← België

Ç.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 203

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 203

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 5 Artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt, er bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt, conclusies kunnen worden neergelegd na het verstrijken van de vastgelegde conclusietermijnen, alsook dat de rechter ten gevolge hiervan nieuwe conclusietermijnen kan vastleggen en een nieuwe rechtsdag kan bepalen; die bepaling verplicht de rechter niet om aan een partij steeds een bijkomende conclusietermijn toe te kennen wanneer een andere partij een nieuw en ter zake dienend stuk overlegt en de rechter oordeelt op grond van de hem concreet voorliggende gegevens onaantastbaar of in dat geval het toekennen van een bijkomende conclusietermijn vereist is ter vrijwaring van het recht van verdediging van de daarom vragende partij. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152

, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152

, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152, § 2 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.24.0596.N I D. Ç., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Brecht Pype, advocaat bij de balie Antwerpen. II D. D.V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Manu Bande, advocaat bij de balie Antwerpen. III A. E.-R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sanne De Clerck, advocaat bij de balie Antwerpen. IV M. N., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie Antwerpen. V D. G. M. N.R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tanja Smit, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 27 maart

  1. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser V doet afstand van zijn cassatieberoep. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep III
  2. Het arrest spreekt de eiser III vrij voor de telastleggingen A.16 en D.
  3. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep III bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I
  4. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de vrijspraak van de eiser I ten onrechte ontvankelijk; het strafdossier bevat geen akte van het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de eiser I; het bevat enkel een proces-verbaal van vaststelling van verlies akte hoger beroep van 17 maart 2023, waarin de hoofdgriffier na het verstrijken van de termijn van hoger beroep verklaart dat hij ervan in kennis is gesteld dat het openbaar ministerie op 13 maart 2023 ambtshalve hoger beroep zou hebben aangetekend tegen de vrijspraak van de eiser I, maar dat de akte van hoger beroep verloren is geraakt en er ingevolge technische problemen geen niet-ondertekend afschrift voorhanden is; het proces-verbaal van de hoofdgriffier kan de akte van hoger beroep niet vervangen of corrigeren, te meer daar de oorzaak van het verlies van de akte op tegenstrijdige wijze wordt verklaard door de hoofdgriffier en het openbaar ministerie; de eiser I noch het Hof kan de datum en de inhoud van die akte verifiëren; in geval van overmacht, wat het arrest aanneemt, had het openbaar ministerie hoger beroep moeten instellen buiten de beroepstermijn; het hoger beroep waarvan niet blijkt dat het openbaar ministerie persoonlijk de nodige formaliteiten ten overstaan van de griffier heeft vervuld, is niet ontvankelijk dan wel vervallen.
  5. Artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Het recht van hoger beroep vervalt indien de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van die uitspraak en indien het vonnis bij verstek is gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van de betekening ervan aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats.”
  6. Uit deze bepaling volgt dat hoger beroep wordt ingesteld door een verklaring van hoger beroep door de appellant op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen. Deze vorm is op straffe van niet-ontvankelijkheid voorgeschreven en levert het bewijs op van het hoger beroep.
  7. Evenwel kan de rechter aannemen dat een akte van hoger beroep op de griffie verloren is geraakt en dat dit een geval van overmacht voor de appellant uitmaakt. In dat geval staat het aan de rechter te oordelen of er tijdig en regelmatig hoger beroep is ingesteld en welke de inhoud en de draagwijdte van dat hoger beroep is. De rechter kan die beslissing gronden op alle hem ter beschikking staande gegevens die aan tegenspraak zijn onderworpen.
