te identificeren als gebruiker van de vermelde PINs alsook zijn verweer dat hij niet in Dubai heeft verbleven. Verder somt het arrest (p. 95-99) meerdere inhoudelijke gegevens uit de met de PIN CTU0YM tot stand gebrachte contacten op, waaruit zonder twijfel blijkt dat die PINs wel degelijk aan de eiser toebehoorden en dat de eiser zich wel degelijk in Dubai bevond. Met die redenen verwerpen en beantwoorden de appelrechters het verweer dat de eiser voor hen heeft gevoerd, zonder dat zij nog specifiek dienden in te gaan op elk tot staving van dat verweer aangevoerde argument van de eiser, dat geen zelfstandig verweer uitmaakte. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het arrest identificeert de eiser als gebruiker van de PIN CTU0YM in werkelijkheid enkel op grond van de communicatie met betrekking tot een eerdere strafrechtelijke veroordeling van de eiser bij een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 juni 2019; de eiser werd nooit eerder geconfronteerd met de desbetreffende beweringen of gevolgtrekkingen; geen enkel proces-verbaal inzake de identificatie van de eiser maakt melding van deze communicatie of legt een link naar die strafrechtelijke veroordeling; evenmin heeft het openbaar ministerie deze argumentatie opgeworpen in een conclusie; de appelrechters hanteren deze motivering dan ook voor het eerst; de beschikbare gedecrypteerde communicatie betreft tientallen duizenden berichten, waaruit de appelrechters uit eigen beweging enkele berichten lichten die in het dossier nooit eerder werden besproken en die van overwegend belang zijn voor de identificatie van de eiser; de eiser heeft dienaangaande nooit enige tegenspraak kunnen voeren, noch enig verweer kunnen aanwenden; het recht op tegenspraak van de eiser is dan ook miskend.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat de met de PIN CTU0YM verstuurde berichten over de vroegere veroordeling van de eiser en de link die op grond daarvan kan worden gemaakt tussen de eiser en die PIN niet blijken uit processen-verbaal inzake de identificatie van de eiser of nooit in de loop van het onderzoek of ter rechtszitting ter sprake zijn gekomen, verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is.
- Hetzelfde geldt voor de aanvoering dat er tientallen duizenden berichten zijn met betrekking tot eisers identificatie als gebruiker van de PINs 490101, QBTDKG en ED6ZRE.
- In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
- Weliswaar houdt het arrest (p. 95-99) voor wat betreft de identificatie van de eiser als gebruiker van de PINs CTU0YM, 490101, QBTDKG en ED6ZRE hoofzakelijk rekening met de inhoud van de met die PINs uitgewisselde berichten, maar het beperkt die inhoud niet tot berichten over eisers vermelde veroordeling. Het arrest wijst integendeel ook op: - de dagelijkse contacten met de broer van de eiser, onder meer over havenactiviteiten die verband houden met de aan de eiser ten laste gelegde feiten; - het feit dat de eiser zich volgens de inhoud van zijn berichten in Dubai bevindt, wat een impact heeft op de lokalisatie van zijn communicaties; - het feit dat de appelrechters aan de hand van de verschillende spraakberichten die zij konden beluisteren, gevoerd met PINs CTU0YM, ED6ZRE en QBTDKG, van oordeel zijn dat dit telkens één en dezelfde stem betreft en het dus één en dezelfde gebruiker betreft; - het feit dat de eiser, in tegenstelling tot zijn suggestie op de rechtszitting dat de gebruiker van de PIN CTU0YM Nederlandse roots heeft, die gebruiker volgens de inhoud van zijn berichtgeving wel degelijk uit Antwerpen afkomstig is. In zoverre het onderdeel al die vaststellingen niet in de kritiek betrekt, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- De identificatie van de eiser als gebruiker van de PINs CTU0YM, 490101, QBTDKG en ED6ZRE, de met die PINs uitgewisselde berichten en het veroordelend arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 juni 2019 waren in het debat. De eiser diende bij zijn verdediging rekening ermee te houden dat de appelrechters die gegevens in hun beoordeling over de identificatie van de eiser zouden betrekken. Het recht op een eerlijk proces met inbegrip van het recht op tegenspraak vereist niet dat de appelrechters hun desbetreffende standpunt vooraf aan de eiser ter kennis brachten opdat die daarover zijn zienswijze kon laten kennen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het arrest oordeelt dat uit de inhoud van de berichten verstuurd met de aan de eiser toegeschreven PIN zou blijken dat de eiser zich in Dubai ophoudt, ofschoon de eiser dat steeds heeft betwist; met de redenen die het vermeldt en die enkel slaan op de inhoud van communicaties, toont het arrest echter niet aan dat de eiser de gebruiker is van deze PIN, laat staan dat hij in Dubai zou verblijven; aldus geeft het arrest aan de communicaties die het aanhaalt een uitlegging die verder gaat dan wat daarin is vermeld en miskent het de bewijskracht van die communicaties; om te antwoorden op eisers verweer dat hij niet in Dubai verbleef, moesten de appelrechters bovendien onderzoeken en vaststellen waar de eiser, en niet enkel de aan hem toegeschreven PIN, zou hebben verbleven in die periode; daarvoor is de inhoud van de communicatie onvoldoende omdat deze inhoud van de communicatie maar relevant wordt van zodra deze communicatie kan worden toegerekend aan de eiser; de appelrechters hanteren in werkelijkheid een cirkelredenering en derhalve een gebrekkige motivering.
