← België

S.

Obsah (9)Art. 47sArt. 235bisArt. 235terArt. 130Art. 182Art. 195Art. 211Art. 162Art. 194

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 47s

exies, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 47s

epties, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235bis

, §§ 5 en 6 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47s

exies, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 47s

epties, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235bis

, §§ 5 en 6 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47s

exies, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 47s

epties, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235bis

, §§ 5 en 6 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47s

exies, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 47s

epties, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235bis

, §§ 5 en 6 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47s

exies, §§ 2 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 47s

epties, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235bis

, §§ 5 en 6 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 10 - 13 De sanctie voor de onregelmatige oproeping van een inverdenkinggestelde voor de raadkamer ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging bestaat niet in de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, maar enkel in het onbestaande houden van de verwijzing naar de vonnisrechter van de niet-verschenen inverdenkinggestelde, in zoverre diens recht van verdediging hierdoor onherstelbaar zou zijn miskend

(1).
(1)Cass. 7 november 2023, AR P.23.0713.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12, AC 2023, nr. 706; Cass. 28 september 2021, AR P.21.0652.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.13, AC 2021, nr. 587, NC 2022, 396, T. Strafr. 2022, 90 noot J. VANDEUREN; Cass. 7 april 2020, AR P.20.0077.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200407.1, AC 2020, nr. 227, RABG 2020, 1404; Cass. 30 september 2015, AR P.15.0802.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150930.4, AC 2015, nr. 572. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 130

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 182

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 130

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 182

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 130

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 182

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 130

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 182

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 14 - 16 Op grond van de artikelen 195, eerste lid en 211 Wetboek van Strafvordering is de strafrechter verplicht om, ingeval van een veroordelende beslissing, de wetsbepalingen te vermelden die het feit strafbaar stellen en die de toegepaste straffen bepalen; noch die bepalingen noch enige andere bepaling verplichten de strafrechter echter om de wetsbepalingen te vermelden die betrekking hebben op de rechtspleging

(1); de enige uitzondering daarop betreft de verplichting voorgeschreven door artikel 41 Taalwet Gerechtszaken; artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering stelt geen feit strafbaar noch bepaalt het een straf, maar heeft enkel betrekking op de rechtspleging; bijgevolg moet de strafrechter die bepaling niet vermelden; de enkele niet-vermelding van dat artikel belet het Hof noch de partijen om de juiste wetstoepassing door de rechter te controleren.
(1)Cass. 9 mei 2023, AR P.23.0219.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.2, AC 2023, nr. 340; Cass. 5 maart 2014, AR P.13.1793.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140305.2, AC 2014, nr. 332; Cass. 16 juni 2004, AR P.04.0671.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040616.24, AC 2004, nr. 332; F. VAN VOLSEM, “De verplichting om in politie- en correctionele zaken de toegepaste wetsbepalingen te vermelden”, NC 2020, 282; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 751. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek

Art. 195

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 41 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek

Art. 195

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 41 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Wetboek

Art. 195

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken - 15-06-1935 - Art. 41 - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Fiches 17 - 20 Ook onder de gelding van artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan de rechter oordelen dat het verval van de strafvordering geen passende sanctie is voor de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn omdat die overschrijding niet tot gevolg heeft gehad dat de bewijsvoering en het recht van verdediging van de beklaagde ernstig en onherstelbaar werden aangetast; bij afwezigheid van specifiek daartoe strekkend verweer dient de rechter niet uitdrukkelijk te vermelden waarom andere omstandigheden die overeenkomstig artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering een impact kunnen hebben op de uit te spreken sanctie wegens de overschrijding van de redelijke termijn, niet aan de orde zijn; evenmin moet de rechter alle wettelijk bepaalde rechtsgevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn, noch de daartoe vereiste omstandigheden, in zijn beoordeling betreffende de sanctionering van die overschrijding betrekken; hij moet enkel vermelden welk gevolg hij aan die overschrijding verbindt en waarom hij dat gevolg in de voorliggende zaak gepast acht

(1).
(1)Over de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn voorafgaand aan de inwerkingtreding van art. 27 V.T.SV. op 28 april 2024, ingevolge de Wet Strafprocesrecht I van 9 april 2024, BS 18 april 2024, zie o.a. Cass. 19 september 2023, AR P.23.0382.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.7, AC 2023, nr. 567; Cass. 5 september 2023, AR P.22.0708.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.11, AC 2023, nr. 526, RW 2023-24, 1149; Cass. 10 mei 2017, AR P.17.0179.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170510.2, AC 2017, nr. 323; Cass. 7 september 2011, AR P.10.1319.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110907.1, AC 2011, nr. 455; Cass. 15 september 2010, AR P.10.0572.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100915.2, AC 2010, nr. 524; GwH 29 juli 2010, nr. 92/2010 en GwH 18 februari 2010, arrest 16/2010, www.const-court.be; F. DERUYCK, “De overschrijding van de redelijke termijn en de onderzoeksgerechten: let's get serious”, in Het strafrecht bedreven. Liber amicorum Alain De Nauw, Die Keure, 2011, 171-182; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procedure pénale, Die Keure, 2021, 58-59; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel& Svacina 2022, 755-757; F. KUTY, Justice pénale et procès équitable, Larcier, 2023, II, 1633-1681. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 27 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 21 - 22 Overeenkomstig de artikelen 162, eerste lid, en 194 Wetboek van Strafvordering verwijst ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, hen in de kosten, zelfs jegens de openbare partij; hieruit blijkt dat een beklaagde niet kan worden veroordeeld tot kosten die uitsluitend betrekking hebben op een telastlegging waarvoor hij is vrijgesproken
(1).
(1)Cass. 6 september 2011, AR P.11.0141.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110906.5, AC 2011, nr. 451; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 1155; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2021, 1564. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 162

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 194

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 162

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 194

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 23 - 24 De rechter bepaalt onaantastbaar in welke mate de kosten van de strafvordering zijn veroorzaakt door de telastleggingen waaraan hij een beklaagde schuldig verklaart; de rechter bepaalt eveneens, waar nodig rekening houdend met de vereisten van artikel 50 Strafwetboek, de verhouding waarin hij die kosten onder de verschillende veroordeelden verdeelt; niet vereist is dat de rechter die kosten uitsplitst over de telastleggingen

