id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.14 Rolnummer: P.24.1170.N Zaak: B. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2024-11-15 Raadplegingen: 583 - laatst gezien 2026-06-19 02:59 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241105.2N.14 Fiches 1 - 3 In het arrest van 1 december 2008 in de zaak C-388/08 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat de uitzonderingsbepaling van artikel 27, 3, c, Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2022 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, omgezet naar Belgisch recht in artikel 37, §2, eerste lid, 3° Wet Europees Aanhoudingsbevel, zo moet worden uitgelegd dat zij niet verhindert dat aan de overgeleverde persoon een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd alvorens toestemming van de uitvoerende rechterlijke autoriteit wordt verkregen, op voorwaarde dat die maatregel wettelijk gerechtvaardigd is door andere telastleggingen in het Europees aanhoudingsbevel; deze uitzondering op het specialiteitsbeginsel, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, laat echter niet toe dat een overgeleverde persoon, zonder aanvullende toestemming tot overlevering of zonder zijn instemming, wordt vervolgd of veroordeeld, voor feiten waarvoor zijn voorlopige hechtenis werd bevolen in een ander strafdossier, die dateren van vóór zijn overlevering en die vreemd zijn aan de feiten waarvoor hij werd overgeleverd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27, 3, c Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, § 2, eerste lid, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27, 3, c Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, § 2, eerste lid, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - AANHOUDING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27, 3, c Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, § 2, eerste lid, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 4 - 6 Volgens artikel 37, § 2, eerste lid, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel geldt het specialiteitsbeginsel niet ingeval “de strafprocedure” geen aanleiding geeft tot de toepassing van een maatregel die de individuele vrijheid van de betrokkene beperkt; deze uitzondering op het specialiteitsbeginsel is enkel van toepassing wanneer de individuele vrijheid van de overgeleverde persoon gedurende de ganse strafprocedure, dus ook tijdens het gerechtelijk onderzoek, niet werd beperkt; het feit dat de overgeleverde persoon op het ogenblik van zijn daadwerkelijke vervolging of berechting niet langer van zijn vrijheid is beroofd, doet hieraan geen afbreuk
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27, 3, c Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, § 2, eerste lid, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27, 3, c Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, § 2, eerste lid, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - AANHOUDING Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van de EU van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten - 13-06-2002 - Art. 27, 3, c Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 37, § 2, eerste lid, 3° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1170.N I B. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie te Antwerpen. II PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN eiser, tegen Y. W., beklaagde, verweerder, met als raadsman mr Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I en II zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 7 juni
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Op 16 oktober 2024 heeft advocaat-generaal Bart De Smet een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 5 november 2024 heeft raadsheer Jos Decoker verslag uitgebracht en heeft voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek: door te oordelen dat een werkstraf, dan wel een straf met uitstel van tenuitvoerlegging, zoals door de eiser I werd gevraagd op de rechtszitting en in appelconclusie, mede gelet op de aard en de ernst van de feiten een onvoldoende krachtig maatschappelijk signaal zou inhouden en de eiser I onvoldoende zou wijzen op het ontoelaatbare van zijn handelen, zodat enkel het opleggen van een substantiële en effectieve hoofdgevangenisstraf en geldboete van aard is om de nodige bewustwording bij te brengen en recidive te vermijden, hebben de appelrechters de weigering een werkstraf uit te spreken onvoldoende met redenen omkleed; deze motivering laat de eiser I niet toe te begrijpen waarom hem geen werkstraf werd opgelegd; er kan ook niet eenzelfde redengeving worden gehanteerd om zowel de werkstraf als de straf met uitstel van tenuitvoerlegging af te wijzen.
- De verplichting de weigering te motiveren om een door een beklaagde gevraagde werkstraf uit te spreken, vloeit voort uit artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek en ingeval van een daartoe strekkende conclusie uit artikel 149 Grondwet. Zij vloeit niet voort uit artikel 195 Wetboek van Strafvordering.