- Na de eiser met onder meer de redenen vermeld onder het tweede onderdeel te hebben geïdentificeerd als gebruiker van de PINs CTU0YM, 490101, QBTDKG en ED6ZRE, oordeelt het arrest (p. 98) als volgt: “Uit onderlinge communicaties gevoerd tussen PIN CTU0YM en 1C445C kan worden afgeleid dat CTU0YM zich in Dubai bevindt. In verstuurde tekstberichten van PIN CTU0YM naar PIN 1RMKXQ bevestigde CTU0YM op 5 februari 2021 in het gezelschap geweest te zijn van iemand die ook in Dubai woont. Op 15 januari 2021 laat PIN 4K907Y weten 'volgende week kom ik naar Dubai' waarop PIN CTU0YM antwoordt ‘inshallah'. In communicatie met PIN 7YNAQG bevestigt PIN CTU0YM dat het waar hij is 'lekker weer is' 'fuck belgie' 'binnenkort te warm' 'hier hittegolf vanaf juli'. Aan PIN 78A57D zegt PIN CTU0YM zelf 'zeg kom dubai beste'. PIN BT8JN1 vraagt aan PIN CTU0YM op 4 februari 2021 'Ken je iemand hier in Dubai die zn klokjes verkoopt' waarna ze samen een afspraak maken om bij iemand langs te gaan. Niettegenstaande door de verdediging werd beweerd dat [de eiser] zich niet in Dubai ophield blijkt, naar het oordeel van het hof (van beroep), uit de samenlezing van deze verschillende berichten het tegenovergestelde. Dit bevestigt verder de reden waarom geen Belgische mastgegevens met betrekking tot zijn SKY-communicatie konden voorgelegd worden én het gegeven dat de verschillende IMEI-nummers niet gecapteerd werden in België maar wel roaming namen in Dubai.”
- Met die redenen geeft het arrest geen uitlegging van de aangehaalde communicaties, maar beoordeelt het onaantastbaar de bewijswaarde ervan. Bijgevolg miskent het arrest de bewijskracht van die communicaties niet. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Die redenen, waarmee het arrest oordeelt dat de eiser wel degelijk verbleef op de plaats waar de aan hem toegeschreven PIN werd gelokaliseerd, wijzen niet op een kringredenering en zijn niet gebrekkig gemotiveerd. Met die redenen is het arrest integendeel regelmatig gemotiveerd. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en de motiveringsverplichting: het arrest oordeelt in het algemeen dat alle metadata ter beschikking zijn gesteld en er zich bijgevolg geen enkele bijkomende voeging van gegevens opdringt; daarmee beantwoordt het arrest niet eisers bij appelconclusie gevoerde verweer dat niet alle metadata aanwezig waren omdat een aantal aan de eiser toegeschreven IMEI-nummers niet voorkomen op de door het openbaar ministerie overgelegde lijst van metadata; bovendien stemt de motivering van het arrest niet overeen met de werkelijkheid aangezien uit de motivering van het arrest eveneens blijkt dat de PCAP-bestanden, die een onderdeel zijn van deze metadata, slechts gedeeltelijk aan het strafdossier zijn gevoegd; door het ontbreken van bepaalde metadata kon geen werkelijke tegenspraak worden gevoerd; het arrest motiveert evenmin waarom het niet ingaat op eisers verzoek om ter vrijwaring van zijn recht van verdediging alle metadata te voegen omdat bepaalde bestandsmappen niet leesbaar waren; doordat niet is ingegaan op eisers desbetreffende verzoek is ook zijn recht op tegenspraak miskend.
