← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.

P.24.1439.N Y. V.G., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Tom Van Overbeke, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Bruno Lietaert heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM: de eiser is sinds 7 december 2022 en dus reeds 22 maanden in België van zijn vrijheid beroofd; de duur van deze vrijheidsberoving overschrijdt de redelijke termijn; het arrest neemt bij de beoordeling van de redelijke termijn het gegeven in aanmerking dat het dossier werd meegedeeld op 11 oktober 2024 terwijl dit niet relevant is nu bij de beoordeling van de redelijke termijn de periode vanaf de vrijheidsbeneming tot de beslissing ten gronde in aanmerking moet worden genomen; het arrest oordeelt met overname van de motieven van de raadkamer dat de redelijke termijn niet is overschreden omdat nog verder onderzoek wordt verricht naar mededaders terwijl de onderzoeksrechter ter rechtszitting voor de raadkamer stelde dat het onderzoek naar een mededader kon worden afgesloten; het uitvoeren van verschillende onderzoekshandelingen heeft te lang geduurd en tot vertragingen geleid; zo ging een door de eiser op 17 maart 2024 vergeefs gevraagd confrontatieverhoor pas bijna drie maanden later door op vordering van het openbaar ministerie terwijl de eiser toen reeds 18 maanden in voorlopige hechtenis zat; het laatste verhoor van de eiser voorafgaand aan dat confrontatieverhoor dateert van 27 januari 2023; ook de vraag tot uitlevering van een persoon na het verrichten van een DNA-onderzoek kende maanden vertraging; de vertragingen zijn niet te wijten aan de complexiteit van de zaak of aan het internationaal karakter van het dossier maar aan de laattijdigheid waarmee de onderzoekhandelingen werden uitgevoerd.
  3. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  4. Volgens artikel 5.3 EVRM heeft eenieder die is gearresteerd of wordt gevangen gehouden, het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld.
  5. Uit die bepaling, die beoogt de individuele vrijheid te beschermen, volgt dat indien de duur van de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is, de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld.
  6. Er bestaat geen absolute of vaste termijn die tot gevolg heeft dat een voorlopige hechtenis niet langer redelijk is in de zin van artikel 5.3 EVRM. Het staat immers aan het onderzoeksgerecht om op concrete wijze te oordelen of in het licht van de feitelijke omstandigheden van de zaak, onder meer wat betreft de aard en de complexiteit van de feiten, de houding van de inverdenkinggestelde, de houding van de met opsporing belaste instanties en de stand van het gerechtelijk onderzoek, het door artikel 5.3 EVRM gewaarborgde recht van een persoon die van zijn vrijheid is beroofd om binnen een redelijke termijn te worden berecht, is miskend.
  7. Het onderzoeksgerecht moet zich voor die beoordeling plaatsen op het ogenblik van zijn beslissing. Dit belet niet dat het bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn het gegeven betrekt dat het gerechtelijk onderzoek op korte termijn zal worden afgesloten.
  8. Uit het loutere feit dat het openbaar ministerie na een eerste mededeling van het dossier door de onderzoeksrechter nog bijkomende onderzoekshandelingen vordert, volgt niet dat het onderzoeksgerecht moet aannemen dat de redelijke termijn is overschreden.
  9. Evenmin volgt uit het enkele gegeven dat een inverdenkinggestelde sedert geruime tijd niet meer werd verhoord dat de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is.
  10. Het Hof gaat na of het onderzoeksgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. Met de van de beroepen beschikking overgenomen redenen en met eigen redenen, waarbij wordt vastgesteld dat het onderzoek een normale voortgang heeft gekend en kent, beoordelen en verwerpen de appelrechters de aanvoering dat er sprake is van niet te verantwoorden vertragingen en het daaruit afgeleide redelijketermijnverweer. Op basis van die redenen kunnen zij wettig tot dit oordeel komen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 29 oktober 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241029.2N.26 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.