id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 oktober 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241029.2N.8 Rolnummer: P.24.0986.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht - Strafrecht Invoerdatum: 2024-10-31 Raadplegingen: 981 - laatst gezien 2026-06-18 21:42 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 7 Het legaliteitsbeginsel in strafzaken, zoals dit voortvloeit uit artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR en de artikelen 12 en 14 Grondwet, vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijk gevolg van dat gedrag zal zijn; uit de wetsgeschiedenis en de bewoordingen van artikel 2bis, § 6, Drugswet blijkt dat de wetgever met de invoering van die bepaling de bedoeling had om feiten van georganiseerde drughandel op een meer efficiënte wijze te bestrijden door alle schakels in de totstandkoming ervan strafbaar te stellen, met inbegrip van handelingen die voorafgaan aan deze feiten of een eventuele poging daartoe en die ertoe strekken aan de daders middelen te verschaffen teneinde het plegen van die feiten mogelijk te maken, te vergemakkelijken of de straffeloosheid ervan te bewerkstelligen, zodat elke gedraging, ongeacht of die op zichzelf genomen legaal is, een voorbereidende handeling in de zin van artikel 2bis, § 6, Drugswet kan uitmaken indien zij met de door de wet strafbaar gestelde intentie is gesteld; tot de strafbaar gestelde voorbereidende handelingen behoort ook het organiseren van legale transporten om te beschikken over dekladingen voor drugs en daarvoor is geen wettelijk bepaalde definitie van het begrip deklading vereist, maar volstaat het dat woord in zijn gewone betekenis te verstaan hetgeen in de voorliggende context bestaat uit in de regel legale goederen die dienen, hetzij om de waarneming te verhinderen van samen ermee vervoerde drugs, hetzij om bij opsporingsinstanties het vertrouwen te wekken van de geoorloofdheid van transporten waarin achteraf drugs zullen worden verborgen, waarbij het gegeven dat het transport van de legale goederen geen economisch nut heeft, een aanwijzing kan vormen dat die goederen fungeren als een deklading voor drugs, zodat de rechter die aldus oordeelt, zijn beslissing niet steunt op een onvoorspelbare wetsbepaling of een te ruime strafbaarstelling, maar louter het recht toepast op de hem voorgelegde feiten en aldus artikel 2bis, § 6 Drugswet kennelijk het legaliteitsbeginsel niet miskent
(1).
(1)GwH 20 oktober 2022, nr. 132/2022; Cass. 17 januari 2024, AR P.23.1339.F ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240117.2F.1, AC 2024, nr. 46, met concl. van advocaat-generaal Michel NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 10 april 2018, AR P.18.0039.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180410.3, AC 2018, nr. 220; P. TERSAGO, “Voorbereidende handelingen in de drugswet als ersatzmiddel voor (niet-strafbare poging drugsmisdrijven, Juristenkrant 7 februari 2024, pp. 2 en 11. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 12 Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 14 Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 7 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15 - 31 Link Justel databank 19661219-31 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 12 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiche 8 De door artikel 2, § 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel vereiste vermeldingen hebben tot doel de gezochte persoon en de uitvoerende lidstaat te informeren over de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd en hen op basis daarvan toe te laten met kennis van zaken een beslissing te nemen met betrekking tot het overleveringsverzoek maar die vermeldingen zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid en moeten niet noodzakelijk worden opgenomen in het Europees aanhoudingsbevel zelf, maar kunnen eveneens zijn vermeld in een ander stuk waarnaar het Europees aanhoudingsbevel verwijst en dat aan de uitvoerende autoriteit wordt meegedeeld, zoals het nationaal aanhoudingsbevel dat aan het Europees aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging ten grondslag ligt. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 2, § 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 9 - 10 De feiten van de lijst van artikel 5, § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel zijn niet strafrechtelijk omschreven, maar moeten generisch of criminologisch worden beschouwd, dus als een strafrechtelijk domein of een categorie van strafbare feiten en tot de strafbare feiten die door artikel 5, § 2, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel worden omschreven als de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen behoren bijgevolg ook de invoer, de uitvoer en het vervoer van verdovende middelen zonder vergunning met de omstandigheid dat het misdrijf een daad van deelneming is aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 5, § 2, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Thesaurus CAS: VERDOVENDE MIDDELEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 5, § 2, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende ... - 24-02-1921 - Art. 2bis - 01 ELI link Pub nr 1921022450 Fiche 11 De in artikel 37, § 1 en § 2, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel vermelde uitzondering op het verbod tot vervolging, veroordeling of vrijheidsberoving van een overgeleverde persoon voor andere feiten dan die waarop de overlevering betrekking heeft, betreft een situatie waarin de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die de persoonlijke vrijheid van de betrokkene beperkt, zodat in het kader van die uitzondering een persoon kan worden vervolgd voor “enig ander feit” dan dat welk de reden tot zijn overlevering is geweest, dat strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, zonder dat de toestemmingsprocedure hoeft te worden gevolgd, op voorwaarde dat tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd; indien die persoon wordt veroordeeld tot een vrijheidsbeperkende straf of maatregel, kan die straf pas worden uitgevoerd indien toestemming is verleend zodat hieruit volgt dat de enkele veroordeling tot een gevangenisstraf nog geen maatregel is die de individuele vrijheid beperkt als bedoeld in artikel 37, § 2, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel
(1).
