id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 13 Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187, § 6, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.24.0975.N M. V.H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bart Bleyaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 5 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 187, § 6, Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat de eiser zich niet beroept op overmacht of een wettige reden van verschoning ter verantwoording van zijn verstek, verantwoorden de appelrechters niet naar recht dat eisers verzet tegen het wat hem betreft bij verstek gewezen arrest van 21 februari 2024 ongedaan moet worden verklaard; hierdoor wordt een onverantwoord verschil in behandeling ingevoerd tussen enerzijds beklaagden die verzet aantekenen tegen een verstekbeslissing en zich op overmacht of een wettige reden van verschoning kunnen beroepen, en anderzijds beklaagden die zich niet hierop kunnen beroepen; de omstandigheid dat een bij verstek veroordeelde beklaagde die zich niet op overmacht of een wettige reden van verschoning kan beroepen de zaak niet opnieuw kan laten beoordelen door een rechter, houdt een onevenredige sanctie in, die niet kan worden verantwoord door de doelstelling om meer snelheid en doeltreffendheid te waarborgen in de strafprocedure; ondergeschikt dient aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te worden gesteld: “Schendt artikel 187, § 6, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die mate dat zij aan het rechtscollege oplegt om het verzet ongedaan te verklaren behoudens overmacht of wettige reden terwijl het verlies van het recht om de zaak opnieuw te zien onderzocht worden onevenredig is ten aanzien van het doel om meer snelheid en doeltreffendheid te waarborgen?”
- In zoverre het onderdeel het Hof ertoe uitnodigt om na te gaan of artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering strijdig is met de artikelen 10 en 11 Grondwet, welke bevoegdheid bij toepassing van artikel 142, tweede lid, 2°, Grondwet en de artikelen 1, 2°, en 26, § 1, 3°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof slechts toekomt aan het Grondwettelijk Hof en waartoe het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
- Bij arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017, waarnaar de appelrechters verwijzen, heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat, onder voorbehoud dat de begrippen “overmacht of een wettige reden van verschoning” worden geïnterpreteerd in die zin dat het verzet effectief blijft voor de niet verschenen beklaagden die geen afstand hebben gedaan van te verschijnen en zich te verdedigen en evenmin de intentie hadden zich te onttrekken aan het gerecht, artikel 187, § 6, Wetboek van Strafvordering niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het recht van de beklaagde op toegang tot de rechter (B.39.4). Met dit oordeel beantwoordt het arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017 de door de eiser opgeworpen prejudiciële vraag, die in wezen een identiek onderwerp betreft.
- De prejudiciële vraag wordt bijgevolg niet gesteld. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: met het oordeel dat artikel 187, § 6, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet kennelijk niet schendt, verantwoorden de appelrechters hun weigering om de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen niet naar recht; hierdoor meet het hof van beroep zich immers een beoordelingsbevoegdheid toe die louter het Grondwettelijk Hof toekomt.
- Uit het antwoord op het tweede onderdeel blijkt dat de voormelde prejudiciële vraag niet moet worden gesteld omwille van de in dat antwoord vermelde redenen. Het onderdeel kan bijgevolg niet tot cassatie leiden en is derhalve, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250408.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div