← België

S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 187

, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187

, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 187, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.24.1075.N I M. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieter Helsen, advocaat bij de balie Limburg. II C. A., alias C. M., alias C. M., alias C. A., alias C. C M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Koen Vaneecke, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 19 juni

  1. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van de eiser I
  2. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt dat de eiser I wetens en willens zijn medewerking heeft verleend aan de hem ten laste gelegde feiten, maar het antwoordt niet op wettige wijze op het in zijn appelconclusie aangevoerde argument dat de huurovereenkomst werd ondertekend door een persoon met een valse identiteit en dat derden tegenover de eiser I een valse identiteit en een valse identiteitskaart hebben gebruikt, wat zijn goede trouw aantoont en het gegeven dat hij werd misbruikt door de eigenlijke daders. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt dat de eiser I wetens en willens zijn medewerking heeft verleend aan de hem ten laste gelegde feiten, maar het antwoordt niet op wettige wijze op het in zijn appelconclusie aangevoerde argument dat de in het labo aanwezige verdachten beschikten over een versleutelde gsm die door de politiediensten niet kon worden uitgelezen, terwijl een dergelijke gsm bij de eiser I niet werd aangetroffen. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt dat de eiser I wetens en willens zijn medewerking heeft verleend aan de hem ten laste gelegde feiten, maar het antwoordt niet op wettige wijze op het in zijn appelconclusie aangevoerde argument dat de eiser I aan D. heeft gevraagd de koeling aan te zetten in de loods, wat hij niet zou hebben gedaan mocht hijzelf bij de feiten betrokken zijn.
  3. De uit artikel 149 Grondwet voortvloeiende motiveringsplicht om te antwoorden op een verweer dat is aangevoerd in een regelmatig voor de rechter genomen conclusie heeft een vormelijk karakter. Of het door de rechter verstrekte antwoord wettig is, is niet relevant voor de beoordeling of artikel 149 Grondwet is nageleefd. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  4. Het arrest oordeelt dat de eiser I twee totaal verschillende verklaringen heeft afgelegd over hoe de huurovereenkomsten zijn tot stand gekomen en dat hij wist dat de huurovereenkomst vals was en dat het pand uiteindelijk werd verhuurd aan de vereniging rond de eiser II. Aldus beantwoordt en verwerpt het arrest het door het eerste onderdeel bedoelde argument. In zoverre mist het eerste onderdeel feitelijke grondslag.
  5. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een verweer is aangewend, maar zelf geen afzonderlijk verweer vormt.
  6. De eiser I heeft in zijn appelconclusie (p. 14-28) aangevoerd dat hij niet op de hoogte was van de activiteiten in de loods en hij heeft daartoe meerdere argumenten ingeroepen, waaronder die waarvan sprake in het tweede en derde onderdeel. Het arrest (p. 17-21) vermeldt een geheel van redenen op grond waarvan het oordeelt dat de eiser I met kennis van zaken heeft deelgenomen aan de hem ten laste gelegde feiten. Het arrest diende dan ook niet nader in te gaan op de door het tweede en derde onderdeel bedoelde argumenten die louter werden aangevoerd ter staving van het verweer dat de eiser I geen kennis had van de in de loods ontwikkelde activiteiten, maar die geen afzonderlijk verweer vormden. In zoverre kunnen het tweede en derde onderdeel niet worden aangenomen. Middelen van de eiser II Eerste middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 187, § 4, Wetboek van Strafvordering: aangezien het verstekvonnis door de ontvankelijkheidsverklaring van het verzet van de eiser II in zijn geheel en met terugwerkende kracht is vervallen, kan het arrest voor de schuldmotivering de redenen van dit vonnis niet hernemen of een deel van die beslissing bevestigen.
  8. De omstandigheid dat bij toepassing van artikel 187, § 4, Wetboek van Strafvordering door de ontvankelijkheidsverklaring van een verzet een verstekveroordeling voor niet bestaande wordt gehouden, belet de rechter in hoger beroep niet om de in de verstekveroordeling vermelde redenen te hernemen of een met de verstekbeslissing genomen beslissing te bevestigen, waarmee de rechter in hoger beroep dan aangeeft dat hij die beslissing herneemt. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt: door onder het randnummer 4 te oordelen dat de ondersteunende elementen en dus ook de politionele informatie dat er in nabije omgeving van de (…) meermaals een voertuig met Duitse nummerplaat werd opgemerkt, dat in de hoekwoning (…)-(…) de moeder van de eiser II stond ingeschreven en dat op naam van de eiser II twee voertuigen stonden ingeschreven, met name een zwarte Audi en een zwarte Mercedes (…), de belastende verklaringen van twee medebeklaagden over de rol van de eiser II geloofwaardig maken en meer bepaald over zijn rol als organisator van het aangetroffen druglabo, neemt het arrest deze inlichtingen en politionele informatie mee in aanmerking als bewijs; aan dergelijke inlichtingen of politionele informatie mag geen bewijswaarde worden toegekend.
  10. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de herkomst van de door het middel geviseerde politionele informatie en inlichtingen niet gekend is. Het middel dat bijgevolg verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  12. Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van het cassatieberoep van de eiser II, verkrijgt de beslissing op de strafvordering kracht van gewijsde. In zoverre het cassatieberoep II is gericht tegen de beslissing waarbij zijn onmiddellijke aanhouding is bevolen, heeft het geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op in het geheel op 185,41 euro, waarvan op het cassatieberoep I 92,70 euro is verschuldigd, en op het cassatieberoep II 92,71 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 5 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081015.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151202.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.