- Indien een beklaagde om een werkstraf heeft verzocht en daarover heeft geconcludeerd met opgave van argumenten, dan volgt uit artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek en artikel 149 Grondwet dat uit de rechterlijke beslissing moet blijken dat, voor zover de straf wettelijk mogelijk is, de rechter het verzoek om een werkstraf en de daartoe aangevoerde argumenten in aanmerking heeft genomen en hij bovendien de redenen vermeldt waarom op dat verzoek niet wordt ingegaan.
- Niet is vereist dat de rechter het verzoek om een werkstraf afwijst met een afzonderlijke op zich zelf staande en dus autonome motivering. Die weigeringsbeslissing kan worden gemotiveerd of mede-gemotiveerd door opgave van redenen om een andere straf of andere straffen op te leggen.
- Evenmin is vereist dat de rechter ingaat op elk argument dat de beklaagde in zijn conclusie heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn verzoek om een werkstraf uit te spreken.
- Geen enkele bepaling verzet zich ertegen om de weigering een werkstraf op te leggen, te gronden op dezelfde redenen als die waarop het verzoek om een (probatie-)uitstel wordt afgewezen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt (p. 48-50) bij de straftoemeting dat: - bij de bepaling van de aard en de omvang van de op te leggen bestraffing rekening wordt gehouden met de aard en de ernst van de lastens de eiser I bewezen telastlegging in de zaak II, met zijn precieze aandeel daarin, met de vaststelling dat zijn mededaderschap in zijnen hoofde een daad van deelneming betrof aan de hoofd- en bijkomende activiteit van een vereniging, met zijn drijfveer om de feiten te plegen, met zijn strafrechtelijk verleden, met zijn leeftijd en met zijn persoonlijke en sociale toestand in de mate deze uit het gevoerde onderzoek, de behandeling op de rechtszitting en de voorgelegde stukken zijn gebleken; - met betrekking tot zijn aandeel het hof van beroep aanstipt dat de eiser I zorgde voor een loods waarin de cocaïne ongezien uit de container kon worden gehaald, en een vorklift om deze klus te klaren; - hoewel hij blijkens zijn eigen verklaringen en het voorliggende telefonieonderzoek, daarin begrepen de conversatie in Signal, vóór de vrachtwagen het terrein van zijn werkgever opreed al met zekerheid wist dat hij deelnam aan een georganiseerde cocaïnesmokkel, de eiser I zich verder leende aan de organisatoren van het transport om het zegel op de container te filmen, om de uithaling verder bij te wonen en te filmen en het videobestand als bewijs aan de vereniging te bezorgen; - het handelen van de eiser I één van de vele even noodzakelijke radertjes is om de grote hoeveelheden cocaïne die vanuit de productielanden naar het Europese vasteland worden verzonden in de handen van hun bestemmelingen terecht te laten komen; - zijn tussenkomst er rechtstreeks oorzakelijk aan is dat cocaïne, een verslavende substantie, bij gebruikers terecht kan komen; - daarbij op geen enkele wijze rekening wordt gehouden met de schade die verdovende middelen de gebruiker, zijn directe omgeving en de maatschappij berokkenen; - de gebruiker verslaafd raakt en zijn gezondheid wordt aangetast; - de gezondheidsrisico’s des te groter zijn gezien het ontbreken van kwaliteitscontrole; - de omgeving van de gebruiker noodgedwongen de verslaving van de gebruiker ondergaat; - de maatschappij zich geconfronteerd ziet met drugsverslaafden, de maatschappelijke kost die gepaard gaat met hun opvang en ondersteuning en met de strijd tegen de druggerelateerde criminaliteit, daarin begrepen het steeds toenemende drugsgeweld; - daar tegenover staat dat de enige reden waarom de eiser I hieraan meewerkte gelegen is in snel en groot geldgewin; - de eiser I sedert 1999 al zes keer werd veroordeeld; - hij in 2011 door het hof van beroep te Luik werd veroordeeld wegens valsheid in geschriften en gebruikmaking van de valsheid, wegens een inbreuk inzake afvalstoffen en wegens bezoldigd goederenvervoer zonder toestemming; - de overige vijf veroordelingen voortvloeien uit verkeersinbreuken; - de eiser I thans 58 jaar is; - hij volgens zijn toelichting op de rechtszitting nog steeds op zelfstandige basis werkt voor de onderneming waarvoor hij op het ogenblik van de feiten werkzaam was; - hij facturen van zijn managementvennootschap AB&C bv voorlegt waaruit blijkt dat hij het voormelde bedrijf voor zijn diensten maandelijks 15.125,00 