  8. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  9. Het arrest oordeelt: “[De eiser I] werpt in limine litis de onontvankelijkheid (bedoeld wordt: het verval) op van het hoger beroep van het Openbaar Ministerie wegens het ontbreken van de akte van hoger beroep in het dossier. Het dossier bevat een ‘proces-verbaal van vaststelling van verlies akte hoger beroep’, op 17.03.2023 opgesteld door [de hoofdgriffier] (…), waarin deze attesteert dat het openbaar ministerie in de persoon van substituut […] wel degelijk op 13.03.2023 op de griffie hoger beroep is komen instellen tegen de vrijspraak van [de eiser I] in deze zaak, maar dat de akte daaromtrent verloren is. Er wordt door [de hoofdgriffier] tevens melding gemaakt van ‘technische problemen’, waardoor de akte handmatig werd aangemaakt en niet via de gebruikelijke applicatie, waardoor er ook geen niet-ondertekend afschrift van de akte voorhanden is. Het hof (van beroep) stelt vast dat er door substituut […] op 13.03.2023 alleszins tijdig een ‘grievenformulier hoger beroep’ werd neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen – dienst beroepen. Dit grievenformulier werd afgetekend voor ontvangst door de griffier op 13.03.
  10. Rekening houdend met de inhoud van het ‘proces-verbaal van vaststelling van verlies akte hoger beroep’ d.d. 17.03.2023 en met het tijdig neergelegde ‘grievenformulier hoger beroep’, acht het hof (van beroep) het bewezen dat er op 13.03.2023 door substituut […] namens het openbaar ministerie hoger beroep werd aangetekend tegen het [beroepen vonnis], waarbij [de eiser I] werd vrijgesproken voor de tenlasteleggingen A.2 en E.
  11. Het verlies van de origineel ondertekende akte van hoger beroep dient beschouwd te worden als een geval van overmacht. In tegenstelling tot hetgeen [de eiser I] in zijn syntheseconclusie in graad van beroep voorhoudt, diende het openbaar ministerie niet opnieuw – ditmaal buiten de bij art. 203, § 1 Sv. voorgeschreven termijn – beroep in te stellen.” Daarnaast oordeelt het arrest (p. 22) dat volgens de inhoud van het proces-verbaal van verlies akte hoger beroep, het openbaar ministerie ten aanzien van de eiser I hoger beroep heeft ingesteld tegen al de beschikkingen van het beroepen vonnis.
  12. In het grievenformulier dat het openbaar ministerie op 13 maart 2023 ter griffie van de correctionele rechtbank heeft ingediend, is de rubriek “Schuld” aangekruist. Die rubriek vermeldt verder: “Reden(en): Onterechte vrijspraak voor de tenlasteleggingen A2 en E5 van zaak 1”.
  13. Op grond van die redenen en die vaststelling kan het arrest wettig oordelen dat de akte van hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de eiser I verloren is gegaan op de griffie, dat dit een overmachtssituatie voor het openbaar ministerie uitmaakt, dat het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk en niet vervallen is omdat het tijdig en regelmatig is aangetekend en dat dit hoger beroep betrekking had op alle beschikkingen van het beroepen vonnis.
  14. Dat de hoofdgriffier in het proces-verbaal heeft vermeld dat er door technische problemen geen niet-ondertekend afschrift van de akte van hoger beroep voorhanden is, terwijl het openbaar ministerie het verlies van de akte van hoger beroep heeft toegeschreven aan de ziekte van een griffier, leidt niet tot een tegenstrijdigheid over de oorzaak van de overmachtssituatie die anders doet besluiten.
  15. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  16. De appellant die wordt geconfronteerd met een overmachtssituatie die erin bestaat dat de akte van zijn hoger beroep op de griffie verloren is gegaan, dient geen nieuw hoger beroep in te stellen, waarvan de termijn zou beginnen te lopen vanaf zijn kennisneming van die overmachtssituatie. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel van de eiser I
  17. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.b EVRM: het arrest weigert ten onrechte aan de eiser I een bijkomende conclusietermijn toe te kennen naar aanleiding van het neerleggen door het openbaar ministerie van stukken die voor de eiser I nieuw en ter zake dienend waren; die stukken werden pas ter griffie neergelegd op 29 november 2023, dit is na aan de eiser I toegekende oorspronkelijk conclusietermijn; het openbaar ministerie was reeds langer in het bezit van deze stukken, maar heeft ze laattijdig neergelegd; de eiser I is verschalkt in zijn recht van verdediging; aan de eiser I moesten voldoende tijd en faciliteiten worden verleend om te antwoorden op de bijkomende stukken.