(1).
(1)Cass. 6 april 2022, AR P.21.0975.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220406.2F.2, AC 2022, nr. 252; Cass. 9 mei 2007, AR P.07.0091.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070509.10, AC 2007, nr. 240; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2021, 1565. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 25 - 27 Wanneer een strafonderzoek betrekking heeft op meerdere misdrijven die ten laste worden gelegd van meerdere beklaagden en uit de gegevens van het strafdossier niet blijkt welke kosten van de strafvordering precies zijn besteed aan welke bewezen verklaarde misdrijven, dan kan de rechter die kosten voor elke beklaagde die hij schuldig verklaart, bepalen op een forfaitair gedeelte van de totale kosten; die berekening mag echter niet ertoe leiden dat een beklaagde wordt veroordeeld tot kosten met betrekking tot feiten waarvoor hij is vrijgesproken; de appelrechter die in deze omstandigheden een beklaagde schuldig verklaart aan minder telastleggingen dan de eerste rechter, moet niet steeds het forfaitaire aandeel van die beklaagde in de totale kosten van de strafvordering verminderen; die rechter kan immers op andere gronden oordelen dat alle kosten waartoe hij de beklaagde veroordeelt, werden veroorzaakt door de in hoger beroep bewezen gebleven misdrijven
(1).
(1)Vgl. Cass. 18 oktober 2022, AR P.22.0913.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221018.2N.17, AC 2022, nr. 644; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 1155. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek

Art. 162

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 194

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek

Art. 162

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 194

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wetboek

Art. 162

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 194

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 28 - 31 Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet op grond van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Bijzondere opsporingsmethoden Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek

Art. 235ter- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART.

100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 32 - 37 De enkele omstandigheid dat een rechterlijke beslissing melding maakt van vaststellingen opgeleverd door observaties die in het buitenland hebben plaatsgevonden, impliceert niet dat er sprake is van een grensoverschrijdende observatie zoals bedoeld in artikel 40 van de Schengenovereenkomst van 19 juni 1990, artikel 19 van het Benelux-verdrag van 8 juni 2004 en art. 17 van het tweede aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 8 november 2001. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Bijzondere opsporingsmethoden Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Overeenkomst 19 juni 1990 ter uitvoering van het tussen de Regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland, en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke ... - 19-06-1990 - Art. 40 - 36 Link Justel databank 19900619-36 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg inzake grensoverschrijdend politieel optreden, en met de Bijlagen, gedaan te Luxemburg op 8 juni 2004 - 08-06-2004 - Art. 19 - 48 Link Justel databank 20040608-48 Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Straatsburg op 8 november 2001 - 08-11-2001 - Art. 17 - 67 Link Justel databank 20011108-67 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Overeenkomst 19 juni 1990 ter uitvoering van het tussen de Regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland, en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke ... - 19-06-1990 - Art. 40 - 36 Link Justel databank 19900619-36 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg inzake grensoverschrijdend politieel optreden, en met de Bijlagen, gedaan te Luxemburg op 8 juni 2004 - 08-06-2004 - Art. 19 - 48 Link Justel databank 20040608-48 Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Straatsburg op 8 november 2001 - 08-11-2001 - Art. 17 - 67 Link Justel databank 20011108-67 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Overeenkomst 19 juni 1990 ter uitvoering van het tussen de Regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland, en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke ... - 19-06-1990 - Art. 40 - 36 Link Justel databank 19900619-36 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg inzake grensoverschrijdend politieel optreden, en met de Bijlagen, gedaan te Luxemburg op 8 juni 2004 - 08-06-2004 - Art. 19 - 48 Link Justel databank 20040608-48 Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Straatsburg op 8 november 2001 - 08-11-2001 - Art. 17 - 67 Link Justel databank 20011108-67 Thesaurus CAS: BENELUX - VERDRAGSBEPALINGEN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Overeenkomst 19 juni 1990 ter uitvoering van het tussen de Regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland, en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke ... - 19-06-1990 - Art. 40 - 36 Link Justel databank 19900619-36 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg inzake grensoverschrijdend politieel optreden, en met de Bijlagen, gedaan te Luxemburg op 8 juni 2004 - 08-06-2004 - Art. 19 - 48 Link Justel databank 20040608-48 Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Straatsburg op 8 november 2001 - 08-11-2001 - Art. 17 - 67 Link Justel databank 20011108-67 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Overeenkomst 19 juni 1990 ter uitvoering van het tussen de Regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland, en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke ... - 19-06-1990 - Art. 40 - 36 Link Justel databank 19900619-36 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg inzake grensoverschrijdend politieel optreden, en met de Bijlagen, gedaan te Luxemburg op 8 juni 2004 - 08-06-2004 - Art. 19 - 48 Link Justel databank 20040608-48 Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Straatsburg op 8 november 2001 - 08-11-2001 - Art. 17 - 67 Link Justel databank 20011108-67 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Overeenkomst 19 juni 1990 ter uitvoering van het tussen de Regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland, en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke ... - 19-06-1990 - Art. 40 - 36 Link Justel databank 19900619-36 Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg inzake grensoverschrijdend politieel optreden, en met de Bijlagen, gedaan te Luxemburg op 8 juni 2004 - 08-06-2004 - Art. 19 - 48 Link Justel databank 20040608-48 Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, gedaan te Straatsburg op 8 november 2001 - 08-11-2001 - Art. 17 - 67 Link Justel databank 20011108-67 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1013.N I

