← België

V. contra N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 314

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: OPENBAAR DOMEIN Wettelijke bepalingen:

Art. 314

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 3 - 6 De omstandigheid dat een overheid en een particulier een overeenkomst betitelen als een domeinconcessie, belet de strafrechter niet om op basis van de dossiergegevens te oordelen dat de overeenkomst in werkelijkheid een concessie van diensten is

(1).
(1)S. VAN GARSSE, De concessie in het raam van de publiek-private samenwerking, die Keure, 2007, 360-362. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - UITLEGGING Wettelijke bepalingen:

Art. 314- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: OVERHEIDSOPDRACHTEN (WERKEN.

LEVERINGEN. DIENSTEN) Wettelijke bepalingen:

Art. 314

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: OPENBAAR DOMEIN Wettelijke bepalingen:

Art. 314

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Wettelijke bepalingen:

Art. 314

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Annotaties Publicaties: NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2025, nr. 515, p. 59-

  1. - YPERMAN, Ward; Noot'Belemmering vrijheid van opbod of inschrijving' Tekst van de beslissing Nr. P.23.0980.N I S. V. E., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, II M. T., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, de beide cassatieberoepen tegen NMBS nv, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Frankrijkstraat 56, ON 0203.430.576, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I en II zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 11 mei
  2. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I en II
  3. Het arrest spreekt door bevestiging van het beroepen vonnis de eisers I en II vrij voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A1 en C. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen I en II bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  4. Het arrest oordeelt met bevestiging van het beroepen vonnis geen kennis te kunnen nemen van de burgerlijke vordering van de verweerster tegen de eiser II in zoverre gesteund op de feiten omschreven onder de telastleggingen A1 en C en het verklaart die vordering in zoverre gesteund op de feiten omschreven onder de telastlegging B ongegrond. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep II bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel van de eiser I
  5. Het middel voert schending aan van artikel 314 Strafwetboek: hoewel de toewijzing van een domeinconcessie niet valt onder het toepassingsgebied van deze bepaling, past het arrest die strafbepaling toch toe en verklaart het de eiser I schuldig aan de feiten omschreven onder de telastlegging B; een domeinconcessie, die essentieel bestaat in de terbeschikkingstelling van een deel van het openbaar domein aan een particulier teneinde deze toe te laten daar een activiteit uit te oefenen, is geen toewijzing van eigendom, vruchtgebruik of huur van roerende of onroerende zaken, van een aanneming, van een levering, van een bedrijf of van enige dienst; de strafbepaling moet beperkend worden geïnterpreteerd; de omstandigheid dat de toewijzing van een deel van het openbaar domein is gekoppeld aan de toewijzing van een specifieke dienst, namelijk het uitbaten van een koffiebar, laat niet toe anders te oordelen; bepalend voor een domeinconcessie is immers de toewijzing van een deel van het openbaar domein en niet het doel dat daarmee wordt beoogd.
  6. Artikel 314 Strafwetboek is onder meer van toepassing op “enige dienst”.
  7. De publieke toewijzing van een concessie van diensten valt onder het begrip toewijzing van enige dienst in artikel 314 Strafwetboek.
  8. De enkele omstandigheid dat de toewijzing van een concessie van diensten gepaard gaat met de terbeschikkingstelling van een deel van het openbaar domein aan een particulier teneinde deze toe te laten daar de activiteit voorwerp van deze concessie uit te oefenen, heeft niet tot gevolg dat die toewijzing buiten het toepassingsgebied van artikel 314 Strafwetboek valt.
  9. In zoverre het middel ervan uitgaat dat elke terbeschikkingstelling van het openbaar domein, ook als die gepaard gaat met de publieke toewijzing van een concessie van diensten, een domeinconcessie impliceert, faalt het naar recht.
  10. De omstandigheid dat een overheid en een particulier een overeenkomst betitelen als een domeinconcessie, belet de strafrechter niet om op basis van de dossiergegevens te oordelen dat de overeenkomst in werkelijkheid een concessie van diensten is. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - het voorwerp van de concessie wordt in het opdrachtdocument voor de toewijzing als volgt omschreven: “