  18. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het openbaar ministerie de in het middel vermelde stukken laattijdig heeft neergelegd. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  19. Artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt, er bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt, conclusies kunnen worden neergelegd na het verstrijken van de vastgelegde conclusietermijnen, alsook dat de rechter ten gevolge hiervan nieuwe conclusietermijnen kan vastleggen en een nieuwe rechtsdag kan bepalen.
  20. Die bepaling verplicht de rechter niet om aan een partij steeds een bijkomende conclusietermijn toe te kennen wanneer een andere partij een nieuw en ter zake dienend stuk overlegt. De rechter oordeelt op grond van de hem concreet voorliggende gegevens onaantastbaar of in dat geval het toekennen van een bijkomende conclusietermijn vereist is ter vrijwaring van het recht van verdediging van de daarom vragende partij. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen niet te verantwoorden gevolgen afleidt.
  21. Het arrest (p. 69-70) oordeelt in essentie dat, vanaf de neerlegging van de in het middel vermelde stukken door het openbaar ministerie, de eiser I nog over een gebruikelijke conclusietermijn van een maand beschikte om op die stukken te repliceren, maar dat hij dat niet heeft gedaan noch daartoe enig ander initiatief heeft genomen, zodat de eiser I voldoende tijd heeft gehad om inhoudelijk standpunt in te nemen over die stukken en zijn recht van verdediging derhalve niet is miskend.
  22. Op grond van die redenen, waarmee het arrest niet oordeelt dat de door het openbaar ministerie neergelegde stukken niet nieuw en ter zake dienend zijn, kan het wettig oordelen dat door het niet toekennen van een nieuwe conclusietermijn aan de eiser I, zijn recht van verdediging niet is miskend. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser I Eerste onderdeel
  23. Het onderdeel voert een motiveringsgebrek aan: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiser I dat de strafvordering niet ontvankelijk is omdat de door het openbaar ministerie op 29 november 2023 bijgebrachte stukken uit een ander strafdossier niet alle aan eisers identificatie ten grondslag liggende vaststellingen en gegevens bevat, die de eiser I toelaten de bijgebrachte informatie te verifiëren.
  24. Het arrest (p. 70) oordeelt: “De inhoud van de processen-verbaal 506094/2023 d.d. 07.03.2023 (62 blz.) en 505998/2023 d.d. 07.03.2023 (19 blz.) zijn voldoende transparant en volledig om ter zake tegenspraak te kunnen voeren, zodat de zaak – in tegenstelling tot hetgeen [de eiser I] op blz. 11 en 12 van zijn syntheseconclusie in graad van beroep voorhoudt – wel degelijk in staat is om behandeld te kunnen worden.” Verder vermeldt het (p. 102-105) waarom uit de aan het strafdossier toegevoegde gegevens blijkt dat de eiser I tijdens de geviseerde periode de gebruiker was van de betrokken Sky ECC-PIN. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer, zonder te moeten antwoorden op alle ter ondersteuning daarvan aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  25. Het onderdeel voert miskenning aan van de bewijskracht van akten: het arrest miskent de bewijskracht van het proces-verbaal van vaststelling van verlies akte hoger beroep door dat proces-verbaal in de plaats te stellen van de noodzakelijke akte van hoger beroep met een door het openbaar ministerie niet-ondertekende verklaring van een griffier, die tegenstrijdigheden vertoont met de uitlatingen van het openbaar ministerie ter rechtszitting.
  26. Het arrest geeft geen uitlegging van het proces-verbaal van vaststelling van verlies akte hoger beroep, maar beoordeelt enkel de bewijswaarde ervan. Het kan bijgevolg de bewijskracht van dat proces-verbaal niet miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  27. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.3.a EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest verwerpt ten onrechte eisers verzoek tot het bepalen van bijkomende conclusietermijnen en het verlenen van uitstel van behandeling, alsook zijn verzoek tot voeging van onderliggende vaststellingen en gegevens.