  1. P. S., beklaagde, aangehouden,
  2. G. G., beklaagde, eisers, beiden met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Maastrichterstraat 99, waar de eisers woonplaats kiezen. II D. D. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pierre Monville, advocaat bij de balie Brussel. III G. N., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg, met kantoor te 3500 Hasselt, Maastrichterstraat 99, waar de eiser woonplaats kiest. IV G. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sam Vlaminck, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Kasteelpleinstraat 30, waar de eiser woonplaats kiest. V A. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2600 Antwerpen (Berchem), Elisabethlei 122, waar de eiser woonplaats kiest. VI S. S., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. VII G. A. L., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Yves Vluggen, advocaat bij de balie Gent. VIII S. S., reeds vermeld, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I, II, III, IV, V, VI en VII zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 7 juni 2024 (hierna het arrest). Het cassatieberoep VIII is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 september 2020 (hierna het arrest 2). De eisers I.1 en I.2 voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie gelijkluidende middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseres VII voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eisers VI en VIII voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  3. In zoverre gericht tegen de hen verleende vrijspraken, zijn de cassatieberoepen van de eisers I.2, III, VI en VII bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers I en III
  4. Het middel voert in zijn beide onderdelen schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, alsook miskenning van het recht van verdediging met inbegrip van het recht op tegenspraak en van het recht op een eerlijk proces met inbegrip van het recht op wapengelijkheid.
  5. Het eerste onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat het aan de verdediging toekomt om aannemelijk te maken dat de voeging van stukken uit een buitenlands strafdossier, die beschikbaar zijn voor het openbaar ministerie maar niet voor de verdediging, vereist is ter vrijwaring van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces; het strafdossier steunt op informatie afkomstig van een Italiaans strafonderzoek; de eiser III is bovendien veroordeeld voor de uitvoer van cocaïne naar Italië; stukken van het Italiaanse strafonderzoek die verband houden met een aantal in Italië uitgevoerde onderzoekshandelingen zijn bij het strafdossier gevoegd, maar dat betreft niet alle stukken en van sommige stukken ontbreken gedeelten of vertalingen; alle procespartijen moeten tegenspraak kunnen voeren over elk stuk dat van aard is het oordeel van de rechter te beïnvloeden en moeten daarom gelijke toegang hebben tot dezelfde stukken; elke partij beslist zelf welke stukken zij relevant vindt om tegenspraak over te voeren; de verdediging die geen kennis kan nemen van de stukken uit het buitenlands strafdossier, kan haar recht van verdediging niet naar behoren uitoefenen. Het tweede onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat het aan de verdediging toekomt om aannemelijk te maken dat informatie uit een strafdossier, die beschikbaar is voor het openbaar ministerie maar niet voor de verdediging, op onrechtmatige wijze zou zijn verkregen op een wijze die het niveau van een loutere bewering overstijgt; aan de eisers I en III moet de mogelijkheid worden geboden om de regelmatigheid van de vaststellingen te betwisten, zelfs als deze door buitenlandse autoriteiten werden bevolen; teneinde de regelmatigheid van deze uitvoeringsdaden te kunnen nagaan, dienen minstens de onderliggende beschikkingen die ten grondslag liggen aan deze onderzoeksdaden te worden gevoegd; er werden immers verschillende observaties en tapmaatregelen bevolen waarvan de eisers I en III de machtigingen niet kunnen nagaan; er kan bezwaarlijk worden gesteld dat de eisers I en III schuldig zijn aan feiten die zouden hebben plaatsgevonden nog voordat het huidige strafrechtelijk onderzoek werd opgestart; de onderzoekshandelingen die in het kader van het Belgische gerechtelijk onderzoek werden verricht, kunnen aldus geen betrekking hebben op deze feiten en kunnen dan ook geen bewijs van hun schuld opleveren; enkel de vaststellingen in Italië hebben hierop betrekking, waardoor de eisers I en III kennis moet kunnen nemen van deze stukken; bij gebrek aan de mogelijkheid voor de eisers I en III om kennis te nemen van de wijze waarop informatie uit het buitenlands strafdossier werd verkregen, kunnen zij hun recht van verdediging niet naar behoren uitoefenen.
  6. Het arrest oordeelt niet dat het openbaar ministerie de beschikking heeft over het ganse Italiaanse strafdossier of over de stukken uit dat dossier die volgens het middel niet bij het voorliggende dossier zijn gevoegd. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  7. Bij tussenarrest van 16 juni 2023 hebben de appelrechters het debat ambtshalve heropend opdat het openbaar ministerie zou kunnen overgaan tot de voeging aan het strafdossier van de beslissingen van de Italiaanse rechterlijke overheid om over te gaan tot de in dat arrest vermelde onderzoeksmaatregelen, van de Italiaanse rechterlijke beslissingen houdende controle over de wettigheid van die onderzoeksmaatregelen en van een Nederlandse vertaling van die stukken.
  8. In zoverre het middel aanvoert dat desondanks bepaalde stukken, met inbegrip van buitenlandse beslissingen waaruit de wettigheid van in het buitenland uitgevoerde onderzoekshandelingen moet blijken, niet, onvolledig of niet-vertaald bij het strafdossier zijn gevoegd, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk.
  9. Indien elementen uit een buitenlands strafdossier zijn gevoegd bij een Belgisch strafdossier en een beklaagde voorhoudt dat de integrale voeging van dit buitenlands strafdossier noodzakelijk is omdat hij de regelmatigheid wil onderzoeken van de bewijsgaring in het buitenlandse strafdossier, staat het aan de rechter te oordelen of, in het licht van de omstandigheden van de zaak, die integrale voeging noodzakelijk is ter vrijwaring van het recht op een eerlijk proces van die beklaagde in zijn geheel beschouwd. Bij die beoordeling kan de rechter rekening ermee houden dat de beklaagde zijn aanvoering dat de bewijsgaring in het buitenlandse strafdossier niet regelmatig is verlopen, niet enigszins aannemelijk maakt en dat de informatie uit het buitenlands strafdossier door de Belgische rechter niet wordt aangewend als autonome bewijsgegevens, maar enkel als inlichtingen die hebben toegelaten het onderzoek in een bepaalde richting te oriënteren.
  10. In zoverre het middel ervan uitgaat dat een beklaagde in dergelijke omstandigheden steeds recht heeft op de voeging van het volledige buitenlandse strafdossier of minstens van alle stukken daaruit die hij louter naar eigen inzicht wenst te controleren, faalt het naar recht.