(1)Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0806.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6, AC 2020, nr. 15; HvJ 1 december 2008, arrest C-388/08/PPU, Strafzaken tegen Artur Leymann en Aleksei Pustovarov; S. DEWULF, Handboek Uitleveringsrecht, Intersentia, 2013, pp. 200-
- Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, §§ 1 en 2, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0986.N I P. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Leroy Lievens, advocaat bij de balie Dendermonde. II M E.H., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Sam Vlaminck, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kasteelpleinstraat 30, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 7 juni
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM en de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet: het arrest oordeelt dat artikel 2bis, § 6, Drugwet het legaliteitsbeginsel niet miskent; de omschrijving van het materieel bestanddeel van de op die bepaling gesteunde telastlegging B.2 is echter dermate ruim dat de burger niet kan inschatten of zijn mogelijke gedragingen zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid in het gedrang brengen; bijgevolg is niet voldaan aan het vereiste van redelijke voorzienbaarheid en wordt aan de rechter een te grote beoordelingsvrijheid gelaten; het begrip deklading, wat hier een voorbereidende handeling voor de invoer van cocaïne zou zijn, is niet wettelijk bepaald; de omschrijving van een deklading als een lading zonder economisch motief is te ruim gesteld en verplicht de rechter zich in de plaats van een ondernemer te stellen.
- Het legaliteitsbeginsel in strafzaken, zoals dit voortvloeit uit artikel 7 EVRM, artikel 15 IVBPR en de artikelen 12 en 14 Grondwet, vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende wijze kan inschatten wat het strafrechtelijk gevolg van dat gedrag zal zijn.
- Artikel 2bis, § 6, Drugwet bestraft degene die voorbereidende handelingen stelt met het oog op de aanmaak, de verkoop, de levering of de illegale verschaffing van een stof bedoeld in artikel 2bis, § 1, Drugwet of met het oog op de verbouw van planten waaruit deze stoffen kunnen worden getrokken.
- Uit de wetsgeschiedenis en de bewoordingen van artikel 2bis, § 6, Drugwet blijkt dat de wetgever met de invoering van die bepaling de bedoeling had om feiten van georganiseerde drughandel op een meer efficiënte wijze te bestrijden door alle schakels in de totstandkoming ervan strafbaar te stellen, met inbegrip van handelingen die voorafgaan aan deze feiten of een eventuele poging daartoe en die ertoe strekken aan de daders middelen te verschaffen teneinde het plegen van die feiten mogelijk te maken, te vergemakkelijken of de straffeloosheid ervan te bewerkstelligen. Aldus kan elke gedraging, ongeacht of die op zichzelf genomen legaal is, een voorbereidende handeling in de zin van artikel 2bis, § 6, Drugwet uitmaken indien zij met de door de wet strafbaar gestelde intentie is gesteld.