  28. Het onderdeel komt op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is bijgevolg niet ontvankelijk. Middel van de eiser II
  29. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met overname van de redenen van het beroepen vonnis steunt het arrest, enerzijds, de schuldigverklaring van de eiser II aan de telastleggingen A.13 (invoer van cocaïne in vereniging) en E.12 (betrokkenheid bij een criminele organisatie) op de rol van medebeklaagde S. in de feiten van de telastlegging A.13, meer bepaald op het feit dat de eiser II die medebeklaagde gebruik heeft laten maken van zijn alfapass voor het binnen- en buitenrijden van een container door de Fast Gate; anderzijds spreekt het arrest, anders dan het beroepen vonnis, die medebeklaagde vrij voor de hem ten laste gelegde feiten; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
  30. Eensdeels steunt het arrest (p. 91), met zowel eigen als van het beroepen vonnis overgenomen redenen, de beslissing tot schuldigverklaring van de eiser II aan de feiten van de telastleggingen A.13 en E.12 op de samenwerking van de eiser II met medebeklaagde S.
  31. Anderdeels oordeelt het arrest (p. 90-91) dat er voor de appelrechters gerede twijfel bestaat over de vraag of medebeklaagde S. wist dat hij meewerkte aan het vervoer van containers waarin ladingen cocaïne verborgen zaten, dat het onderzoek niet boven elke redelijke twijfel heeft aangetoond dat die medebeklaagde op de hoogte was van het criminele karakter van de betreffende transporten en dat evenmin is aangetoond dat die medebeklaagde zich wetens en willens heeft ingeschreven in de criminele logica van de aan de orde zijnde criminele organisatie. Dat oordeel steunt zodoende niet op de materiële gedragingen waarmee ook medebeklaagde S. heeft bijgedragen tot de invoer van de cocaïne, maar wel op zijn kennis over de feiten waaraan hij heeft meegewerkt en derhalve op het morele bestanddeel van de hem ten laste gelegde misdrijven.
  32. Hieruit volgt dat de vermelde redenen elkaar niet uitsluiten noch elkaar opheffen. Bijgevolg zijn die redenen niet tegenstrijdig. Het middel mist feitelijke grondslag. Eerste middel van de eiser III
  33. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 14.3.c IVBPR, alsmede miskenning van het recht van verdediging, het recht op tegenspraak en het recht op een eerlijk proces: het arrest wijst het omstandig gemotiveerde verzoek van de eiser III tot het horen van alle yardplanners die op 2 juni 2020 en op 12 juni 2020 bij containerbehandelaar PSA Antwerp op de kaaien 869 en 913 waren tewerkgesteld af zonder het niet-horen van deze getuigen à décharge te beoordelen aan de hand van de daartoe ontwikkelde criteria; met de enkele reden dat de eiser III in zijn eerste verhoor heeft verklaard dat normaal gezien niemand kan inloggen met zijn gegevens, dat PSA meldt dat het delen van inloggegevens in strijd zou zijn met de richtlijnen en dat de eiser III tijdens diens tweede verklaring stelt dat hij zijn logingegevens nooit aan iemand heeft gegeven, vermeldt het arrest niet de concrete redenen waarom eisers recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd het horen van voormelde personen als getuigen à décharge op de rechtszitting niet noodzakelijk maakt.
  34. Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen.
  35. Deze verdragsbepalingen kennen aan een beklaagde evenwel geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge op de rechtszitting te horen.
  36. Uit deze verdragsbepalingen, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat de rechter aan wie wordt gevraagd een getuige à décharge te horen op de rechtszitting dit verzoek moet toetsen aan de hand van de volgende drie criteria: i) het voldoende onderbouwd zijn van het verzoek tot het horen van de getuige à décharge op de rechtszitting en de relevantie van die getuigenis voor het voorwerp van de beschuldiging; ii) het voorhanden zijn van afdoende redenen voor de beslissing dat de getuigenis ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging en dus voor de beslissing de getuige niet te horen ter rechtszitting; iii) de impact van de beslissing de getuige à décharge niet te horen op de rechtszitting op het recht van de beklaagde op een eerlijke behandeling van de zaak in zijn geheel beschouwd.