- Het arrest oordeelt dat het de schuldigverklaring van de eiser aan de hem ten laste gelegde feiten hoofdzakelijk steunt op de inhoud van de communicaties gedaan met de aan hem toegeschreven PINs.
- Uit de in het onderdeel aangehaalde redenen van het arrest blijkt niet dat slechts een deel van de metadata werd gevoegd. Dat blijkt meer bepaald niet uit het feit dat het arrest (p. 66) het heeft over “een deel van PCAP’s”.
- Het arrest oordeelt bovendien niet zonder meer dat alle metadata met betrekking tot de door de eiser gebruikte PINs volledig aan het strafdossier werden toegevoegd. Het (p. 62-64) beschrijft ook de wijze waarop dit is gebeurd, namelijk in het HTML-bestand, de bestandsmappen en de Excelbestanden die het opsomt en het verduidelijkt dat er niet slechts een selectie van data wordt meegedeeld, maar wel degelijk de volledige set van data beschikbaar is gesteld en is gekoppeld aan de door de eiser gebruikte PINs. Het arrest (p. 57) oordeelt eveneens: “Het hof (van beroep) stelt vast dat de PINS én evident de daar bijhorende IMEI-nummers dewelke kunnen worden toegeschreven aan [de eiser] niet vermeld zijn in de gevoegde vorderingen nu het onderzoek heeft aangetoond dat deze niet onder de Belgische zendmasten vielen en de metadata hebben aangetoond dat al deze PINS roaming namen in Dubai”, alsook (p. 98): “Niettegenstaande door de verdediging werd beweerd dat [de eiser] zich niet in Dubai ophield blijkt, naar het oordeel van het hof (van beroep), uit de samenlezing van deze verschillende berichten het tegenovergestelde. Dit bevestigt verder de reden waarom geen Belgische mastgegevens met betrekking tot zijn SKY-communicatie konden voorgelegd worden én het gegeven dat de verschillende IMEI-nummers niet gecapteerd werden in België maar wel roaming namen in Dubai”.
- Over de leesbaarheid van de bestandsmappen oordeelt het arrest (p. 13-14) onder de hoofding “4.4.2 Beschikbaarheid en leesbaarheid van de neergelegde stukken” onder meer: “Ter terechtzitting van het hof (van beroep) d.d. 13 maart 2024 werd aan de verdediging van [de eiser] op haar verzoek nog een bijkomende termijn verleend naar de zitting van 28 maart 2024 om kennis te nemen van de omzetting van de gedecrypteerde berichten van excel naar html (OS BAIO03244) waardoor deze leesbaarder en gemakkelijker raadpleegbaar werden gemaakt. Rekening houdend met alle concrete elementen van de gehele rechtspleging, dient het hof (van beroep) dan ook vast te stellen dat beklaagden ten allen tijde over alle mogelijkheden, tijd en faciliteiten beschikten om hun verdediging ter zitting adequaat te voeren en alle gewenste middelen naar voren te brengen. Zij konden daarbij vrij tegenspraak voeren omtrent alle voorliggende dossiergegevens en elk voor hen gunstig verweer doen gelden. De rechten van verdediging van beklaagden werden dan ook geenszins geschonden.”
- Het onderdeel dat geen acht slaat op die redenen, waarmee het arrest bovendien het verweer van de eiser beantwoordt, mist feitelijke grondslag.
- De beweerde miskenning van het recht op tegenspraak van de eiser is afgeleid uit die onjuiste lezing van het arrest. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces: het arrest beantwoordt niet eisers verzoek om de zogenaamde brondata te kunnen raadplegen die oorspronkelijk waren overgemaakt door de Franse autoriteiten; in de opsomming van de beschikbare data door het arrest (p. 62-63) wordt geen melding gemaakt van PCAP-bestanden, noch van enig bestand in de vorm zoals weergegeven in de bijlagen van het proces-verbaal 515608/2022 van 26 juli 2022; de eiser verzocht dan ook in zijn appelsyntheseconclusie om deze gegevens te verkrijgen opdat tegenspraak mogelijk zou zijn; de appelrechters zelf stellen dat maar een deel van de PCAP-bestanden beschikbaar is; weliswaar steunt het arrest de zogenaamde betrouwbaarheid van de verkregen gegevens op een theoretisch model, maar de eiser moet zelf kunnen oordelen of bepaalde elementen van het dossier moeten worden becommentarieerd en dient daarom zelf toegang te krijgen tot de originele brondata.