  11. Het arrest (p. 59-62) oordeelt dat er geen redenen zijn om nog bijkomende stukken of beschikkingen uit het Italiaanse onderzoek op te vragen omdat: - de vanuit het Italiaanse strafdossier bij het Belgische strafdossier gevoegde informatie louter als inlichtingen in aanmerking wordt genomen en daaraan geen enkele bewijswaarde wordt toegekend; - niet aannemelijk wordt gemaakt dat de voeging van het integrale Italiaanse strafdossier noodzakelijk is voor het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces; - uit geen enkel element blijkt dat de informatie op onregelmatige wijze werd verkregen en dit niet aannemelijk wordt gemaakt op een wijze die het niveau van de loutere bewering overstijgt; - de informatie het voorwerp heeft kunnen uitmaken van een debat op tegenspraak; - er zich bijgevolg geen onderzoek opdringt naar de regelmatigheid van de buitenlandse informatiegaring. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  12. In zoverre het middel voor het overige aanvoert dat de schuldigverklaring van de eisers I en III is gebaseerd op vaststellingen in het Italiaanse onderzoek, verplicht het eveneens tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Tweede middel van de eisers I en III
  13. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 47sexies, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het subsidiariteitsbeginsel: het arrest oordeelt ten onrechte dat de onderzoeksrechter het subsidiariteitsbeginsel in acht heeft genomen bij het bevelen van de observatiemaatregel; na het verkrijgen van de initiële informatie uit Italië dat er sprake was van een cocaïnetrafiek vanuit België naar Italië was er immers, behoudens een retroactief telefonieonderzoek, nog geen enkele bijkomende onderzoeksdaad gesteld; bijgevolg is de machtiging tot observatie onwettig en dient deze geweerd te worden uit het strafdossier, evenals alle daarop geënte onderzoeksdaden; door te oordelen dat niet vereist is dat andere, minder ingrijpende onderzoeksmaatregelen, zoals hier een lopende tapmaatregel, eerst zouden moeten worden uitgeprobeerd of dat uitdrukkelijk wordt aangegeven waarin de andere onderzoekstechnieken of opsporingsmethodes precies zouden tekortschieten om het beoogde doel te bereiken en door vervolgens te oordelen dat er onmiddellijk een bijzondere opsporingsmethode kan worden gemachtigd wanneer de onderzoeksrechter meent dat de andere onderzoeksdaden niet doeltreffend genoeg zijn, maar ook om tijdswinst te boeken of omdat hogere belangen op het spel staan, motiveert het arrest niet, minstens op onjuiste wijze, dat de machtiging tot observatie voldeed aan het vereiste van subsidiariteit zoals bepaald in artikel 47sexies, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering.
  14. Het verweer van de eisers dat de bijzondere opsporingsmethode observatie onregelmatig is daar niet is voldaan aan het vereiste van subsidiariteit, betreft wezenlijk de motivering en dus de regelmatigheid van de machtiging tot observatie.
  15. De toets uitgevoerd met toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering beoogt na te gaan of naar de gegevens van het vertrouwelijk dossier de voorschriften betreffende de bijzondere opsporingsmethode bepaald in de artikelen 47sexies Wetboek van Strafvordering en volgende zijn nageleefd. Tot dit onderzoek behoort dat van de regelmatigheid van de machtiging tot observatie bedoeld in artikel 47sexies, § 2 en § 3, Wetboek van Strafvordering, die deel uitmaakt van het vertrouwelijke dossier bedoeld in artikel 47septies, § 1, van hetzelfde wetboek.
  16. Bij de controle over de toepassing van de observatie, handelt de kamer van inbeschuldigingstelling krachtens artikel 235ter, § 5, Wetboek van Strafvordering overeenkomstig artikel 235bis, § 5 en § 6, van dat wetboek. Volgens die bepalingen kunnen de onregelmatigheden die door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht, niet meer worden opgeworpen voor de feitenrechter.
  17. Het arrest (p. 79, nr. 3) oordeelt: “Het hof (van beroep) stipt aan dat het vertrouwelijk dossier (houdende onder meer de machtigingen tot observatie en de vertrouwelijke verslagen) in casu het voorwerp heeft uitgemaakt van de wettigheidscontrole op de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden door de kamer van inbeschuldigingstelling overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering; controle waaruit geen onwettigheid van de gehanteerde BOM-methoden is gebleken.”
  18. De appelrechters zijn voor wat betreft de eisers I en III gebonden door de door hen niet aangevochten beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling. Bijgevolg kunnen de eisers I en III het verweer over de onregelmatigheid van de observatie ingevolge de niet-inachtneming door de onderzoeksrechter van het subsidiariteitsbeginsel niet meer voor de appelrechters opwerpen. Het middel is niet ontvankelijk. Derde middel van de eiser I.1 en derde middel van de eiser I.2
  19. De middelen voeren schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 21ter (lees artikel 27) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 204 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de devolutieve werking van het hoger beroep en de redelijke termijn in strafzaken. De eiser I.1 voert aan dat het arrest hem, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van de strafvervolging, veroordeelt tot een hoofdgevangenisstraf van zeven jaar en een geldboete van 60.000,00 euro, zijnde 10.000,00 euro verhoogd met 50 opdeciemen, of een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen; het arrest oordeelt daarbij dat, indien de redelijke termijn niet was overschreden, de appelrechters de eiser I.1 zouden hebben veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van acht jaar en een geldboete van 20.000,00 euro, te verhogen met de opdeciemen; de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, heeft de eiser I.1 voor dezelfde telastleggingen, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, veroordeeld tot dezelfde straffen bij het verstekvonnis van 10 maart 2022 en bij het beroepen vonnis, gewezen op eisers verzet; het openbaar ministerie heeft tegen geen van deze vonnissen hoger beroep ingesteld; op het enkele hoger beroep van de eiser I.1 tegen het beroepen vonnis kan het arrest hem niet tot een zwaardere straf veroordelen dan deze waartoe hij bij verstek was veroordeeld. De eiser I.2 voert aan dat het arrest hem, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van de strafvervolging, veroordeelt tot een hoofdgevangenisstraf van zes jaar en een geldboete van 60.000,00 euro, zijnde 10.000,00 euro verhoogd met 50 opdeciemen, of een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen; het arrest oordeelt daarbij dat, indien de redelijke termijn niet was overschreden, de appelrechters de eiser I.2 zouden hebben veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van zeven jaar en een geldboete van 20.000,00 euro, te verhogen met de opdeciemen; de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, heeft de eiser I.2 voor onder meer dezelfde telastleggingen, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, veroordeeld tot dezelfde straffen bij het verstekvonnis van 10 maart 2022; het beroepen vonnis heeft eisers verzet ongedaan verklaard; het openbaar ministerie heeft tegen geen van deze vonnissen hoger beroep ingesteld; op het enkele hoger beroep van de eiser I.2 tegen het beroepen vonnis kan het arrest hem niet tot een zwaardere straf veroordelen dan deze waartoe hij bij verstek was veroordeeld.
  20. Er is slechts strafverzwaring die de relatieve werking van het verzet miskent indien het gerecht dat in eerste aanleg of in hoger beroep uitspraak doet over het verzet van de beklaagde, de werkelijk uitgesproken straf verzwaart in vergelijking met de bij verstek uitgesproken straf. Er is geen strafverzwaring indien het gerecht dat uitspraak doet op verzet oordeelt dat bij niet-overschrijding van de redelijke termijn een zwaardere straf zou moeten worden opgelegd dan de bij verstek uitgesproken straf, maar dat ter remediëring van de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn een lagere of gelijke straf wordt opgelegd in vergelijking met de bij verstek opgelegde straf. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Eerste middel van de eiser II Eerste onderdeel
