← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.6 Rolnummer: P.24.0853.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-10-25 Raadplegingen: 506 - laatst gezien 2026-06-15 07:51 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Geen enkele wettelijke bepaling vereist dat het vonnis wordt ondertekend door de rechter die overeenkomstig artikel 782bis, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals hier toepasselijk, door de voorzitter wordt aangewezen om een verhinderde kamervoorzitter op het ogenblik van de uitspraak te vervangen

(1)
(2).
(1)In casu werd het beroepen vonnis gewezen door een alleenzetelende rechter die in de onmogelijkheid was om het vonnis te ondertekenen en uit te spreken. De voorzitter heeft overeenkomstig artikel 782bis, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals toepasselijk op het ogenblik van de uitspraak, een andere rechter aangewezen om de verhinderde alleenzetelende rechter op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. Het vonnis was niet ondertekend door deze laatste rechter.
(2)Artikel 782bis, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek zoals van toepassing vóór de wijzing bij artikel 10 wet van 16 oktober 2022 (BS 24 oktober 2022), ingegaan op 1 april
  1. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 782bis, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - thans art. 782bis, zesde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0853.N A. V. H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Peter Gonnissen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 14 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 782bis, 785 en 786 Gerechtelijk Wetboek: de appelrechters oordelen ten onrechte dat het geen onregelmatigheid is dat in het beroepen vonnis de handtekening van de rechter J. Werbrouck, die dit vonnis heeft uitgesproken, ontbreekt (eerste onderdeel); de appelrechters motiveren ook niet waarom zij voorbijgaan aan artikel 785 Gerechtelijk Wetboek (tweede onderdeel).
  4. Geen enkele wettelijke bepaling vereist dat het vonnis wordt ondertekend door de rechter die overeenkomstig artikel 782bis, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals hier toepasselijk, door de voorzitter wordt aangewezen om een verhinderde kamervoorzitter op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. Het eerste onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
  5. Het arrest (p. 7, nr. 2.2.2) oordeelt dat uit artikel 782bis Gerechtelijk Wetboek niet volgt dat de andere rechter in dit artikel bedoeld, het uitgesproken vonnis dient te ondertekenen, dat de naleving van de vormvereisten vervat in dit artikel blijkt uit de vermeldingen in het beroepen vonnis zelf en uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 15 december 2023 waarop het beroepen vonnis werd uitgesproken en dat derhalve geen onregelmatigheden te onderkennen vallen. Met deze redenen beantwoorden en verwerpen de appelrechters het verweer van de eiser over het niet-ondertekenen van het beroepen vonnis door rechter J. Werbrouck. Het tweede onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: de appelrechters gaan voorbij aan het verweer van de eiser tegen de lange incriminatieperiode voor de telastlegging B; de appelrechters antwoorden niet op het verweer van de eiser dat de vaststellingen van de politie onjuist zijn, dat deze er slechts kwamen na een conflict met de moeder van het kind en dat deze het gevolg zijn van het feit dat de politie onder het gezag en onder druk van de burgemeester handelde, ten aanzien van wie de eiser een strijdbare houding aannam; het gevoerde onderzoek was éénzijdig en gebrekkig aangezien de eigen kinderen van de eiser niet als getuigen à décharge werden verhoord en omdat het strafdossier met betrekking tot het kind J.-P. M.S. geen verslagen van het begeleidende CLB, van de school of van kinderpsychiaters bevat; op grond van de tijdens het onderzoek afgelegde verklaringen is het ook onmogelijk om een incriminatieperiode van zo’n vier jaar aan te houden, hoogstens kan de incriminatie worden gesitueerd op 1 september
  7. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser aan de appelrechters heeft gevraagd getuigen à décharge te horen, dan wel kritiek heeft uitgeoefend op het gevoerde strafonderzoek. Hij kan de appelrechters dan ook niet verwijten niet te zijn ingegaan op die vraag of die kritiek. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  9. Artikel 149 Grondwet houdt voor de strafrechter niet de verplichting in om, bij afwezigheid van een conclusie, de voornaamste redenen voor de beslissing op de strafvordering op te geven of aan te geven hoe de elementen van het strafdossier bijdragen tot de constitutieve bestanddelen van de aan de beklaagde verweten misdrijven.
  10. Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling van de zaak houdt wel in dat de beslissing op de strafvordering met redenen moet zijn omkleed, ook als er geen conclusie is. Artikel 6.1 EVRM verplicht de strafrechter evenwel niet om het verweer van een beklaagde tot in de bijzonderheden te beantwoorden. De rechter moet wel de redenen vermelden die hem van de schuld of onschuld van de beklaagde hebben overtuigd. Hij moet daartoe op een wijze, die beknopt mag zijn, de voornaamste redenen opgeven, zonder dat die redenen noodzakelijkerwijze moeten slaan op alle bestanddelen van het misdrijf.
  11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. Met de redenen die het overneemt van het beroepen vonnis en met de eigen redenen (p. 8, nr. 2.4), vermeldt het arrest de voornaamste redenen voor de bewezenverklaring van de feiten van de telastlegging B. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen. Derde middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter (lees artikel 27) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de appelrechters erkennen de overschrijding van de redelijke termijn niet; nochtans is de redelijke termijn, mede gelet op de lange incriminatieperiode van de telastlegging B, overschreden; de eiser is immers pas berecht na meer dan 6,5 jaar, zonder rekening te houden met het cassatieberoep (eerste onderdeel); de appelrechters motiveren ook niet waarom zij de overschrijding van de redelijke termijn voor telastlegging B niet erkennen (tweede onderdeel).
  14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor het appelgerecht een redelijketermijnverweer heeft gevoerd. Het middel is derhalve nieuw en niet ontvankelijk. Vierde middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en de artikelen 13, 144, 145, 146, 151, 152, 154 en 157 Grondwet: de eerste rechter was partijdig door te oordelen “Ter zitting betwist de raadsman van de opposant alle feiten die hem worden ten laste gelegd, hetgeen evident zijn goed recht is, maar hetgeen aantoont dat de opposant niet bereid is verantwoordelijkheid op te nemen voor de hem ten laste gelegde feiten”; vermits de appelrechters de strafmaat van het beroepen vonnis bevestigen, betekent dit dat zij akkoord gaan met deze partijdige houding van de eerste rechter.
  16. Het arrest (p. 9, nr. 3.3) bevestigt de door de eerste rechter opgelegde bestraffing, niet door overname van de redenen van het beroepen vonnis, maar op grond van eigen motieven. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist derhalve feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 22 oktober 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.