euro factureert; - rekening houdend met deze vermelde parameters een hoofdgevangenisstraf van vijf jaar en een geldboete van 12.000,00 euro (zijnde 1.500,00 euro verhoogd met 70 opdeciemen) zowel naar de aard van de opgelegde straffen als naar hun omvang passend zijn ter beteugeling van de bewezen telastlegging; - het hof van beroep nog aanstipt dat het opleggen van de geldboete zich opdringt gezien de feiten gepleegd werden met het oog op snel geldgewin; - het opleggen van een werkstraf, dan wel een straf met uitstel van tenuitvoerlegging (zelfs al zou dit worden gekoppeld aan de naleving van voorwaarden), zoals gevraagd op de rechtszitting en in appelconclusie, mede gelet op de aard en de ernst van de feiten een onvoldoende krachtig maatschappelijk signaal zou inhouden en de eiser I onvoldoende zou wijzen op het ontoelaatbare van zijn handelen; - alleen het opleggen van een substantiële en effectieve hoofdgevangenisstraf en geldboete van aard is om de nodige bewustwording bij te brengen en recidive te vermijden. Met deze redenen omkleden de appelrechters de weigering om de eiser I te veroordelen tot een werkstraf regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet: door te oordelen dat een werkstraf, dan wel een straf met uitstel van tenuitvoerlegging, zoals door de eiser I werd gevraagd op de rechtszitting en in appelconclusie, mede gelet op de aard en de ernst van de feiten een onvoldoende krachtig maatschappelijk signaal zou inhouden en de eiser I onvoldoende zou wijzen op het ontoelaatbare van zijn handelen, zodat enkel het opleggen van een substantiële en effectieve hoofdgevangenisstraf en geldboete van aard is om de nodige bewustwording bij te brengen en recidive te vermijden, hebben de appelrechters de weigering om een straf met uitstel van tenuitvoerlegging op te leggen onvoldoende met redenen omkleed; deze redengeving is vaag en sibillijns; er kan ook niet eenzelfde redengeving worden gehanteerd om zowel de werkstraf als de straf met uitstel van tenuitvoerlegging af te wijzen.
- Uit artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter die een verzoek om uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf weigert, indien een dergelijke maatregel wettelijk mogelijk is, die beslissing nauwkeurig moet motiveren, ook al mag die motivering beknopt zijn. Bovendien moet de rechter antwoorden op de conclusie van de beklaagde die om een dergelijk uitstel verzoekt. Uit artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet kan geen verdergaande motiveringsplicht worden afgeleid.
- De weigering uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen, desgevallend onder probatievoorwaarden, na een daartoe tot de rechter gericht verzoek, kan met redenen omkleed worden door opgave van de redenen om een effectieve gevangenisstraf en een effectieve geldboete op te leggen.
- Geen enkele bepaling verzet zich ertegen om de weigering (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen, te gronden op dezelfde redenen als die waarop het verzoek om een werkstraf wordt afgewezen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met de redenen van het arrest, vermeld in het antwoord op het eerste middel, omkleden de appelrechters de weigering om de eiser I (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser II Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 37, § 1 en § 2, eerste lid, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: de appelrechters verklaren de strafvordering in de zaak I tegen de verweerder ten onrechte niet ontvankelijk; zij beperken de mogelijkheid om een persoon, die is overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Belgische rechterlijke autoriteit en aan wie een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd, toch te vervolgen of te veroordelen wegens een ander, vóór zijn overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft tot het enkele geval waarbij andere strafbare feiten worden vervolgd dan deze waarvoor de verdachte persoon werd overgeleverd, waarvoor de overlevering bij eenzelfde Europees aanhoudingsbevel werd gevraagd en waarvoor de overlevering door de uitvoerende staat werd geweigerd; de wet stelt deze voorwaarde niet en dit is een beperkende uitleg van de woorden “ander feit”; deze mogelijkheid bestaat ook bij de vervolging en berechting van andere feiten, die initieel niet waren opgenomen in eenzelfde verzoek tot overlevering.