- Het feit dat de strafvervolging lastens een beklaagde steunt op een selectie van digitale gegevens die lastens meerdere personen zijn verzameld in een afzonderlijk onderzoeksdossier, belet niet dat die beklaagde in principe het recht heeft om te beschikken over alle gegevens vereist voor de behoorlijke uitoefening van zijn recht van verdediging. Tot die gegevens kunnen bronbestanden behoren die aan de oorsprong liggen van andere door het onderzoek opgeleverde gegevens. Dat recht is evenwel niet absoluut. Het staat aan de beklaagde om aan de hand van concrete elementen enigszins aannemelijk te maken dat in de voorliggende zaak de voeging van die gegevens vereist is om zijn recht van verdediging daadwerkelijk uit te oefenen. Dit kan onder meer het geval zijn wanneer de beklaagde enigszins aannemelijk maakt dat die gegevens onbetrouwbaar zijn of dat uit die gegevens een bepaalde onregelmatigheid blijkt, dan wel een bepaald element met een relevante impact op de beoordeling van de strafvordering. Algemene beschouwingen over het recht op tegenspraak of speculaties over mogelijke onregelmatigheden of ontbrekende bewijselementen à décharge volstaan echter niet wanneer er ernstige redenen bestaan om de gevraagde voeging van gegevens te weigeren. De rechter weegt het verzoek van de beklaagde tot voeging van bepaalde gegevens en de eraan ten grondslag liggende redenen af tegen de eventuele redenen om niet op dat verzoek in te gaan. Bij dit laatste kan de rechter onder meer rekening houden met de mate waarin het recht op tegenspraak wordt gevrijwaard door de reeds aanwezige gegevens en met beletsels voor de voeging van de gevraagde gegevens, zoals het geheim van een nog lopend strafonderzoek, de bescherming van de privacy van derden en de afscherming van bepaalde opsporings- en onderzoekstechnieken. De rechter dient daarbij steeds het eerlijk proces in zijn geheel te waarborgen en waar mogelijk te voorzien in compenserende waarborgen voor het ontbreken van bepaalde gegevens in het strafdossier. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De appelrechters oordelen onder meer als volgt: - er is geen noodzaak om nog andere stukken aan het strafdossier toe te voegen om de regelmatigheid van de bewijsgaring te kunnen controleren, onder meer rekening houdend met de vermoede loyaliteit van het openbaar ministerie en de politie, de privacy van derden, het geheim van nog lopende strafonderzoeken, de volledigheid van de reeds bij het strafdossier gevoegde stukken en het feit dat de eiser niet aannemelijk maakt dat er in andere strafdossiers sprake is van onregelmatigheden of dat de gevraagde voegingen noodzakelijk zijn voor het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces (p. 19-24); - uit het proces-verbaal 515608/2022 blijkt dat de aankoop van de SKY ECC-toestellen door de politie op een louter technisch niveau heeft bijgedragen tot het onderzoek in die zin dat de toestellen enkel werden gebruikt ter controle van de juistheid van de koppeling tussen SKY PIN en MEID, zonder dat dit als dusdanig bewijs uitmaakt (p. 29-33); - het arrest komt volledig tegemoet aan het vereiste van het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM, zoals uitgelegd in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 26 september 2023, nr. 15669/20, inzake Yalçinkaya / Turkije: “Zoals in extenso in onderhavig arrest opgenomen is in casu de bewijsgaring wel degelijk geschied onder voortdurende onafhankelijke rechterlijke controle. Door de decryptie zijn berichten inhoudelijk leesbaar en raadpleegbaar gemaakt. Er is toegang voor alle procespartijen tot de metadata en de gedecrypteerde data voor zover deze betrekking hebben op de respectievelijke beklaagden, waarbij aangegeven wordt welke legitieme redenen voorhanden zijn om de toegang tot ALLE SKY-data te weigeren en waarom de politionele decryptietechniek niet wordt prijsgegeven” (p. 42-45); - de technische vooruitgang in de decryptiemogelijkheden werd begin 2021 van die aard dat kon worden besloten om vanaf 15 februari 2021 over te gaan tot het live decrypteren van de real time-datacommunicatie alsook tot het inhoudelijk decrypteren van de sedert 24 juni 2019 geïntercepteerde communicatie. De techniek voor de decryptie wordt niet prijsgegeven om bepaalde politionele technieken geheim te houden. Dit resulteert niet in een miskenning van het recht van verdediging omdat die techniek geen betrekking heeft op de inhoud zelf van de berichten, die