  12. Voorwerp van de concessie De concessie heeft als doel de exploitatie van een ‘Coffee Bar’. De kandidaat-concessionaris dient een omstandige omschrijving te geven van het exploitatieconcept dat hij wenst te realiseren, de geboden dienstverlening, gedetailleerde plannen en schetsen van de inrichting, referenties voor het coffee concept en het aangeboden productgamma. De uitbating zal gebeuren als domeinconcessie en onder de voorwaarden vermeld in het typecontract NMBS (…)”; - uit deze omschrijving van het voorwerp van de opdracht blijkt dat de verweerster bij het verlenen van een recht op het gebruik van het openbaar domein uitdrukkelijk aan de concessiehouder oplegt om een specifieke dienst te verlenen, namelijk de uitbating van een koffiebar; - de toewijzing van een deel van het openbaar domein is bijgevolg gekoppeld aan de toewijzing van een specifieke dienst; - het feit dat deze dienst vanwege zijn commercieel karakter niet zou kunnen worden beschouwd als een openbare dienst, is niet van belang aangezien artikel 314 Strafwetboek in het algemeen verwijst naar enige dienst. Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de met de telastlegging B bedoelde toewijzing een concessie voor diensten is, die binnen het toepassingsgebied van artikel 314 Strafwetboek valt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser II Eerste onderdeel
  13. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het middel van de eiser I. Het wordt om de redenen die zijn vermeld als antwoord op dit middel verworpen. Tweede onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 5.64, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek en artikel 314 Strafwetboek: het arrest oordeelt met verwijzing naar de verklaringen van E.S. dat die onder druk werd gezet om geen offerte in te dienen voor de concessie, nadat de eiser I hem op de hoogte had gebracht van de e-mail van 29 maart 2015 en het neemt dit aan als een listige kunstgreep die de vrijheid van opbod heeft verstoord; dit gegeven blijkt niet uit de verklaring die E.S. op 9 mei 2016 heeft afgelegd; E.S. heeft ontkend dat hij ooit is bedreigd naar aanleiding van zijn kandidatuur voor een concessie; bijgevolg miskennen de appelrechters de bewijskracht van deze verklaring; uit de verklaring van de eiser II blijkt dat het contact tussen een medewerker van de eiser II en E.S. plaatsvond op een ogenblik waarop de offerte reeds was ingediend; aangezien de offerte reeds was ingediend, kan de beweerde bedreiging geen listige kunstgreep uitmaken.
  15. Het arrest oordeelt niet alleen zoals door het onderdeel wordt aangevoerd, maar ook dat “uit het strafonderzoek is gebleken dat [de eiser I] zeer geregelde contacten had met [de eiser II]. Het hof (van beroep) acht het in het geheel niet aannemelijk dat [de eiser I] de vennootschap van [de eiser II] zou hebben willen bevoordelen zonder dat [de eiser II] daarvan op de hoogte was en daaraan zijn medewerking heeft verleend”.
  16. Deze zelfstandige reden draagt de beslissing dat de eiser II via listige kunstgrepen mede de vrijheid van opbod heeft verstoord en dat de feiten omschreven onder de telastlegging B ook ten aanzien van hem bewezen zijn. Het onderdeel dat niet kan leiden tot cassatie, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 66 en 67 Strafwetboek: de schuldigverklaring van de eiser II aan de feiten omschreven onder de telastlegging B, die wordt afgeleid uit het feit dat de eiser I de vennootschap van de eiser II zou hebben willen bevoordelen en dat het niet aannemelijk is dat de eiser II daarvan niet op de hoogte zou zijn geweest, is niet naar recht verantwoord; strafbare deelneming veronderstelt in de regel een positieve daad; de loutere wetenschap dat een misdrijf wordt gepleegd, zonder een positieve daad van deelneming, volstaat niet.
  18. Het arrest grondt de schuldigverklaring van de eiser II aan de feiten omschreven onder de telastlegging B niet louter op het feit dat de eiser I de vennootschap van de eiser II zou hebben willen bevoordelen en dat het niet aannemelijk is dat de eiser II daarvan niet op de hoogte zou zijn geweest, maar ook op de uit het strafdossier gebleken zeer geregelde contacten tussen de eisers I en II. Het onderdeel dat nalaat deze reden in zijn kritiek te betrekken, berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 178,81 euro, waarvan op het cassatieberoep I 89,40 euro is verschuldigd, en op het cassatieberoep II 89,41 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 5 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.30 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.