id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Art. 66
, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Decreten over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17 juli 2020 - 17-07-2020 - Art. 3.34 - 72 ELI link Pub nr 2020A43545 Thesaurus CAS: STEDENBOUW - ALLERLEI Wettelijke bepalingen:
Art. 66
, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Decreten over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17 juli 2020 - 17-07-2020 - Art. 3.34 - 72 ELI link Pub nr 2020A43545 Thesaurus CAS: ONROEREND EN ROEREND GOED Wettelijke bepalingen:
Art. 66
, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Decreten over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17 juli 2020 - 17-07-2020 - Art. 3.34 - 72 ELI link Pub nr 2020A43545 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1434.N ACCENT JOBS FOR PEOPLE nv, met zetel te 8800 Roeselare, Beversesteenweg 576, ON 0455.069.956, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Daan De Backer, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 september
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. De eiseres heeft op 24 oktober 2024 ter griffie een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot ingediend. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest oordeelt dat de herstelvordering tegen de eiseres zonder voorwerp is. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek: door te oordelen dat de eiseres nalatig is geweest door haar personeel onvoldoende op te leiden met betrekking tot de verplichtingen die de sectorale reglementering oplegt voor de huisvesting van buitenlandse uitzendkrachten en dat de misdrijven van verhuur van een ongeschikte woning bijgevolg moreel toerekenbaar zijn aan de eiseres, verantwoordt het arrest niet naar recht dat de eiseres schuldig is als mededader van de in artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen van 2021 bedoelde misdrijven, omschreven in de telastleggingen A.1 en A.2, en is die beslissing ook niet regelmatig met redenen omkleed; enkel een positieve daad kan worden beschouwd als een daad van strafbare deelneming; een nalatigheid of een verzuim kan slechts als een positieve daad van strafbare deelneming worden beschouwd wanneer het bewuste en opzettelijke stilzitten een ondubbelzinnige aanmoediging vormt voor het plegen van het misdrijf; een loutere nalatigheid, bestaande in een beweerd gebrek aan opleiding van het personeel, volstaat hiertoe niet.
- Het arrest oordeelt niet dat de eiseres schuldig is op grond van een loutere nalatigheid. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de eiseres schuldig werd verklaard op grond van een “zuivere nalatigheid”, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Artikel 66, derde lid, Strafwetboek stelt deelneming aan een misdaad of wanbedrijf strafbaar, met name wanneer de beklaagde door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp heeft verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd.
- Een uitzendkantoor kan zich schuldig maken aan de in artikel 66, derde lid, Strafwetboek bepaalde vorm van strafbare deelneming aan het misdrijf van het rechtstreeks of via tussenpersoon verhuren, te huur of ter beschikking stellen met het oog op bewoning van een niet-conforme of overbewoonde woning zoals bedoeld in artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen van 2021, wanneer het een noodzakelijke hulp levert voor het plegen van dat misdrijf, wat onder meer kan bestaan uit het aanbrengen van kandidaat-huurders. De omstandigheid dat het uitzendkantoor zelf geen eigenaar of verhuurder is van die woning en deze ook niet zelf ter beschikking stelt met het oog op bewoning, doet hieraan geen afbreuk.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 7, nr. 5.1) oordeelt als volgt: “Het staat niet ter discussie dat de woning […] gebreken vertoonde die haar ongeschikt maakten voor bewoning. Het hof [van beroep] verwijst naar de vaststellingen van de wooninspecteur in het aanvankelijk proces-verbaal. [De eiseres] was niet de eigenaar, verhuurder of onderverhuurder van die woning, en heeft die woning evenmin zelf ter beschikking gesteld. Zij heeft wel de huurders bij [M.] bv aangebracht en hielp hen met vragen over huren, waarborgen en afspraken. Soms werd ook de huurovereenkomst op het uitzendkantoor getekend […]. De huurder [L.] verklaarde dat hij enkel contact had met [de eiseres]. [E]en werknemer van [de eiseres] was bij de aanvankelijke vaststellingen van de wooninspecteur aanwezig omdat hij net een nieuwe bewoner in het pand had rondgeleid. Door deze actieve daden heeft [de eiseres] als tussenpersoon een onmisbare bijdrage geleverd aan de verhuur van de ongeschikte eengezinswoning aan [C.] en [T.] in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek. Als mededader moet zij niet zelf de hoedanigheid hebben van verhuurder, onderverhuurder of