- Tot de strafbaar gestelde voorbereidende handelingen behoort ook het organiseren van legale transporten om te beschikken over dekladingen voor drugs. Daarvoor is geen wettelijk bepaalde definitie van het begrip deklading vereist, maar volstaat het dat woord in zijn gewone betekenis te verstaan. Een deklading zoals in de voorliggende context bedoeld, bestaat uit in de regel legale goederen die dienen, hetzij om de waarneming te verhinderen van samen ermee vervoerde drugs, hetzij om bij opsporingsinstanties het vertrouwen te wekken van de geoorloofdheid van transporten waarin achteraf drugs zullen worden verborgen. Daarbij kan het gegeven dat het transport van de legale goederen geen economisch nut heeft, een aanwijzing vormen dat die goederen fungeren als een deklading voor drugs. De rechter die aldus oordeelt, steunt zijn beslissing niet op een onvoorspelbare wetbepaling of een te ruime strafbaarstelling, maar past louter het recht toe op de hem voorgelegde feiten. Aldus miskent artikel 2bis, § 6 Drugwet kennelijk het legaliteitsbeginsel niet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 62-64, randnummers 4 tot 8), dat het verweer van de eiser I in dezelfde zin beoordeelt, verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest preciseert onvoldoende welke gedragingen van de eiser I leiden tot zijn schuldigverklaring aan de telastleggingen B.2 en C.2 (betrokkenheid bij een criminele organisatie); de redenen van het arrest volstaan daartoe niet en zijn onvoldoende precies, zeker gelet op de ruime strafbaarstelling van deze telastleggingen.
- Het feit dat een telastlegging steunt op een wetsbepaling met een ruime strafbaarstelling, verzwaart als dusdanig de motiveringsplicht van de rechter niet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen leidt het arrest (p. 76-90) de schuld van de eiser I aan de telastlegging B.2 in essentie af uit de volgende omstandigheden: - de eiser I heeft, in samenwerking met medebeklaagde L. en zijn vennootschappen Fist nv en Fast Solutions nv, waarvan de eiser I destijds medebestuurder was, sinds september 2018 containers vanuit Zuid-Amerika ingevoerd met wisselende inhoud en zonder een duidelijk economisch motief, waarbij ingevoerde goederen soms achteraf werden vernietigd of met verlies verkocht; - uit de in het arrest aangehaalde conversaties blijkt dat het opzetten van deze importen met dekladingen enkel erop was gericht om de komst van de container met cocaïne en mogelijk nog navolgende containers voor te bereiden. Op die manier werd de betrouwbaarheid van alle schakels in de keten getest en werd het vertrouwen gewekt bij de douane dat de firma's van de medebeklaagde L. bona fide bedrijven waren die enkel legale goederen importeerden; - ook werd op die manier de overbrenging geoefend van de containers uit de haven naar een veilige plaats, namelijk naar loodsen waarover men volgens de conversaties de beschikking had; - uit de in het arrest (randnummer 8) aangehaalde communicatie, waaronder deze binnen een besloten chatgroep waaraan de eiser I via de Sky ECC-applicatie deelnam, blijkt dat de eiser I gedurende de incriminatieperiode van de telastlegging B.2 ook betrokken was bij de organisatie van de invoer van containers die bestemd waren als testzendingen; - “Het spreekt voor zich dat het in besloten chatgroepen bespreken van de te volgen werkwijze m.b.t. de invoer van containers op naam van NV FIST/NV FAST SOLUTIONS, van betalingen, van in officiële communicatie tussen NV FIST en 'Kerylogstics' te versturen of verstuurde e-mails, en dit met personen die enkel gebruik maken van aliassen of gebruikersnamen en die niet in verband kunnen worden gebracht met enige officiële functie in de firma Kery Logistics (waarmee trouwens ook nooit werd gecommuniceerd gelet op het gebruikte e-mailadres 'commercial@kerylogstics.com'), aantoont dat van een economisch verantwoorde en legitieme invoer geen sprake was, maar dat het wel degelijk de bedoeling was hiermee een doordachte dekmantel op te zetten en de douanediensten en andere autoriteiten te misleiden om uiteindelijk een geslaagde invoer van verdovende middelen te realiseren. Uit de hoger vermelde conversaties en e-mailcorrespondentie blijkt ontegensprekelijk dat [de eiser I] hieraan wetens en willens zijn medewerking verleende door met kennis van zaken samen met beklaagde [L.] de firma's NV FIST/NV FAST SOLUTIONS ter beschikking te stellen om de testzendingen te realiseren en in dit verband mee de nodige administratieve en financiële verrichtingen te doen zodat deze testzendingen in de praktijk doorgang konden vinden”; - de eiser I wist goed dat zijn daden kaderden in de activiteit van een vereniging en had de bewuste wil om van deze groep deel uit te maken; - “Al de voorgaande elementen, in hun onderlinge samenhang gelezen, laten er geen twijfel over bestaan dat [de eiser I] wetens en willens aan de uitvoering van de aan de orde zijnde feiten van de tenlastelegging B2 heeft meegewerkt door zodanige hulp te verlenen dat dit misdrijf niet zonder zijn bijstand had kunnen worden gepleegd, zoals het in concreto heeft plaatsgevonden. [De eiser I] dient derhalve als mededader in de zin van artikel 66, derde lid van het Strafwetboek te worden beschouwd.” Voor wat betreft de telastlegging C.2 oordeelt het arrest (p. 91-93) dat op grond van de voormelde elementen en onder meer de vaststelling dat de eiser I een eigen taak in de criminele organisatie had, geen twijfel erover bestaat dat de eiser I wetens en willens aan de uitvoering van de telastlegging C.2 heeft meegewerkt door zodanige hulp te verlenen dat dit misdrijf niet zonder zijn bijstand had kunnen worden gepleegd, zoals het in concreto heeft plaatsgevonden, zodat de eiser I dient te worden beschouwd als mededader in de zin van artikel 66, derde lid, Strafwetboek.