door de decryptie slechts zichtbaar en leesbaar worden gemaakt. De geheimhouding rond de ontcijferingstechniek of decryptietechniek is tevens gerechtvaardigd nu er voldoende duiding en uitleg wordt gegeven over de asymmetrische encryptie waarmee de onderzoekers werden geconfronteerd (p. 58-60); - de verdediging heeft net als het hof van beroep kennis kunnen nemen van de beschikbare gegevens verkregen voor de in het strafdossier relevante PINs en zij kon hierover tegenspraak voeren. Er liggen geen redenen voor om te twijfelen aan de inhoud van deze SKY-data, noch zijn deze onbetrouwbaar. Alle metadata in verband met de communicaties van de eiser, alsook de beschikbare decrypties, zijn zonder selectie aan het strafdossier gevoegd, zodat daarover tegenspraak kan worden gevoerd en er geen sprake is van wapenongelijkheid; - de inhoud van tal van geïntercepteerde communicatie is ingevolge de decryptie, voor wat betreft het gedeelte dat tot op heden mogelijk was, leesbaar en begrijpelijk geworden. De gesproken berichten zijn perfect verstaanbaar en het hof van beroep kon zelf vaststellen dat de tekstberichten niet alleen perfect leesbaar zijn, maar ook dat de inhoud ervan overeenstemt met welbepaalde reële plaats- en tijdsaanduidingen; - alle metadata, dit zijn alle onderschepte gegevens met uitzondering van de effectieve inhoud van de communicaties, werden per voor de beklaagden relevante PINs wel degelijk mee neergelegd; - bij proces-verbaal werd op een begrijpelijke wijze uitgelegd hoe de SKY PINs en de IMEID op geautomatiseerde wijze aan elkaar werden gekoppeld. De nauwkeurigheid van de resultaten die met de combinatie van de vermelde protocollen werden verkregen, kon worden getest met de voorhanden zijnde SKY-toestellen en kan derhalve ook worden geraadpleegd en gecontroleerd en desgevallend door beklaagden worden voorgelegd aan en besproken met een eigen technisch raadsman (p. 61-69); - “Zoals hoger vermeld werden de resultaten van de interceptie op de SKY-servers bij OVH door de Franse autoriteiten opgeslagen en overgemaakt als PCAP-bestanden (Packet CAPture). Deze bestanden bevatten het onderschepte netwerkverkeer opgedeeld in pakketten. Teneinde de betrouwbaarheid van de gelegde link tussen IMEI en PIN te valideren, werd (zie hoger onder randnummer 4.4.11.5) nagegaan of de link IMEI-PIN op basis van de analyse van de geïntercepteerde data overeenkwam met de link die gelegd werd op grond van de uitlezing en analyse van de aangekochte en inbeslaggenomen SKY-toestellen. De betrouwbaarheid hiervan kan derhalve worden geverifieerd. Bijkomend verwijst het hof (van beroep) naar het gegeven dat reeds eenvoudige lezing van de gedecrypteerde berichten toelaat de authenticiteit ervan te beoordelen, wat een belangrijke compenserende factor betreft. De inhoud van de bekomen berichten sluit immers aan bij de overige dossierelementen, zoals het gebruik van de druggevoelige kaaien (…), het gegeven dat gekampt werd met de toen geldende coronapandemie, de onderlinge contacten waarbij chats ook nog eens gedeeld werden, e.d.m (zie verder). Er ligt dus objectief bewijsmateriaal voor, meer bepaald de duidelijke inhoud van de gedecrypteerde berichten en andere objectieve gegevens zoals gemeenschappelijke contacten, gebruikersnamen, ANPR-gegevens, gebruik van zendmasten of nét niet. De ganse chronologie van het SKY ECC onderzoek werd, zoals hoger aangetoond, transparant meegedeeld. Het staat dan ook vast dat de verdediging van beklaagden in rechte kennis heeft kunnen nemen van en vrij tegenspraak heeft kunnen voeren over alle stukken en andere gegevens die aan het oordeel van het hof werden voorgelegd. Zowel voor de eerste rechter als in graad van beroep hebben zij hun standpunt kenbaar kunnen maken met betrekking tot alle SKY-vaststellingen of om tegenstrijdigheden met andere elementen uit het voorliggend strafdossier naar voor te brengen.” (p. 87) - “De verdediging van [de eiser] stelt thans in graad van beroep dat bijkomend onderzoek zich opdringt. (…) Ook de originele brondata en de daarop gehanteerde analysemethodes moeten gevoegd worden dit om de authenticiteit van de verkregen dataset te verifiëren, nét als de hulpmiddelen/'toolbox' gebruikt door de politiediensten om de data leesbaar te maken. In zoverre dit argument betrekking heeft op het in vraag stellen van de decryptie en de authenticiteit verwijst het hof (van beroep) naar hetgeen hoger vermeld werd onder meer onder randnummer 4.4.
