← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.9 Rolnummer: P.24.1189.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-10-25 Raadplegingen: 600 - laatst gezien 2026-06-18 22:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Overeenkomstig artikel 792, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals hier toepasselijk, geeft de griffier binnen vijf dagen te rekenen van de uitspraak van de beslissing kennis aan elke partij of, in voorkomend geval, aan hun advocaten dat de beslissing raadpleegbaar is via de portaalwebsite van Justitie, maar die kennisgeving doet de termijn om een rechtsmiddel aan te wenden niet lopen

(1); de raadsman van een beklaagde (“dominus litis”) die zijn cliënt op de rechtszitting heeft laten bijstaan of vertegenwoordigen door een andere raadsman (“loco”), zodat het vonnis op tegenspraak ten aanzien van die beklaagde wordt uitgesproken, dient het nodige te doen om de datum van dat vonnis, tevens aanvangsdatum van de termijn van hoger beroep, te kennen en het gegeven dat de dominus litis geen kennisgeving heeft ontvangen overeenkomstig artikel 792 Gerechtelijk Wetboek, doet daaraan geen afbreuk
(1). Zie Cass. 28 juni 2022, AR P.21.1690.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.13, AC 2022, nr.
  1. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 792 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 203 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 792 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 203 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 792 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 203 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1189.N N. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Ibrahim El Ouahi, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 24 juni
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 792, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 174, 203, § 1, en 644 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters kunnen de afwezigheid van een overmachtssituatie, die de ontvankelijkheid van eisers laattijdig ingestelde hoger beroep zou verantwoorden, niet wettig afleiden uit de vaststelling dat de eiser wist of minstens behoorde te weten dat hij op 7 november 2022 door de politierechtbank werd veroordeeld omdat hij op deze rechtszitting werd vertegenwoordigd door een raadsman; de eiser heeft immers opgeworpen dat er een overmachtssituatie was omdat op de rechtszitting van 7 november 2022 een advocaat in vervanging van eisers raadsman (de “dominus litis”) is opgetreden, het beroepen vonnis de naam van de dominus litis niet vermeldt als raadsman van de eiser en de griffie de beschikbaarheid van een afschrift van het vonnis niet aan de dominus litis ter kennis heeft gebracht (eerste onderdeel); de appelrechters motiveren niet waarom het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard; nergens stellen zij effectief vast dat het hoger beroep laattijdig was (tweede onderdeel).
  4. Overmacht die de ontvankelijkheid verantwoordt van een laattijdig ingesteld hoger beroep, kan alleen voortvloeien uit een omstandigheid buiten de wil van de appellant en die door hem onmogelijk kon worden voorzien of vermeden.
  5. Overeenkomstig artikel 792, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals hier toepasselijk, geeft de griffier binnen vijf dagen te rekenen van de uitspraak van de beslissing kennis aan elke partij of, in voorkomend geval, aan hun advocaten dat de beslissing raadpleegbaar is via de portaalwebsite van Justitie. Die kennisgeving doet de termijn om een rechtsmiddel aan te wenden niet lopen.
  6. De raadsman van een beklaagde (“dominus litis”) die zijn cliënt op de rechtszitting heeft laten bijstaan of vertegenwoordigen door een andere raadsman (“loco”), zodat het vonnis op tegenspraak ten aanzien van die beklaagde wordt uitgesproken, dient het nodige te doen om de datum van dat vonnis, tevens aanvangsdatum van de termijn van hoger beroep, te kennen. Dat de dominus litis geen kennisgeving heeft ontvangen overeenkomstig artikel 792 Gerechtelijk Wetboek, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. Het bestreden vonnis (p. 4) oordeelt onder meer als volgt: - de verklaring van hoger beroep en de neerlegging van het grievenformulier op de griffie van de politierechtbank moest principieel gebeuren uiterlijk 30 dagen na 7 november 2022, datum waarop het beroepen vonnis werd uitgesproken en in dit geval was 7 december 2022 principieel de uiterste datum waarop de eiser hoger beroep kon instellen; - er wordt vastgesteld dat de eiser op de rechtszitting van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst, van 7 november 2022 werd vertegenwoordigd door een raadsman; - het loutere feit dat dit niet de dominus litis van het dossier betrof en dat de dominus litis niet staat vermeld op het beroepen vonnis doet aan deze vaststelling geen afbreuk; - bijgevolg hoorde (de raadsman van) de eiser op de hoogte te zijn van het feit dat op 7 november 2022 een vonnis werd uitgesproken; - aan de eiser werd dan ook geenszins het recht op het tijdig aantekenen van hoger beroep ontnomen en zijn recht van verdediging is niet miskend; - gelet op het voorgaande is er geen sprake van een overmachtssituatie die de eiser verhinderde om binnen de in artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn hoger beroep aan te tekenen; - de eiser wist, minstens behoorde te weten, dat hij op 7 november 2022 bij het beroepen vonnis strafrechtelijk werd veroordeeld en was in de mogelijkheid zijn verweer wat betreft het aangewende rechtsmiddel binnen de wettelijk voorziene termijn te organiseren.
  8. Op grond van die redenen, waarmee de appelrechters duidelijk en begrijpelijk de laattijdigheid van eisers hoger beroep en de redenen daarvoor vaststellen, kunnen zij wettig eisers verweer over het bestaan van een overmachtssituatie verwerpen en oordelen dat zijn recht van verdediging niet is miskend. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 22 oktober 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241022.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.176 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.