← België

V. contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

489ter - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Beoordelingsbevoegdheid. Raming. Peildatum Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1382- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.

489ter - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.24.0406.N I K. V. H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Wouter Smet, advocaat bij de balie Brussel, II

  1. T. V. H.,
  2. F. V. H., beklaagden, eisers, met als raadsman mr. Bart De Geest, advocaat bij de balie Brussel, de cassatieberoepen I en II tegen Marga PIETERS, met kantoor te 9300 Aalst, Affligemdreef 144, in haar hoedanigheid van curator van het faillissement K. V. H., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 22 februari
  3. De eiser I voert geen middel aan. De eisers II voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  4. In zoverre gericht tegen de beslissingen van het arrest die de eisers I en II vrijspreken, zijn hun cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser I zijn cassatieberoep heeft doen betekenen aan de verweerster, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissing over de burgerlijke vordering van de verweerster, is het cassatieberoep I niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers II
  6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer over de schuldopheffingsgrond die de eisers II in hun appelsyntheseconclusie hebben aangevoerd, namelijk dat elk strafbaar karakter van hun beweerd handelen werd ontnomen door onoverwinnelijke dwaling omdat zij met recht ervan konden uitgaan dat de vroeger met hun geld aangekochte goederen hun eigendom bleven.
  7. De rechter hoeft niet specifiek niet te antwoorden op elk verweer dat een beklaagde afzonderlijk aanvoert. Het antwoord op een bepaald verweer kan namelijk blijken uit andere redenen van de beslissing. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. Het arrest veroordeelt de eisers II voor de feiten van de telastleggingen: - A.29, A.30, A.31, A.32, A.33, A.34, bestaande in het vervalsen van facturen door ofwel het vervangen van de bestemmeling ervan (A.29, A.30, A.32 en A.33) ofwel het namaken ervan (A.31 en A.34), alsook het gebruik van die facturen door ze over te maken aan de curator; - B.2 en gedeeltelijk B.6, bestaande in het verduisteren van activa van het faillissement van de eenmanszaak van de eiser I door ofwel fictieve onderlinge facturaties (B.2) ofwel het vervreemden van tot de faillissementsboedel behorende goederen (gedeeltelijk B.6). Het arrest veroordeelt de eiser II.1 bovendien voor de telastleggingen A.1 en A.2, bestaande uit het vervalsen van pachtovereenkomsten door het antidateren ervan.
  9. Daarbij oordeelt het arrest onder meer als volgt: - met betrekking tot de telastleggingen A.1 en A.2: “De beide pachtovereenkomsten beogen hetzelfde bedrieglijk oogmerk, met name [de eiser II.1] toe te laten een voorkooprecht te verwerven en aldus een verkoop van de kwestieuze onroerende goederen aan derden - in het licht van het nakend faillissement van de eenmanszaak [van de eiser I] – te bemoeilijken”; (p. 30) - met betrekking tot de telastleggingen A.29 tot A.34: “[De eisers II] wilden het landbouwbedrijf van [de eiser I] verderzetten. Door het opstellen van de valse facturen beoogden [de eisers] de curator te misleiden omtrent het eigendomsrecht van een aantal voor de landbouwexploitatie nuttige voorwerpen”; (p. 32) - met betrekking tot de telastlegging B.2: door de onderlinge facturaties tussen de eiser I en de eiser II.1 werd in essentie het handelsfonds van de eenmanszaak van de eiser I overgedragen aan de eiser II.1 aan een niet-betaalde en niet-marktconforme prijs; (p. 33-34) - met betrekking tot de telastlegging B.6: “[De eisers II] wilden het landbouwbedrijf van [de eiser I] verderzetten. Door het verduisteren van een aantal voor de landbouwexploitatie nuttige voorwerpen beoogden zij de failliete boedel te benadelen”; (p. 35) - bij de straftoemeting: “Pachtovereenkomsten en facturen werden door [de eisers] vervalst om derden te misleiden omtrent het beschikkingsrecht over de betrokken (on)roerende goederen. [De eisers] hebben zo goed als het volledige handelsfonds van de eenmanszaak [van de eiser I] en diverse activa daartoe behorend, verduisterd of gepoogd te verduisteren, ook nadat [de eiser I] reeds failliet werd verklaard. [De eiser I] verhinderde een normale afwikkeling van zijn faillissement. [De eisers II] hebben het economisch verkeer ernstig verstoord en de (publieke) schuldeisers van de gefailleerde eenmanszaak [van de eiser I] aanzienlijk benadeeld. Hun bedrieglijk inzicht is stuitend.” (p. 39)