- Met die redenen preciseert het arrest wel degelijk de concrete gedragingen van de eiser I op grond waarvan het tot zijn schuld aan de telastleggingen B.2 en C.2 besluit. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van de artikelen 2, § 4 en 37, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest de strafvordering lastens de eiser II voor de telastlegging A (invoer van drugs) ten onrechte en in strijd met het specialiteitsbeginsel ontvankelijk verklaart; het arrest stelt vast dat de onderzoeksrechtbank te Madrid (Spanje) bij beslissing van 13 december 2021 de overlevering van de eiser II enkel heeft toegestaan voor het feit van handel in verdovende middelen in vereniging; het arrest stelt eveneens vast dat het Europees aanhoudingsbevel van 10 mei 2021 in de rubriek “e. Strafbare feiten” enkel de juridische kwalificaties “invoer van verdovende middelen in vereniging en deelname aan een criminele organisatie” en de toepasselijke wetsbepalingen vermeldt, zonder omschrijving van de omstandigheden waarin het misdrijf werd gepleegd; het arrest oordeelt dat de feiten waarvoor de overlevering werd gevraagd dezelfde zijn als de telastleggingen A en C.1 omdat de feiten waarvoor het Europees aanhoudingsbevel was uitgevaardigd, waren gepreciseerd in het erbij gevoegde aanhoudingsbevel bij verstek van 10 mei 2021, dat vermeldde dat het was uitgevaardigd wegens de vermeende betrokkenheid van de eiser II bij een criminele organisatie die zich inliet met de invoer in vereniging van 685,60 kilogram cocaïne in een container van Brazilië naar de haven van Antwerpen; de omvang van de bescherming van het specialiteitsbeginsel wordt echter bepaald door de feiten waarvoor de overlevering van de betrokkene werd toegestaan en niet door de feiten opgenomen in het Europees aanhoudingsbevel; bovendien kan het totaal ontbreken van enige informatie in een van de verplicht in te vullen rubrieken van het Europees aanhoudingsbevel niet eenvoudigweg verholpen worden door te verwijzen naar het nationaal bevel tot aanhouding; het Europees aanhoudingsbevel vormt bovendien een van het nationaal aanhoudingsbevel te onderscheiden aanhoudingsbevel; dat laatste dient autonoom te kunnen bestaan.
- Artikel 2, § 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat het Europees aanhoudingsbevel melding moet maken van de omschrijving van de omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, daaronder begrepen tijdstip en plaats, alsook van de mate waarin de gezochte persoon aan het misdrijf heeft deelgenomen. Artikel 37, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt, onder voorbehoud van de uitzonderingen vermeld in paragraaf 2 van dat artikel: “Een persoon overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Belgische rechterlijke autoriteit kan niet worden vervolgd, veroordeeld of van zijn vrijheid worden benomen wegens een ander, voor zijn overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft.”
- De door artikel 2, § 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel vereiste vermeldingen hebben tot doel de gezochte persoon en de uitvoerende lidstaat te informeren over de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd en hen op basis daarvan toe te laten met kennis van zaken een beslissing te nemen met betrekking tot het overleveringsverzoek. Die vermeldingen zijn niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. Zij moeten niet noodzakelijk worden opgenomen in het Europees aanhoudingsbevel zelf, maar kunnen eveneens zijn vermeld in een ander stuk waarnaar het Europees aanhoudingsbevel verwijst en dat aan de uitvoerende autoriteit wordt meegedeeld, zoals het nationaal aanhoudingsbevel dat aan het Europees aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging ten grondslag ligt.