  37. De beoordeling van de relevantie van de getuigenis voor het voorwerp van de beschuldiging mag niet abstract gebeuren, maar vereist een onderzoek van de concrete omstandigheden van de zaak. De rechter moet bijgevolg zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst.
  38. De rechter is evenwel niet verplicht het verzoek tot het horen van getuigen à décharge gedetailleerd te beantwoorden. Het volstaat dat de beklaagde weet waarom de rechter de getuigenis ter rechtszitting niet relevant acht voor het voorwerp van de beschuldiging.
  39. Indien de rechter oordeelt dat een getuigenis ter rechtszitting niet relevant is voor het voorwerp van de beschuldiging, moet hij niet meer aangeven of het verzoek van de beklaagde om de getuige ter rechtszitting te horen voldoende is onderbouwd. Wel moet hij in dat geval ook onderzoeken of het niet horen van de getuige à décharge op de rechtszitting al dan niet het recht op een eerlijk proces van de beklaagde in zijn geheel beschouwd aantast.
  40. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  41. Het arrest (p. 95-96) oordeelt onder meer als volgt: “Als tweede middel verzoekt [de eiser III] om, alvorens recht te doen, ‘alle

(7)yardplanners die op 02.06.2020 (en 12.06.2020) bij containerbehandelaar PSA Antwerp op de kaaien 869 en 913 tewerkgesteld waren te doen horen als getuigen ter terechtzitting omtrent het gebruik van (andermans) logincodes en de algehele werking op de terminal’. Het hof (van beroep) sluit zich ter zake aan bij de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter op blz. 41 van het bestreden vonnis d.d. 10.02.2023, waarbij dit verzoek tot het horen van de yardplanners als getuige werd afgewezen. Hierbij kan inderdaad verwezen worden naar de verklaring van [de eiser III] d.d. 12.02.2021 (stuk 342), waarin [de eiser III] stelt dat hij zijn log-in gegevens nooit aan iemand heeft gegeven. Dit is trouwens verboden door het bedrijf. Aangezien [de eiser III] zijn log-in gegevens nooit aan iemand heeft gegeven, is het niet noodzakelijk om de yardplanners dienaangaande – bijna 4 jaren na de feiten – te horen als getuige. Het hof (van beroep) voegt hieraan toe dat het zich bij de beoordeling van de schuld van [de eiser III] aan de feiten van de tenlasteleggingen A.15 en D.1 baseert op de samenlezing, en dus niet louter op één van deze elementen, van: - de badgegegevens van [de eiser III], niet enkel deze van 02.06.2020 doch tevens van een aantal dagen vóór en na deze datum; - de databestanden van PSA kaai 913 met betrekking tot de opvraging van de betrokken container MSWU0033762 op 02.06.2020 om 05:52 uur; - de databestanden van PSA kaai 913 met betrekking tot de om 06:03 uur ingegeven ‘disconnect’ opdracht en de om 06:26 uur ingegeven ‘connect’ opdracht; Alle overige en of andersluidende argumenten van [de eiser III] zoals vermeld in zijn syntheseberoepsconclusie en/of zoals mondeling aangevoerd tijdens de pleidooien zijn niet van aard om aan de voorgaande besluiten van het hof (van beroep) afbreuk te kunnen doen of zijn niet pertinent en behoeven derhalve geen verdere beantwoording.”