  10. Het bedrieglijk opzet dat voor de vermelde telastleggingen is vereist en dat het arrest met de vermelde redenen bewezen verklaart, meer bepaald het opzet derden te misleiden over de eigendom of het beschikkingsrecht van de tot de faillissementsboedel behorende goederen, is niet bestaanbaar met de aanvoering van de eisers II dat zij zouden hebben gehandeld ingevolge een onoverwinnelijke dwaling die zou voortspruiten uit het feit dat zij konden denken van meet af aan eigenaars te zijn geweest van de ontvreemde goederen. Aldus verwerpt en beantwoordt het arrest met de vermelde redenen het desbetreffende verweer van de eisers II, zonder dat het nog specifiek moest antwoorden op hun verweer inzake de onoverwinnelijke dwaling. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eisers II Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eisers II schuldig aan de telastlegging B.2 zonder hun verweer te beantwoorden dat de beweerdelijk bedrieglijk verduisterde activa niet zijn verdwenen, maar door de verweerster werden aangetroffen en nog steeds bestaan, zodat geen schade kan zijn geleden noch enig misdrijf zich kan constitueren.
  12. Eensdeels oordeelt het arrest (p. 32-33) met betrekking tot de telastlegging B.2 dat de eiser I ten nadele van de failliete boedel heeft beschikt over het handelsfonds van zijn eenmanszaak (vergunningen, rechten, vee, aandelen, goederen) door het in overleg met de eisers II aan hen over te laten zonder werkelijke of minstens normale tegenprestatie. Anderdeels bepaalt het arrest (p. 41-42) de schade van de verweerster ingevolge de telastlegging B.2 op een som van 200.000,00 euro, daarbij onder meer rekening houdend met hetgeen de curatele heeft kunnen recupereren. Aldus beantwoordt het arrest het vermelde verweer van de eisers II, zonder te moeten antwoorden op elk tot staving ervan aangevoerde argument dat geen zelfstandig verweer uitmaakt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  13. Voor het overige behoort het bestaan van schade voor de failliete boedel niet tot de constitutieve bestanddelen van het misdrijf van verduistering van faillissementsactiva. Bijgevolg dient de rechter voor het bewezen verklaren van dat misdrijf niet het bestaan van dergelijke schade te motiveren. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 489ter, eerste lid, 1°, en 490 Strafwetboek: met de redenen die het bevat, verantwoordt het arrest hoogstens het materieel element van het misdrijf van verduistering van faillissementsactief, maar niet het moreel element, namelijk het bijzonder opzet te handelen met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.
  15. Een veroordeling wegens het in artikel 489ter, eerste lid, 1°, Strafwetboek bepaalde misdrijf van verduistering of verberging van faillissementsactiva vereist dat de rechter vaststelt dat de beklaagde heeft gehandeld met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. Bedrieglijk opzet houdt in dat de beklaagde heeft gehandeld om zichzelf of een derde een voordeel te bezorgen.
  16. Uit het geheel van de redenen vermeld onder het eerste middel en het eerste onderdeel van dit middel blijkt dat de appelrechters van oordeel zijn dat de eisers II de feiten van de telastlegging B.2 hebben gepleegd met bedrieglijk opzet, meer bepaald door in samenspraak met de eiser I het handelsfonds van diens eenmanszaak over te nemen en voor te wenden dat zij daarvoor een marktconforme prijs hebben betaald, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eisers II
  17. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet (eerste onderdeel) en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek (tweede onderdeel): het arrest beantwoordt niet het verweer van de eisers II waarbij zij de schade van de verweerster op grond van de telastleggingen B.2 en B.6 hebben betwist wegens het gebrek aan detaillering ervan; het arrest komt ten onrechte tegemoet aan de gebrekkige bewijslevering van de verweerster door het hanteren van een forfaitaire “geraamde” schadevergoeding; de verweerster moet haar schade bewijzen.
  18. De rechter beoordeelt onaantastbaar in feite, maar binnen de perken van de conclusies van partijen, het bestaan en de omvang van de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade, alsook het bedrag van de vergoeding dat nodig is voor het volledige herstel van die schade. De rechter mag de schade naar billijkheid bepalen, mits hij de redenen aangeeft waarom hij de door het slachtoffer voorgestelde berekeningswijze niet kan aannemen en hij tevens vaststelt dat de schade onmogelijk anders kan worden bepaald.
  19. Met de redenen die het arrest (p. 32-35 en p. 40-43) bevat, beantwoordt dit het in het middel aangevoerde verweer van de eisers II, vermeldt het waarom het de door de verweerster gevorderde schade niet kan aannemen en vermeldt het de gegevens op basis waarvan het de schade van de verweerster ingevolge de telastleggingen B.2 en B.6 naar billijkheid bepaalt. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 244,81 euro, waarvan op het cassatieberoep I 122,40 euro is verschuldigd, en op het cassatieberoep II 122,41 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 5 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.