  21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 324ter Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser II schuldig aan de telastlegging I.1 (betrokkenheid bij een criminele organisatie), zonder vast te stellen dat is voldaan aan het constitutieve bestanddeel dat er binnen de organisatie specifieke technieken worden aangewend, namelijk het gebruik van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, dan wel de aanwending van commerciële of andere structuren om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken.
  22. Eensdeels verklaart het arrest de telastlegging I.1 bewezen in de bewoordingen van de artikelen 324bis, eerste lid, en 324ter, § 1, Strafwetboek. Anderdeels oordeelt het arrest (p. 122, laatste alinea) onder meer als volgt: “Uit het strafdossier blijkt onmiskenbaar dat [de eiser II] kennis had van de criminele aard van de organisatie en van het gebruik door de organisatie van de in artikel 324ter Strafwetboek gebruikte methodes en zich wetens en willens in de criminele logica van de criminele organisatie heeft ingeschreven.” Aldus stelt het arrest vast dat is voldaan aan het in het onderdeel vermelde constitutieve bestanddeel. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest kan op grond van de irrelevante feiten die het vermeldt niet oordelen dat de eiser II wetens en willens betrokken was bij een criminele organisatie die gebruik maakte van de in artikel 324ter Strafwetboek bedoelde technieken; aldus is het Hof niet in de mogelijkheid zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
  24. De rechter oordeelt onaantastbaar of een beklaagde al dan niet wetens en willens betrokken is bij een criminele organisatie als bedoeld in artikel 324ter, § 1, Strafwetboek. De rechter kan daarbij rekening houden met alle hem regelmatig overgelegde gegevens. Dergelijke gegevens kunnen, zoals hier (arrest, p. 122-123), erin bestaan dat de beklaagde nauwe contacten onderhield met leden van de criminele organisatie, in het bijzonder met de leider ervan, dat hij voertuigen ter beschikking van de criminele organisatie stelde en dat hij op de hoogte was van het gebruik van een valse identiteit door de leider van de organisatie. Aldus kan het Hof zijn wettigheidtoezicht uitoefenen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II
  25. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging I.1 zonder te antwoorden op zijn verweer dat er geen verband bestaat tussen het door de eiser II gekende gebruik van een valse identiteit door de eiser VI bij diens ziekenhuisopname op 26 november 2015 en de specifieke technieken bedoeld in artikel 324ter, § 1, Strafwetboek.
  26. Met de redenen aangewezen in het antwoord op het eerste middel, tweede onderdeel, verwerpt en beantwoordt het arrest het verweer van de eiser II, zonder te moeten antwoorden op elk tot staving van dat verweer aangevoerd argument. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser II
  27. Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet: het arrest veroordeelt de eiser II tot een effectieve hoofdgevangenisstraf en geldboete zonder te antwoorden op het verweer waarmee de eiser II in uiterst ondergeschikte orde had verzocht hem een gevangenisstraf en een geldboete met uitstel van tenuitvoerlegging op te leggen.
  28. In zijn appelconclusie heeft de eiser II aangevoerd dat hij recht had op uitstel omdat hij acht jaar geleden reeds drie maanden voorlopige hechtenis heeft ondergaan, zijn leven en dat van zijn familie is veranderd ingevolge zijn arrestatie wegens zogezegde deelname aan een criminele organisatie en zijn bank ingevolge het gevoerde onderzoek de commerciële relatie met hem heeft beëindigd.
  29. Met de redenen die het arrest (p. 124-132) bevat en die het middel herneemt, motiveert het arrest omstandig en concreet de aan de eiser II opgelegde straffen. Het arrest oordeelt bovendien dat de eiser II in gebreke blijft afdoende elementen aan te reiken die de appelrechters kunnen toelaten te besluiten dat het opleggen van die bestraffing eisers toekomst op een overdreven wijze, in wanverhouding tot de aard en de ernst van de gepleegde feiten, zou hypothekeren. Verder oordeelt het arrest dat de geldboete tot doel heeft de eiser II te raken in zijn vermogen en hem dient te doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn. Met die redenen verwerpt en beantwoordt het arrest het verweer van de eiser II en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. Het middel kan niet worden aangenomen. Middel van de eiser IV
  30. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest veroordeelt de eiser IV tot dezelfde straffen als het beroepen vonnis, namelijk tot een hoofdgevangenisstraf van zes jaar en een geldboete van 60.000,00 euro, zijnde 10.000,00 euro vermeerderd met 50 opdeciemen, of een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen; het arrest oordeelt eveneens dat, indien de redelijke termijn van de strafvervolging niet was overschreden, de appelrechters de eiser IV hadden veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van zeven jaar en een geldboete van 20.000,00 euro, te verhogen met de opdeciemen; de zaak lastens de eiser IV is in hoger beroep aanhangig ingevolge zijn enkel hoger beroep; niet naar recht verantwoord is de beslissing die stelt tegemoet te komen aan de overschrijding van de redelijke termijn door erop te wijzen dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, er een zwaardere en aldus onwettige straf dan de maximumstraf aan de eiser IV zou zijn opgelegd, aangezien de in de beslissing voorgehouden strafvermindering niet reëel en meetbaar is, maar louter illusoir.
  31. Er is slechts strafverzwaring die de relatieve werking van het enkel door een beklaagde ingestelde hoger beroep miskent indien het gerecht in hoger beroep de werkelijk uitgesproken straf verzwaart in vergelijking met de door de eerste rechter uitgesproken straf. Er is geen strafverzwaring indien het gerecht in hoger beroep oordeelt dat bij niet-overschrijding van de redelijke termijn een zwaardere straf zou moeten worden opgelegd dan de door de eerste rechter uitgesproken straf, maar dat ter remediëring van de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn een lagere of gelijke straf wordt opgelegd in vergelijking met de door de eerste rechter opgelegde straf.
  32. Evenmin impliceert het vermelde oordeel dat het gerecht in hoger beroep geen reële en meetbare strafvermindering ingevolge de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn toepast.
  33. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Middel van de eiser V
  34. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter (thans artikel 27) Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de motiveringsverplichting en het recht van verdediging: het arrest beantwoordt niet, minstens niet op een wettige en pertinente wijze, het verweer van de eiser V over de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering ingevolge zijn onregelmatige oproeping voor de raadkamer, over zijn schuld aan de hem ten laste gelegde feiten en over het aan de overschrijding van de redelijke termijn te verbinden gevolg.