- De feiten van de lijst van artikel 5, § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel zijn niet strafrechtelijk omschreven, maar moeten generisch of criminologisch worden beschouwd, dus als een strafrechtelijk domein of een categorie van strafbare feiten.
- Tot de strafbare feiten die door artikel 5, § 2, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel worden omschreven als de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen behoren bijgevolg ook de invoer, de uitvoer en het vervoer van verdovende middelen zonder vergunning met de omstandigheid dat het misdrijf een daad van deelneming is aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, zoals omschreven onder de telastlegging A.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met de redenen die het arrest (p. 16-19) bevat, verantwoordt het naar recht de beslissing dat de onderzoeksrechtbank te Madrid (Spanje) de overlevering van de eiser II heeft toegestaan voor de feiten omschreven onder de telastlegging A. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige is het onderdeel gericht tegen overtollige redenen en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat de onwettigheid van de beslissing om de strafvordering ontvankelijk te verklaren voor wat betreft de feiten van de telastlegging A de onwettigheid tot gevolg heeft van de beslissing om de strafvordering ontvankelijk te verklaren voor wat betreft de feiten van de telastlegging C.1 (betrokkenheid bij een criminele organisatie), alsook dat bij de beslissing van 13 december 2021 van de onderzoeksrechtbank te Madrid (Spanje) niet werd beslist tot de overlevering van de eiser II wegens het misdrijf deelname aan een criminele organisatie.
- In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid, kan het niet worden aangenomen.
- Artikel 37, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel is overeenkomstig artikel 37, § 2, eerste lid, 3°, en tweede lid, van die wet niet van toepassing wanneer de strafprocedure geen aanleiding geeft tot de toepassing van een maatregel die de individuele vrijheid van de betrokkene beperkt. Wanneer dat wel het geval is, moet vanwege de uitvoerende rechterlijke autoriteit toestemming worden verkregen om de betrokkene voor een in paragraaf 1 bedoeld feit te kunnen vervolgen, veroordelen of van zijn vrijheid te benemen.
- Die bepalingen van de Wet Europees Aanhoudingsbevel zijn de omzetting in het interne recht van artikel 27, 2 en 3, c, van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten. Volgens die bepalingen betreft de vermelde uitzondering, zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie ze uitlegt in het arrest C-388/08 in de zaak Leymann en Pustovarov van 1 december 2008, een situatie waarin de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die de persoonlijke vrijheid van de betrokkene beperkt. In het kader van die uitzondering kan een persoon dus worden vervolgd voor “enig ander feit” dan dat welk de reden tot zijn overlevering is geweest, dat strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, zonder dat de toestemmingsprocedure hoeft te worden gevolgd, op voorwaarde dat tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd. Indien die persoon echter wordt veroordeeld tot een vrijheidsbeperkende straf of maatregel, kan die straf pas worden uitgevoerd indien toestemming is verleend. Hieruit volgt dat de enkele veroordeling tot een gevangenisstraf nog geen maatregel is die de individuele vrijheid beperkt als bedoeld in artikel 37, § 2, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest stelt vast dat de eiser II geen afstand heeft gedaan van het specialiteitsbeginsel en dat hij werd overgeleverd voor het feit bepaald in de telastlegging A, maar niet voor het feit van de telastlegging C.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser II op enig moment van zijn vrijheid is beroofd wegens enkel zijn vervolging voor het feit van de telastlegging C.1, zonder dat die vrijheidsberoving mede was gebaseerd op en verantwoord door zijn vervolging voor de telastlegging A.
- Het arrest oordeelt dat de in artikel 37, § 2, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel vervatte uitzondering hier van toepassing is en dat de eiser II wel degelijk zonder toestemming kan worden vervolgd voor het feit van de telastlegging C.
- Bijgevolg kan het arrest wettig oordelen dat de lastens de eiser II ingestelde strafvordering ook ontvankelijk is voor het feit van de telastlegging C.1 en die eiser voor de vermengde feiten van de telastleggingen A en C.1 veroordelen tot een gevangenisstraf van drie jaar, na toepassing te hebben gemaakt van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 489,01 euro, waarvan de eiser I 244,50 euro is verschuldigd en de eiser II 244,51 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 29 oktober 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241029.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180410.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240117.2F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div