  1. Het beroepen vonnis, waarvan het arrest de redenen overneemt, oordeelt onder meer als volgt:
  2. “[De eiser III] verzoekt de rechtbank om de yardplanners van PSA te horen over de werking van de dienst en het delen van login-codes. Het komt aan [de eiser III] toe aan te tonen en te motiveren dat het horen van yardplanners als getuige è décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding. De rechtbank wijst dit verzoek af en stelt dat het recht van [de eiser III] op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet in het gedrang wordt gebracht door de yardplanners niet te horen. [De eiser III] heeft zelf in zijn eerste verhoor verklaard dat normaal gezien niemand kan inloggen met zijn gegevens. Daarnaast werd verder onderzoek verricht bij PSA en navraag gedaan naar het delen van inloggegevens. PSA bevestigde dat dit niet gebeurde en volledig in strijd zou zijn met de richtlijnen van PSA. Bovendien werd er ook onderzoek verricht naar de aanwezigheid van [de eiser III] op het ogenblik van het inloggen en werden zijn badgegegevens opgevraagd. De rechtbank is van oordeel dat in die omstandigheden het niet noodzakelijk is voor de waarheidsvinding om yardplanners te horen.”
  3. Met die redenen vermeldt het arrest de concrete omstandigheden eigen aan de zaak, in het bijzonder het overtuigende karakter van de overige bewijsmiddelen en het tijdsverloop sinds de feiten, waaruit het afleidt dat het horen van de yardplanners als getuigen à décharge op de rechtszitting geen relevantie heeft voor het voorwerp van de beschuldiging en stelt het vast dat het niet-horen van de yardplanners het recht op een eerlijk proces van de eiser III in zijn geheel beschouwd niet aantast. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser III
  4. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest verwerpt eisers verzoek tot het voegen van aanvullende gegevens om de correctheid van zijn identificatie te kunnen beoordelen, namelijk de badgegegevens van de alfapassen van de zeven overige yardplanners, omdat het de schuldbeoordeling van de eiser III steunt op andere gegevens, het niet de computer is, maar de logingegevens gebruikt voor de opzoekingen, die van belang zijn en er inzake de uurroosterregeling van de eiser III voldoende gegevens voorhanden zijn; daarbij houdt het arrest geen rekening met de door de eiser III aangevoerde elementen; het arrest kan op grond van de redenen die het bevat niet wettig eisers verzoek tot het voegen van aanvullende gegevens verwerpen.
  5. In strafzaken oordeelt de rechter onaantastbaar over de noodzaak, het nut of de raadzaamheid van een door een partij gedaan verzoek tot het laten voegen bij het strafdossier van een ander strafdossier. De rechter neemt hierbij in aanmerking of die partij aannemelijk maakt dat die voeging noodzakelijk is voor het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  6. Het beroepen vonnis (p. 65-69), waarvan het arrest de redenen overneemt, steunt de schuld van de eiser III aan de feiten van de telastleggingen A.15 en D.1 onder meer op de volgende gegevens: - “Uit de datagegevens van PSA bleek dat koelcontainer MSWU0033762 op 2 juni 2020 omstreeks 5.52 uur was bevraagd door yardplanner en [de eiser III]. Dit was opvallend aangezien [de eiser III] zijn shift pas begon om 6.00 uur. Uit zijn badgegegevens blijkt echter dat [de eiser III] op 2 juni 2020 al opvallend vroeg was gestart en al om 5.35 uur was toegekomen. Op dat ogenblik stond de container al geblokkeerd door de douane voor controle. Om 6.03 uur werd er door [de eiser III] een disconnect-opdracht ingegeven voor koelcontainer MSWU
  7. Deze opdracht zorgt ervoor dat een koelcontainer-technieker op zijn handcomputer een bericht krijgt om de container fysiek los te koppelen. Om 6.26 uur werd door [de eiser III] een opdracht aangemaakt om de container terug aan te sluiten. Zonder dat de container fysiek terug werd aangesloten, heeft [de eiser III] er zo voor gezorgd dat deze systeemtechnisch terug werd aangekoppeld zodat er geen alarm afging wanneer de container meer dan twee uur was afgekoppeld. Al deze handelingen lieten toe dat de container kon worden afgehaald door een containerliftchauffeur zonder de container te beschadigen en zonder dat er alarmen afgingen. Uit navraag bij PSA blijkt dat er in principe niemand gebruik kan