- Artikel 37, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: “Een persoon overgeleverd op grond van een Europees Aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Belgische rechterlijke autoriteit kan niet worden vervolgd, veroordeeld of van zijn vrijheid worden benomen wegens een ander, voor zijn overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft.” Artikel 37, § 2, eerste lid, 3°, van dezelfde wet bepaalt dat die regel niet van toepassing is ingeval “de strafprocedure geen aanleiding geeft tot de toepassing van een maatregel die de individuele vrijheid van de betrokkene beperkt”. Artikel 37, § 1 en § 2, eerste lid, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel is de omzetting in het interne recht van artikel 27, 2 en 3, c, van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten.
- In het arrest van 1 december 2008 in de zaak C-388/08 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat de uitzonderingsbepaling van het voormelde artikel 27, 3, c, zo moet worden uitgelegd dat zij niet verhindert dat aan de overgeleverde persoon een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd alvorens toestemming van de uitvoerende rechterlijke autoriteit wordt verkregen, op voorwaarde dat die maatregel wettelijk gerechtvaardigd is door andere telastleggingen in het Europees aanhoudingsbevel.
- Deze uitzondering op het specialiteitsbeginsel, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, laat echter niet toe dat een overgeleverde persoon, zonder aanvullende toestemming tot overlevering of zonder zijn instemming, wordt vervolgd of veroordeeld, voor feiten waarvoor zijn voorlopige hechtenis werd bevolen in een ander strafdossier, die dateren van vóór zijn overlevering en die vreemd zijn aan de feiten waarvoor hij werd overgeleverd.
- Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 37, § 1 en § 2, eerste lid, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: de appelrechters passen artikel 37, § 2, eerste lid, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel ten onrechte niet toe door zich te beroepen op een aan de verweerder - weliswaar foutief - opgelegde voorlopige hechtenis die aan de daadwerkelijke vervolging, dan wel berechting, van de “andere feiten” voorafging; zij hadden echter moeten vaststellen dat er geen vrijheidsbenemende maatregel bestond op het ogenblik van de daadwerkelijke vervolging en berechting van de verweerder.
- Volgens artikel 37, § 2, eerste lid, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel geldt het specialiteitsbeginsel niet ingeval “de strafprocedure” geen aanleiding geeft tot de toepassing van een maatregel die de individuele vrijheid van de betrokkene beperkt. Deze uitzondering op het specialiteitsbeginsel is enkel van toepassing wanneer de individuele vrijheid van de overgeleverde persoon gedurende de ganse strafprocedure, dus ook tijdens het gerechtelijk onderzoek, niet werd beperkt. Het feit dat de overgeleverde persoon op het ogenblik van zijn daadwerkelijke vervolging of berechting niet langer van zijn vrijheid is beroofd, doet hieraan geen afbreuk. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 37, § 1 en § 2, eerste lid, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: de appelrechters verklaren de strafvordering ten onrechte onontvankelijk aangezien het aan de verweerder in de telastlegging D van de zaak I verweten strafbare feit van deelname aan een criminele organisatie een voortdurend misdrijf is, waarbij de incriminatieperiode ook loopt in een periode na de overlevering op 3 februari 2021, namelijk van 3 februari 2021 tot en met 24 maart 2021; de bepaling van artikel 37, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel is enkel van toepassing op strafbare feiten gepleegd vóór de effectieve overlevering; de appelrechters hadden zich moeten uitspreken voor zover de strafvordering betrekking had op de aan de verweerder verweten deelname aan een criminele organisatie gedurende deze periode vanaf 3 februari
- De appelrechters stellen (arrest, p. 21 en 23, nr. 4) onaantastbaar vast dat de verweerder in de zaak I wordt vervolgd voor feiten die te situeren zijn vóór zijn overlevering. Het onderdeel dat opkomt tegen dit onaantastbare oordeel, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser I tot de kosten van zijn cassatieberoep. Laat de kosten van het cassatieberoep II ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten in het geheel op 262,41 euro, waarvan de eiser I 153,51 euro is verschuldigd en de eiser II 108,90 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 5 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241105.2N.14 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250506.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div