- Verder voegt het hof (van beroep) nog toe dat gelet op alle reeds voorliggende stukken en toelichtingen geen verdere technische uiteenzetting noodzakelijk is teneinde te begrijpen hoe SKY ECC in het algemeen georganiseerd was en op welke wijze de over deze in OVH gelegen servers verstuurde communicatie werd onderschept. Alle stukken desbetreffend werden reeds gevoegd aan huidig strafdossier. Zowel wat betreft de algemene structuur van SKY als wat betreft de concrete werking van SKY-toestellen ligt voldoende informatie, op transparante en heldere wijze, voor. (…).” (p. 88-89)
- In die omstandigheden maakt het feit dat de door de eiser gevraagde brongegevens niet aan het dossier werden gevoegd, geen miskenning uit van zijn recht op een eerlijk proces, met inbegrip van zijn recht op tegenspraak, aangezien de koppeling van de SKY PINs aan de IMEI-nummers van de gebruikte SKY ECC-toestellen, alsook de betrouwbaarheid van de verkregen gegevens, worden aangetoond aan de hand van aangekochte en in beslag genomen toestellen en worden bevestigd door de inhoud van de communicatie en andere gegevens die het arrest opsomt. Die omstandigheden maken afdoende compenserende waarborgen uit voor het niet beschikbaar stellen van de originele brondata. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt dat er niet dient te worden meegedeeld welke protocollen werden gehanteerd om over te gaan tot identificatie van de gebruikers van de SKY ECC-toestellen, omdat de resultaten voldoende nauwkeurig zouden zijn en ook betrekking hebben op concrete elementen die deel uitmaken van de bewijswaardering; als onderdeel van de identificatie verwijst het arrest naar de gehanteerde protocollen zoals beschreven in het proces-verbaal 515608/2022; uit het strafdossier blijkt nergens welke protocollen in casu werden gehanteerd bij de vooropgestelde identificatie; er wordt enkel in het algemeen weergegeven welke protocollen er voorhanden zijn om over te gaan tot identificatie; de eiser heeft verzocht om de in casu gehanteerde protocollen mee te delen; met het oordeel dat dit niet noodzakelijk was en dat de algemene omschrijving van de verschillende protocollen voldoende is, miskent het arrest het recht op tegenspraak, nu de eiser niet in kennis wordt gesteld van de gehanteerde protocollen in het kader van zijn beweerde identificatie; het recht op tegenspraak is eveneens miskend doordat de appelrechters hebben geweigerd om als getuigen ter rechtszitting de speurders te horen die aan de hand van deze protocollen de identificatie uitvoerden; anders dan het arrest oordeelt, hebben de speurders wel degelijk vaststellingen verricht waarop de strafvordering steunt en zijn zij te aanzien als getuigen à charge; enerzijds oordeelt het arrest dat de eiser de speurders wil horen ter verduidelijking van door hen gemaakte analyses, van de wijze waarop een PIN aan iemand wordt toegewezen en over de koppeling MEID-PIN; anderzijds oordeelt het arrest dat de eiser niet aangeeft welke concrete vaststelling zou zijn verricht door deze speurders; die redenen zijn tegenstrijdig; het arrest oordeelt dat de concrete details van het analyseren deel uitmaken van het politionele speurwerk en dus niet moet worden meegedeeld; nochtans zijn de verschillende protocollen die gehanteerd worden om tot identificatie over te gaan, weergegeven in een proces-verbaal; de eiser verzocht louter om aan te geven welke van deze protocollen in casu werden toegepast; daartoe dienden de betrokken verbalisanten te worden gehoord; door te motiveren dat dit betrekking had op politioneel speurwerk en het dienvolgens geheim moet worden gehouden, hanteert het arrest een motivering inzake de weigering van het horen van getuigen ter rechtszitting die strijdig is met het recht op tegenspraak.