  35. Een onjuiste motivering kan een schending van de wet opleveren, maar geen motiveringsgebrek. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  36. De sanctie voor de onregelmatige oproeping van een inverdenkinggestelde voor de raadkamer ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging bestaat niet in de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, maar enkel in het onbestaande houden van de verwijzing naar de vonnisrechter van de niet-verschenen inverdenkinggestelde, in zoverre diens recht van verdediging hierdoor onherstelbaar zou zijn miskend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  37. Het arrest (p. 70-72, d. “De beweerde nietigheid van de dagvaarding wat betreft [de eiser V]”) oordeelt, eensdeels, dat er geen sprake is van een onregelmatige oproeping van de eiser V voor de raadkamer met het oog op de regeling van de rechtspleging omdat het openbaar ministerie in de door het arrest beschreven omstandigheden geen kennis had of moest hebben van een gekende woon- of verblijfplaats van die eiser en, anderdeels, dat eisers recht van verdediging of recht op een eerlijk proces niet zijn miskend omdat hij zijn recht van verdediging volledig heeft kunnen uitoefenen voor de vonnisrechters. Met die redenen, waarmee het arrest het verweer van de eiser V beantwoordt, is het regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  38. In zoverre het middel voor het overige opkomt tegen het onaantastbare oordeel van het arrest over de feiten, is het niet ontvankelijk.
  39. In zoverre het middel niet preciseert welk verweer in verband met de schuld van de eiser V het arrest niet beantwoordt, is het onduidelijk en bijgevolg evenmin ontvankelijk.
  40. Met de redenen waarmee het arrest (p. 123-132, nr. 4.4.3 over de straftoemeting, in het bijzonder p. 130) de aan de eiser V op te leggen straffen bepaalt, onder meer rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in zijn concrete geval, beantwoordt het eisers verweer over het aan die overschrijding te verlenen gevolg. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  41. In zoverre het middel niet preciseert welk ander verweer van de eiser V in verband met de overschrijding van de redelijke termijn het arrest niet of niet pertinent beantwoordt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  42. De aangevoerde schending van artikel 6 EVRM is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheden. In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk. Middel van de eiseres VII
  43. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 324ter, § 1, Strafwetboek, alsook miskenning van het vermoeden van onschuld en de motiveringsverplichting: het arrest oordeelt dat het boven elke gerede twijfel bewezen zou zijn dat de eiseres VII lid was van de criminele organisatie rond de eiser VI en het verklaart haar schuldig aan de telastlegging H.1, heromschreven als betrokkenheid bij een criminele organisatie; het arrest kan uit de feiten die het vaststelt niet wettig afleiden dat de eiseres VII bewust heeft aanvaard deel uit te maken van een criminele organisatie; de handelingen waarvan sprake in het arrest vormden geen omkadering van een criminele structuur, maar zijn door de eiseres VII enkel gesteld als levenspartner van de eiser VI; het arrest geeft een te ruime interpretatie aan artikel 324ter Strafwetboek.
  44. Uit de enkele omstandigheid dat de rechter met opgave van redenen een beklaagde schuldig verklaart aan een telastlegging, volgt geen miskenning van het vermoeden van onschuld. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  45. Uit gedragingen van de eiseres VII die het arrest (p. 120-121) opsomt, waaronder het laten verdwijnen van sporen en het zorgen voor een onderduikadres voor de eiser VI, kan het arrest wel degelijk wettig afleiden dat die eiseres kennis had van de criminele aard van de organisatie en van het gebruik door de organisatie van de in artikel 324ter Strafwetboek vermelde technieken, alsook dat zij zich wetens en willens heeft ingeschreven in de criminele logica van de organisatie. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser VI Eerste onderdeel
  46. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 195, eerste lid en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest vermeldt niet de toegepaste wetsbepaling aangaande de overschrijding van de redelijke termijn, hoewel het vaststelt dat die overschrijding gevolgen heeft voor de op te leggen bestraffing; bovendien zijn niet alle mogelijke rechtsgevolgen van artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering beoordeeld en kan het Hof noch de eiser VI uitmaken of de appelrechters dat artikel dan wel een niet meer van toepassing zijnde wetsbepaling hebben toegepast.
  47. Bij artikel 34 van de wet strafprocesrecht I van 9 april 2024, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 18 april 2024 en in werking getreden op 28 april 2024, werd artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering vernummerd tot artikel 27 van die titel en werd het gewijzigd. Artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt thans: “Indien de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, kan de rechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken, of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf of, bij een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, het verval van de strafvordering uitspreken. De rechter beoordeelt, in het licht van de omstandigheden van de zaak en het belang van de overschrijding van de redelijke termijn, welke van de in het eerste lid bedoelde gevolgen moet worden uitgesproken. Wanneer de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring wordt uitgesproken, wordt de verdachte veroordeeld in de kosten en, zo daartoe aanleiding bestaat, tot teruggave. De bijzondere verbeurdverklaring wordt uitgesproken.”
  48. Op grond van de artikelen 195, eerste lid en 211 Wetboek van Strafvordering is de strafrechter verplicht om, ingeval van een veroordelende beslissing, de wetsbepalingen te vermelden die het feit strafbaar stellen en die de toegepaste straffen bepalen. Noch die bepalingen noch enige andere bepaling verplichten de strafrechter echter om de wetsbepalingen te vermelden die betrekking hebben op de rechtspleging. De enige uitzondering daarop betreft de verplichting voorgeschreven door artikel 41 Taalwet Gerechtszaken.
  49. Artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering stelt geen feit strafbaar noch bepaalt het een straf, maar heeft enkel betrekking op de rechtspleging. Bijgevolg moet de strafrechter die bepaling niet vermelden.
  50. De enkele niet-vermelding van dat artikel belet het Hof noch de partijen om de juiste wetstoepassing door de rechter te controleren.
  51. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  52. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden, maar dat die overschrijding geen invloed heeft gehad op de bewijsvoering of de uitoefening van het recht van verdediging, zodat er geen grond is om de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken, maar enkel om over te gaan tot strafvermindering; het arrest bevat echter geen beoordeling of motivering betreffende een zeer zwaarwichtige overschrijding van de redelijke termijn of betreffende de gevolgen van een dergelijke overschrijding in het licht van alle omstandigheden van de zaak, zoals thans bepaald in artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; het arrest maakt enkel een beoordeling over een grond tot niet-ontvankelijkheid maar het hanteert geen enkele overweging aangaande de overige rechtsgevolgen die worden vermeld in voormeld artikel 27, namelijk het verval van de strafvordering, de eenvoudige schuldigverklaring of het opleggen van een straf onder het wettelijk minimum.