maken van de login gegevens van [de eiser III] omdat dit persoonlijk is. Dit kan enkel als hijzelf zijn persoonlijke inloggegevens aan iemand heeft gegeven, hetgeen verboden is door de firma.” - “[De eiser III] verklaarde in antwoord op de vraag waarom hij de container had opgevraagd dat hij niet iemand is die veel te vroeg begint te werken bij een vroege shift. Normaal kan niemand inloggen met zijn gegevens. Mogelijk had hij een probleem met zijn computer zodat hij de IT dienst moest contacteren. Hij kan zich de feiten echter niet herinneren. Hij vermoedt dat een collega zijn gegevens heeft misbruikt en kan verder geen antwoorden geven.” - “De rechtbank is van oordeel dat de feiten onder de [telastleggingen A.15 en D.1] bewezen zijn gelet op: (…) - het nazicht in de datagegevens van PSA waaruit blijkt dat door het account van [de eiser III] een disconnect-opdracht werd gegeven voor koelcontainer MSWU0033762 waarna deze werd losgekoppeld en vervolgens door [de eiser III] systeemtechnisch terug werd aangekoppeld om een alarm te vermijden; - de eerste verklaring van [de eiser III] waar hij aangaf dat normaal niemand kan inloggen met zijn gegevens; - de bevraging bij PSA waar werd bevestigd dat login-gegevens persoonlijk zijn en niet mogen worden gedeeld; - de badgegegevens van [de eiser III] waaruit blijkt [dat] hij die dag om 5.35 uur was toegekomen”.
  8. Op grond van die redenen en de eigen redenen waarmee het arrest (p. 91-94) die redenen aanvult, kan het wettig en zonder miskenning van het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces het verzoek van de eiser III tot het bijbrengen van de door hem gevraagde gegevens verwerpen. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser III
  9. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest verwerpt het verzoek van de eisers om de yardplanners als getuigen à décharge te horen zonder zijn desbetreffende verweer te beantwoorden en die verwerping voor de eiser begrijpelijk te maken.
  10. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel van de eiser III beantwoordt het arrest eisers bedoelde verweer en stelt het hem in staat de beslissing te begrijpen. Het middel kan niet worden aangenomen. Middel van de eiser IV
  11. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest verwerpt eisers verzoek om, alvorens recht te doen, het openbaar ministerie uit te nodigen het Europees onderzoeksbevel van de Duitse overheid en de noodzakelijke documenten die hiermee verband houden en afkomstig zijn uit dit Duits onderzoek te voegen; het oordeelt met eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen dat de door de eiser IV gevraagde informatie geen bewijsmateriaal maar hoogstens een inlichting uitmaakt die, anders dan de eiser IV aanvoert, niet de opstart van het dossier vormde; die redenen zijn echter in strijd met de chronologie die blijkt uit het aanvankelijk proces-verbaal AN.17.F1.50[…]/2020 van 30 januari 2020; aldus miskent het arrest de bewijskracht van dat proces-verbaal; hieruit volgt dat de informatie die vervat is in het Duitse Europees onderzoeksbevel aan de eiser IV diende te worden voorgelegd zodat kon worden nagegaan welke informatie door de Duitse overheid aan de Belgische autoriteiten werd overgemaakt; het recht van verdediging impliceert immers dat aan een beklaagde de mogelijkheid tot betwisting in concreto wordt verleend van de informatie die vervat ligt in een Europees onderzoeksbevel en die heeft geleid tot de start van een Belgische strafprocedure.
  12. Noch met de redenen die het overneemt van het beroepen vonnis noch met de eigen redenen die het bevat, verwijst het arrest voor het nemen van de bekritiseerde beslissing naar het aanvankelijk proces-verbaal AN.17.F1.50[…]/2020 van 30 januari
  13. Bijgevolg kan het arrest de bewijskracht van dat proces-verbaal niet miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  14. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van de eiser V. Verwerpt de cassatieberoepen I tot en met IV. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 736,51 euro, waarvan de eisers elk 147,30 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 29 oktober 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241029.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210112.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.