- Met de redenen vermeld onder het tweede onderdeel, in het bijzonder de redenen vermeld onder de rubriek “4.4.
- Beperkte decryptie - filteringscriteria - beweerde ontbrekende metadata - koppeling PIN en IMEI - betrouwbaarheid van SKY-bewijs”, randnummer 4.4.11.5, motiveert het arrest (p. 66-69) waarom het niet-meedelen van de in eisers geval specifiek gehanteerde protocollen naar het oordeel van de appelrechters geen afbreuk doet aan zijn recht op een eerlijk proces met inbegrip van het recht op tegenspraak. Het arrest oordeelt daarbij, eensdeels, dat die protocollen behoren tot het geheim van het onderzoek en, anderdeels, dat de werkwijze voor de koppeling bij proces-verbaal duidelijk, transparant en begrijpelijk is uitgelegd en vatbaar is voor controle, terwijl de verdere identificatie van de gebruikers van de SKY PINs gekoppeld aan het IMEI of IMEID-nummer het voorwerp uitmaakt van het eigenlijke speurwerk, zoals in het arrest nader gepreciseerd. Het arrest dat op die gronden oordeelt dat de mededeling van verdere informatie over de toegepaste protocollen niet vereist is, verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en het daardoor gewaarborgde recht om een getuige à charge onder eed te horen op de rechtszitting, volgt dat de drie criteria ter beoordeling van het al dan niet bestaan van de verplichting om de getuige te horen en meer bepaald de juridische of feitelijke onmogelijkheid om de getuige te horen, het doorslaggevende karakter van de verklaring van de getuige bij de schuldbeoordeling en de aan- of afwezigheid van compenserende factoren, enkel gelden voor een getuige die tijdens het vooronderzoek belastende verklaringen heeft afgelegd over de schuld van de beklaagde aan hem ten laste gelegde feiten.
- Indien een beklaagde verzoekt om een getuige te horen louter over de wijze waarop bewijs is verzameld, zoals een verbalisant over de geautomatiseerde technieken waarmee informaticagegevens aan elkaar worden gekoppeld, dient de rechter dit verzoek niet te toetsen aan de drie voormelde criteria. Het feit dat een verbalisant bepaalde aspecten van die bewijsverzameling heeft vermeld in een proces-verbaal, leidt niet tot een ander besluit.
- De rechter oordeelt in dat geval onaantastbaar of het horen van de getuige noodzakelijk is voor de beoordeling van de regelmatigheid van de procedure.
- Het feit dat de partij die om het verhoor van de getuige verzoekt, niet enigszins aannemelijk maakt dat er een ernstige grond tot betwisting van de bewijsverkrijging bestaat, kan de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige verantwoorden. Dit is eveneens het geval wanneer het gaat om bewijsverkrijging die de uitkomst van de zaak niet op een doorslaggevende wijze kan bepalen.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- In verband met het door de eiser gevraagde getuigenverhoor oordeelt het arrest (p. 79-88, rubriek “4.4.