  53. Ook onder de gelding van artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan de rechter oordelen dat het verval van de strafvordering geen passende sanctie is voor de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn omdat die overschrijding niet tot gevolg heeft gehad dat de bewijsvoering en het recht van verdediging van de beklaagde ernstig en onherstelbaar werden aangetast. Bij afwezigheid van specifiek daartoe strekkend verweer dient de rechter niet uitdrukkelijk te vermelden waarom andere omstandigheden die overeenkomstig artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering een impact kunnen hebben op de uit te spreken sanctie wegens de overschrijding van de redelijke termijn, in het voorliggende geval niet aan de orde zijn.
  54. Evenmin moet de rechter alle wettelijk bepaalde rechtsgevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn, noch de daartoe vereiste omstandigheden, in zijn beoordeling betreffende de sanctionering van die overschrijding betrekken. Hij moet enkel vermelden welk gevolg hij aan die overschrijding verbindt en waarom hij dat gevolg in de voorliggende zaak gepast acht.
  55. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  56. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser VI de appelrechters heeft gevraagd om de strafvordering vervallen te verklaren wegens de miskenning van de redelijke termijn.
  57. Het arrest (p. 89-90) oordeelt: “
  58. In het licht van het voorgaande, rekening houdend met de aard en de omvang van de zaak en het groot aantal verdachten, besluit het hof (van beroep) dat het onderzoek, de vervolging en de behandelingen van de zaak in eerste aanleg en vervolgens in graad van hoger beroep een normaal verloop heeft gekend en er geen periodes van onverantwoorde vertragingen, onderbrekingen of stilstanden vast te stellen zijn.
  59. Anderzijds kan het hof (van beroep) niet omheen het gegeven dat inmiddels meer dan 8,5 jaar is verstreken sedert het tijdstip waarop het merendeel van de beklaagden in de voorliggende zaak leeft onder de dreiging van de strafvervolging. Niettegenstaande de complexiteit en al het voormelde is het hof (van beroep) van oordeel dat een dergelijke lange duur, een miskenning inhoudt van de redelijke termijn, zulks temeer nu [de eiser VI] sedert zijn arrestatie in de voorliggende zaak op 6 november 2015 van zijn vrijheid is beroofd.
  60. De overschrijding van de redelijke termijn van de strafvervolging bracht evenwel niet met zich dat de bewijsvoering en het recht van verdediging van enige beklaagde ernstig en onherstelbaar werd aangetast. Beklaagden werden niet gehinderd in hun mogelijkheid om tegenspraak te voeren over het bewijsmateriaal; zij beschikten over de mogelijkheid om elk nuttig geacht stuk te hunner verdediging voor te leggen en konden elk verweer voeren dat zij wenselijk achtten. Er ligt bijgevolg geen enkele grond voor om de niet ontvankelijkheid van de strafvordering uit te spreken. Wel zal er, ter compensatie van de lange duur van de strafvervolging en de morele last die dat met zich bracht, bij de beoordeling van de strafmaat in hoofde van de nog aan de orde zijnde beklaagden rekening gehouden worden met voormelde overschrijding van de redelijke termijn (cf. hierna bij de straftoemeting).” Vervolgens veroordeelt het arrest (p. 128) de eiser VI tot een hoofdgevangenisstraf van twaalf jaar en een geldboete van 30.000,00 euro, te verhogen met opdeciemen, en oordeelt het dat zonder de overschrijding van de redelijke termijn aan de eiser VI een gevangenisstraf van veertien jaar en een geldboete van 50.000,00 euro, te verhogen met opdeciemen, zou zijn opgelegd.
  61. Met die redenen is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser VI Eerste onderdeel
  62. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest neemt de door het beroepen vonnis gehanteerde verdeelsleutel voor de kosten van de strafvordering over en veroordeelt de eiser VI tot hetzelfde percentage van die kosten, namelijk 27 procent, wat neerkomt op een bedrag van 115.543,91 euro; anders dan het beroepen vonnis spreekt het arrest de eiser VI echter vrij van de telastleggingen A.3.a, b en c, N.1 en O.1, waaraan afzonderlijke kosten waren verbonden; het arrest kan de kosten verbonden aan het onderzoek naar de feiten waarvoor het de eiser VI vrijspreekt niet te zijnen laste leggen; door dat wel te doen, is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd; minstens moet het arrest motiveren waarom eenzelfde verdeelsleutel als in eerste aanleg kan worden gehanteerd in het licht van de verleende vrijspraken en moet het arrest vaststellen of er afzonderlijke kosten gepaard gingen met de telastleggingen waarvoor het de eiser VI vrijspreekt; de eiser VI heeft in zijn grievenformulier aangevoerd dat hij, gelet op de gevraagde vrijspraak, niet kan worden veroordeeld tot de gerechtskosten.
  63. In zoverre het onderdeel aanvoert dat afzonderlijke kosten werden gemaakt voor een of meerdere telastleggingen waarvoor de eiser VI is vrijgesproken, verplicht het tot een onderzoek van feiten. Het Hof is daarvoor niet bevoegd. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
  64. Overeenkomstig de artikelen 162, eerste lid, en 194 Wetboek van Strafvordering verwijst ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, hen in de kosten, zelfs jegens de openbare partij. Hieruit blijkt dat een beklaagde niet kan worden veroordeeld tot kosten die uitsluitend betrekking hebben op een telastlegging waarvoor hij is vrijgesproken.
  65. De rechter bepaalt onaantastbaar in welke mate de kosten van de strafvordering zijn veroorzaakt door de telastleggingen waaraan hij een beklaagde schuldig verklaart. De rechter bepaalt eveneens, waar nodig rekening houdend met de vereisten van artikel 50 Strafwetboek, de verhouding waarin hij die kosten onder de verschillende veroordeelden verdeelt. Niet vereist is dat de rechter die kosten uitsplitst over de telastleggingen.
  66. Wanneer een strafonderzoek betrekking heeft op meerdere misdrijven die ten laste worden gelegd van meerdere beklaagden en uit de gegevens van het strafdossier niet blijkt welke kosten van de strafvordering precies zijn besteed aan welke bewezen verklaarde misdrijven, dan kan de rechter die kosten voor elke beklaagde die hij schuldig verklaart, bepalen op een forfaitair gedeelte van de totale kosten. Die berekening mag echter niet ertoe leiden dat een beklaagde wordt veroordeeld tot kosten met betrekking tot feiten waarvoor hij is vrijgesproken.
  67. De appelrechter die in deze omstandigheden een beklaagde schuldig verklaart aan minder telastleggingen dan de eerste rechter, moet niet steeds het forfaitaire aandeel van die beklaagde in de totale kosten van de strafvordering verminderen. Die rechter kan immers op andere gronden oordelen dat alle kosten waartoe hij de beklaagde veroordeelt, werden veroorzaakt door de in hoger beroep bewezen gebleven misdrijven.
  68. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  69. Het beroepen vonnis (p. 173) steunt de verdeling van de kosten van de strafvordering over de eiser VI en de andere beklaagden, die het aan andere misdrijven schuldig verklaart, op de mate waarin die kosten werden veroorzaakt door de lastens al die beklaagden bewezen verklaarde feiten. Op grond van die verdeelsleutel veroordeelt het beroepen vonnis de eiser VI tot betaling van 27 procent van de kosten van de strafvordering.