persoon die een woning ter beschikking stelt. Het is niet relevant of de [eiseres] al dan niet verplicht was om de staat van de woning te onderzoeken. [De eiseres] kende de toestand van de woning. Een werknemer van de vennootschap leidde de nieuwe huurders in die woning rond. Anders dan wat [de eiseres] voorhoudt, was de gebrekkige staat van de woning manifest zichtbaar voor elke bezoeker. Er is geen sprake van een onbewuste of onopzettelijke deelname. Door huurders aan te brengen voor een ongeschikte woning, heeft [de eiseres] wetens en willens meegewerkt aan de realisatie van het misdrijf van de telastleggingen A.1 en A.2.” Op grond van die redenen kunnen de appelrechters wettig oordelen dat de eiseres actieve daden heeft gesteld waardoor zij schuldig is als strafbare deelnemer in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek aan het in artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen van 2021 bedoelde misdrijf en omkleden zij die beslissing regelmatig met redenen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek: door te oordelen dat de eiseres moet worden beschouwd als mededader van de in artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen van 2021 bedoelde misdrijven zonder vast te stellen dat de eiseres wetens en willens aan die misdrijven heeft deelgenomen, verantwoordt het arrest de schuldigverklaring van de eiseres niet naar recht; de eiseres was niet op de hoogte van de gebreken aan de woning, wat onder meer blijkt uit het gegeven dat een lid van haar directiecomité zich niet eens realiseerde dat de huisvestingsregels werden miskend, alsook uit het feit dat zelfs de eigenaar van het pand zich niet bewust was van de omvang van de inbreuken; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de nieuwe huurders in de woning werden rondgeleid door een werknemer van de eiseres; de eiseres doet bovendien steeds een beroep op professionele verhuurders; er blijkt nergens uit dat de eiseres wetens en willens zou hebben deelgenomen aan de misdrijven, zodat zij door het beroepen vonnis terecht werd vrijgesproken; op grond van de vaststellingen in het arrest konden de appelrechters niet naar recht oordelen dat de eiseres wetens en willens heeft deelgenomen aan de misdrijven die werden gepleegd door de vennootschap die de eigenares is van de woning en haar bestuurder.
- Voor de toepassing van artikel 66, derde lid, Strafwetboek, is vereist dat de in die bepaling bedoelde verstrekte hulp of bijstand wetens en willens werd verleend, wat door de rechter onaantastbaar wordt beoordeeld. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde redenen blijkt dat het arrest oordeelt dat de gebrekkige staat van de woning manifest zichtbaar was voor elke bezoeker, de eiseres de toestand van de woning kende en één van haar werknemers de nieuwe huurders erin rondleidde. Het arrest leidt hieruit af dat er geen sprake is van een onbewuste of onopzettelijke deelname en de eiseres, door huurders aan te brengen voor een ongeschikte woning, wetens en willens heeft meegewerkt aan de realisatie van het misdrijf. Op grond van die redenen kan het arrest naar recht oordelen dat de eiseres wetens en willens een onmisbare bijdrage in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek heeft geleverd aan het in artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen van 2021 bedoelde misdrijf. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5 Strafwetboek: door de feiten moreel toe te rekenen aan de eiseres als rechtspersoon en haar schuldig te verklaren als strafbare deelnemer aan het in artikel 3.34 Vlaamse Codex Wonen van 2021 bedoelde misdrijf zonder vast te stellen dat de eiseres als rechtspersoon enige schuld treft, verantwoordt het arrest de veroordeling van de eiseres niet naar recht; er werd geen onderzoek gevoerd naar de interne organisatie en bedrijfsstructuur van de eiseres, noch naar de opleidingen die zij intern voor haar medewerkers organiseert; de eigen verantwoordelijkheid van de eiseres, met name een eigen schuldpatroon, kan niet worden afgeleid uit het strafdossier; het arrest oordeelt dat de misdrijven moreel moeten worden toegerekend aan de eiseres omdat zij haar personeel onvoldoende heeft opgeleid; uit de loutere omstandigheid dat er misdrijven werden gepleegd door het personeel van de eiseres en dat een lid van haar directiecomité onwetend was van het feit dat de kamers niet zomaar mochten worden verhuurd, kan niet worden afgeleid dat de eiseres hiervoor strafrechtelijk verantwoordelijk is; immers moet hiervoor een persoonlijke schuld van de eiseres als rechtspersoon worden vastgesteld; ook het oordeel dat de eiseres blijk zou geven van een structureel gebrek aan opleiding van haar personeel en dat er binnen de rechtspersoon onvoldoende aandacht was voor de wettelijke omkadering en de woonkwaliteitsvereisten, vindt geen steun in het strafdossier.