- Verhoor van getuigen ter terechtzitting”) onder meer als volgt: - de verdediging van de eiser vraagt drie speurders ter rechtszitting te horen: de eerste twee speurders ter verduidelijking van de door hen gehanteerde analyse van de metadata en hoe een bepaalde PIN aan iemand kan worden toegewezen en de derde speurder inzake het leggen van de link tussen MEID en PIN; - niemand van de door de verdediging gevraagde getuigen heeft op enigerlei wijze getuigenis gedaan van enige eigen vaststelling van een door hem gedane zintuiglijke waarneming die op enigerlei wijze, laat staan op een doorslaggevende wijze, kan dienen als grondslag voor een veroordeling van de beklaagden voor één van de hen ten laste gelegde misdrijven. De gevraagde getuigen zijn dan ook niet te beschouwen als getuigen à charge in de zin van artikel 6.3.d EVRM, die de appelrechters op gevaar van miskenning van het recht op een eerlijk proces ter rechtszitting zouden moeten horen; - de verdediging van beklaagden betwist geen “eigen” vaststellingen van de betrokken speurders en maakt bijgevolg het bestaan van een ernstige grond tot betwisting van de vaststellingen gedaan in het strafdossier niet aannemelijk. Evenmin ziet het hof van beroep aan de hand van de gegevens van het strafdossier enige grond tot betwisting van de gedane vaststellingen; - de rol van deze personen en de door hen verrichte onderzoeksdaden blijken duidelijk uit de voorliggende processen-verbaal en alle beklaagden hebben de kans gehad om daarover in een openbare rechtszitting tegenspraak te voeren; - de loyaliteit van de speurders wordt vermoed. Wanneer een beklaagde de onderzoekers verwijt onregelmatigheden te hebben begaan in het onderzoek, dient hij zijn beweringen aannemelijk te maken door middel van nauwkeurige en objectieve elementen. Voor het overige herhaalt het arrest (p. 83-88), in ondergeschikte orde, onder meer dat alle gevraagde informatie zich reeds in het strafdossier bevindt, dat verdere informatie niet wordt prijsgegeven ter bescherming van de gebruikte politionele technieken in het moederdossier, dat de aanwezige informatie over de gebruikte technieken duidelijk, betrouwbaar en transparant is en dat het bewijs in het bijzonder wordt geleverd door de inhoud van de gecapteerde berichten en de metadata die voor wat betreft de beklaagden integraal bij het strafdossier zijn gevoegd.
- Met die redenen, die niet tegenstrijdig zijn en waarmee het arrest eisers verweer tegenspreekt dat de hier bedoelde bewijsverkrijging doorslaggevend is voor de uitkomst van de zaak, verantwoordt het arrest de met het onderdeel bestreden beslissingen naar recht.
- Voor het overige is het onderdeel gericht tegen overtollige redenen en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 189ter en 235quater Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: de appelrechters oordelen dat er geen BOM-controle op grond van artikel 189ter Wetboek van Strafvordering dient te worden uitgevoerd in verband met de aankoop van SKY ECC-toestellen door undercoveragenten en dat de bevindingen van de infiltratie geen bewijs maar hoogstens een inlichting vormen; de appelrechters verwijzen naar het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 24 maart 2022, waarbij werd overgegaan tot een voorlopige controle van de bijzondere opsporingsmethoden, om vast te stellen dat er geen onregelmatigheden hebben plaatsgevonden en dat de eiser niet aannemelijk maakt dat dit alsnog zou zijn gebeurd; aldus geven de appelrechters aan het arrest van 24 maart 2022 een bindende kracht die het krachtens artikel 235quater Wetboek van Strafvordering niet heeft; de eiser heeft ter gelegenheid van die BOM-controle geen tegenspraak kunnen voeren, zodat de appelrechters hem het arrest van 24 maart 2022 niet kunnen tegenwerpen zonder zijn recht op tegenspraak te miskennen.
- In zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat een toepassing van artikel 189ter Wetboek van Strafvordering zich opdringt omdat de aankoop van SKY-toestellen door de politie een infiltratie zou betreffen. In het antwoord op dat verweer oordelen de appelrechters (arrest, “4.4.
- Infiltratie in het 'moederdossier' - de aankoop van SKY-toestellen door de politiediensten”, p. 30-33) niet dat het voormelde arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 24 maart 2022 bindende kracht heeft tegenover de eiser. De appelrechters verwijzen wel naar dat arrest als argument voor hun oordeel dat de eiser geen onregelmatigheid aannemelijk maakt. Daarnaast oordeelt het arrest dat de inzet van undercoveragenten voor de aankoop van SKY ECC-toestellen in het moederdossier geen betrekking heeft op de huidige strafprocedure en die aankoop niet als bewijsmiddel in het voorliggende strafdossier wordt aangewend, maar hoogstens een inlichting betreft. Het arrest oordeelt eveneens dat de aankoop en het bezit van een SKY ECC-toestel geen machtiging tot het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden vereist. Het arrest (p. 33) besluit als volgt: “De aankoop in vermelde context van een SKY-toestel, buiten elk concreet onderzoek, heeft geen uitstaans met de bijzondere opsporingsmethode van infiltratie en geeft geen aanleiding tot enige BOM-controle, noch impliceert dit een proactief onderzoek.” Aldus oordeelt het arrest niet zoals het middel aanvoert. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
- Gelet op de verwerping van het cassatieberoep, heeft het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissing over eisers onmiddellijke aanhouding, het cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 440,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 22 oktober 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231031.2N.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250121.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div