  70. De appelrechters spreken de eiser VI vrij voor de in het onderdeel vermelde telastleggingen, waaraan de eerste rechter hem schuldig had verklaard. Zij oordelen dat de door de eerste rechter gehanteerde verdeelsleutel geenszins buitensporig of onredelijk is, dit mede gelet op de aard van het gevoerde onderzoek naar de gepleegde feiten en de door het arrest nader beschreven rol die onder meer de eiser VI daarbij individueel heeft gespeeld. Aldus houden de appelrechters bij de verdeling van de kosten van de strafvordering rekening met andere omstandigheden dan de eerste rechter en blijkt uit hun beslissing niet dat zij de eiser VI veroordelen tot de betaling van kosten voor feiten waarvoor zij hem vrijspreken. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  71. In zoverre het onderdeel tegenstrijdigheid in de motivering van het arrest aanvoert, is het afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk.
  72. Bij afwezigheid van een specifiek bij conclusie daarover gevoerd verweer door de eiser VI, dienden de appelrechters de vermelde beslissing niet nader te motiveren. Dat de eiser VI in zijn grievenformulier heeft aangevoerd dat hij niet tot betaling van kosten van de strafvordering kon worden veroordeeld omdat hij moest worden vrijgesproken, geldt niet als een specifiek verweer. In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen. Tweede onderdeel
  73. Het onderdeel voert miskenning aan van de devolutieve werking van het hoger beroep: het arrest behoudt voor wat betreft de kosten van de strafvordering ten aanzien van de eiser VI eenzelfde percentage als het beroepen vonnis, ondanks eisers vrijspraak voor verschillende feiten in hoger beroep; de eiser VI heeft in zijn grievenformulier ook nauwkeurige grieven geformuleerd aangaande de veroordeling tot de kosten; het openbaar ministerie heeft enkel grieven geformuleerd aangaande de strafmaat; aldus was in het kader van de kosten de zaak enkel aanhangig op het hoger beroep van de eiser VI; zijn hoger beroep maakte de zaak bij de appelrechters slechts aanhangig binnen de grenzen van zijn belang; het arrest dat de eiser VI vrijspreekt voor verschillende telastleggingen maar hem veroordeelt tot betaling van hetzelfde percentage in de kosten van de strafvordering, verzwaart de toestand van eiser VI op zijn enkele hoger beroep.
  74. Het arrest (p. 147) laat de kosten van het uittreksel van de akte van hoger beroep van het openbaar ministerie ten aanzien van onder meer de eiser VI ten laste van de Staat en het veroordeelt de eiser VI voor het overige niet tot betaling van hogere kosten van de strafvordering dan het beroepen vonnis. Aldus verzwaart het arrest de toestand van de eiser VI niet. Het onderdeel mist het feitelijke grondslag. Derde middel van de eiser VIII
  75. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering: het arrest 2 oordeelt dat er geen grensoverschrijdende observaties hebben plaatsgevonden in het gecontroleerde strafdossier; met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordeelt het arrest echter dat er wel degelijk grensoverschrijdende observaties plaatsvonden; aldus heeft de kamer van inbeschuldigingstelling in het arrest 2 niet alle observaties gecontroleerd en kon het niet wettig vaststellen dat er bij de observaties geen onregelmatigheden werden begaan. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: gelet op de vaststelling van het arrest aangaande de grensoverschrijdende observaties, is de beslissing van het arrest 2 om geen prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen tegenstrijdig gemotiveerd.
  76. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet op grond van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering. In zoverre het tweede onderdeel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  77. Overeenkomstig artikel 40 van de overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord van 14 juni 1985, zoals gewijzigd door artikel 1 van het besluit 2003/725/JBZ van de Raad van 2 oktober 2003 houdende wijziging van artikel 40, leden 1 en 7, van de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten Akkoord van 14 juni 1985 betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, mogen ambtenaren van een van de lidstaten die in het kader van een opsporingsonderzoek in hun eigen land een persoon observeren die vermoedelijk heeft deelgenomen aan een strafbaar feit dat tot uitlevering aanleiding kan geven, of, als noodzakelijk onderdeel van een opsporingsonderzoek, een persoon observeren ten aanzien van wie een ernstig vermoeden bestaat dat hij kan bijdragen tot de identificatie of de opsporing van de eerstbedoelde persoon, deze observatie onder bepaalde voorwaarden voortzetten op het grondgebied van een andere lidstaat. Artikel 19 van het Benelux-verdrag van 8 juni 2004 en artikel 17 van het tweede aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 8 november 2001 hebben eenzelfde draagwijdte.
  78. De enkele omstandigheid dat een rechterlijke beslissing melding maakt van vaststellingen opgeleverd door observaties die in het buitenland hebben plaatsgevonden, impliceert niet dat er sprake is van een grensoverschrijdende observatie zoals bedoeld in de vermelde bepalingen. In zoverre het eerste onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Voor het overige is het tweede onderdeel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  79. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  80. Gelet op de verwerping van de cassatieberoepen van de eisers I.1, I.2, III, IV en V, verkrijgt het arrest ten aanzien van die eisers kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat, in zoverre ingesteld tegen de beslissingen over de onmiddellijke aanhouding van die eisers, hun cassatieberoepen geen bestaansreden meer hebben. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 919,58 euro, waarvan de eisers I 120,84 euro zijn verschuldigd, de eiser II 117,54 euro is verschuldigd, de eiser III 128,99 euro is verschuldigd, de eisers IV, V, VI en VII elk 117,51 euro zijn verschuldigd, en de eiser VIII 82,17 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 5 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.17 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.18 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.4 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250225.2N.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250624.2N.45 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040616.24 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070509.10 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100915.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110906.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110907.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131009.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140305.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140528.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150930.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.12 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170510.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200407.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.22 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.15 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.13 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.12 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220406.2F.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221018.2N.17 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251216.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.