- In zoverre het middel gericht is tegen het vooronderzoek of het gebrek daaraan, is het niet gericht tegen het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel aanvoert dat de schuld van de eiseres als rechtspersoon, ingevolge een structureel gebrek aan opleidingen en onvoldoende aandacht voor de wettelijke omkadering en de woonkwaliteitsvereisten, niet kan worden afgeleid uit het strafdossier, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel eveneens niet ontvankelijk.
- Volgens artikel 5, eerste lid, Strafwetboek is een rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk voor de misdrijven die hetzij een intrinsiek verband hebben met de verwezenlijking van zijn doel of de waarneming van zijn belangen, of die, zoals blijkt uit de concrete omstandigheden, voor zijn rekening zijn gepleegd.
- Bij de invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon met de wet van 4 mei 1999 is de wetgever uitgegaan van een autonome strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Een rechtspersoon kan maar strafrechtelijk verantwoordelijk zijn indien in zijnen hoofde de aanwezigheid van het door de strafbepaling vereiste materieel en moreel misdrijfbestanddeel wordt vastgesteld.
- Wat het moreel misdrijfbestanddeel betreft, houdt dit in dat, afhankelijk van het geval, moet blijken dat de rechtspersoon heeft gehandeld met het vereiste bijzonder of algemeen opzet, onachtzaam is geweest dan wel heeft gehandeld met het vereiste deelnemingsopzet. Het moreel misdrijfbestanddeel moet dus ook op het niveau van de rechtspersoon blijken.
- Het autonoom karakter van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon belet de rechter niet bij de beoordeling van de aanwezigheid van het moreel misdrijfbestanddeel bij de rechtspersoon rekening te houden met het gedrag van de natuurlijke personen die handelen voor of namens de rechtspersoon. De rechtspersoon als fictieve entiteit handelt immers noodzakelijkerwijze via natuurlijke personen die hem juridisch of feitelijk besturen of voor zijn rekening optreden, zodat het gedrag van die personen bij de beoordeling van het moreel misdrijfbestanddeel van de rechtspersoon mee in aanmerking kan worden genomen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 7-8, nr. 5.2) oordeelt als volgt: “[De eiseres] wijst er zelf op dat zij er ingevolge een sectorale reglementering toe is gehouden om alles in het werk te stellen opdat een migrerende uitzendkracht zo snel als mogelijk een woonruimte zou vinden. De sectorale reglementering schrijft ook voor dat het uitzendbureau ervoor moet zorgen dat de aangeboden woonruimte beantwoordt aan de verschillende toepasselijke reglementeringen […]. De te last gelegde misdrijven kaderen in de verwezenlijking van het doel van [de eiseres] en de waarneming van haar belangen. Ze zijn haar materieel toerekenbaar. Het betreft geen éénmalige of accidentele fout. [De eiseres] heeft haar personeel onvoldoende opgeleid om aan deze sectorale verplichtingen te voldoen. Het hof [van beroep] verwijst naar de verklaring van [een] lid van het directiecomité van [de eiseres], die stelde dat mensen die elkaar niet kennen in één woning mogen samenwonen als ze daar zelf voor kiezen. Het was hem niet bekend dat een eengezinswoning niet zonder meer als kamerwoning mag worden verhuurd. Er was binnen de rechtspersoon manifest onvoldoende aandacht voor de wettelijke omkadering en de woonkwaliteitsvereisten. Dit staat in causaal verband met de opzettelijk gepleegde misdrijven die het personeel voor haar rekening pleegde. Bijgevolg kunnen de misdrijven ook moreel aan [de eiseres] worden toegerekend.” Op grond van die redenen kan het arrest naar recht oordelen dat de eiseres heeft gehandeld met het vereiste deelnemingsopzet en de misdrijven haar als rechtspersoon moreel kunnen worden toegerekend. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door te oordelen dat de eiseres schuldig is als strafbare deelnemer zonder te antwoorden op de argumenten die de eiseres in haar appelconclusie had aangevoerd over haar strafrechtelijke verantwoordelijkheid, omkleden de appelrechters de beslissing niet regelmatig met redenen.
- Met de redenen, vermeld in het antwoord op het tweede middel, beantwoordt het arrest het in het middel bedoelde verweer. Het middel mist bijgevolg feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 29 oktober 2024 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241029.2N.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div