id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.14 Rolnummer: P.24.1169.N Zaak: V. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2024-11-18 Raadplegingen: 633 - laatst gezien 2026-06-18 20:30 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Het verzuim van een voorzitter om een proces-verbaal van de zitting te ondertekenen, kan worden hersteld overeenkomstig artikel 788 Gerechtelijke Wetboek, dat toepasselijk is in strafzaken en deze rechtzetting kan gebeuren nadat een rechtsmiddel is ingesteld
(1)Zie Cass. 16 september 2015, AR P.15.0562.F, AC 2015, 2069, nr. 525, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150916.6; Cass. 14 januari 2009, AR P.08.1350.F, AC 2009, nr. 28, ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090114.6; Cass. 10 oktober 2007, AR P.07.0864.F, AC 2007, nr. 472, ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071010.9, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071010.9; Cass. 8 februari 2005, AR P.04.1606.N, AC 2005, nr. 79, ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050208.6, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas., ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071010.9; Cass. 16 oktober 2002, AR P.02.0683.F, AC 2002, nr. 543, ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021016.2, Rev. dr. pén. 2003, 302, met noot. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 788 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 788 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1169.N R. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen A. D., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 25 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep en de memorie
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerster en zijn memorie haar ter kennis heeft gebracht, hoewel hij daartoe krachtens de artikelen 427 en 429 Wetboek van Strafvordering gehouden is. In zoverre ook gericht tegen de beslissing op de burgerlijke vordering van de verweerster, zijn eisers cassatieberoep en memorie niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 155, 189, 190, 210 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 10 van de wet van 1 mei 1849 op de politie- en de correctionele rechtbanken: het arrest is nietig; het proces-verbaal van de rechtszitting van 11 maart 2024, waarop de zaak werd behandeld en in beraad genomen, is niet ondertekend door de voorzitter; evenmin bevat het de vermelding dat deze in de onmogelijkheid is om te tekenen; bijgevolg is het proces-verbaal van de rechtszitting nietig en kan de regelmatigheid van de op die rechtszitting gevoerde rechtspleging niet worden nagegaan; die regelmatigheid blijkt evenmin uit het arrest of uit andere procedurestukken.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - de procureur-generaal bij het Hof heeft bij brief van 31 oktober 2024 de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel gewezen op het feit dat het proces-verbaal van de rechtszitting van 11 maart 2024 niet werd ondertekend door de voorzitter en hem gevraagd of hij het opportuun zou achten dit verzuim te doen herstellen bij toepassing van artikel 788 Gerechtelijk Wetboek; - bij kantschrift van 7 november 2024 heeft de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel het dossier toegestuurd aan de hoofdgriffier bij het hof van beroep met het verzoek te willen voldoen aan de brief van 31 oktober 2024; - bij kantschrift van 7 november 2024 heeft de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel het dossier teruggestuurd naar de griffie van het Hof met verwijzing naar de brief van 31 oktober 2024; - het proces-verbaal van de rechtszitting van 11 maart 2024 bleek inmiddels te zijn ondertekend door de voorzitter.
- Aangezien uit de samenlezing van de voormelde stukken blijkt dat het verzuim bestaande in de niet-ondertekening door de voorzitter van het proces-verbaal van de rechtszitting van 11 maart 2024 bij toepassing van artikel 788 Gerechtelijk Wetboek werd rechtgezet, kan het middel niet langer tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter (oud), thans artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest antwoordt niet op de aanvoering in de appelconclusie van de eiser dat de redelijke termijn is overschreden aangezien opdrachten van de procureur des Konings door de politie spijts herinneringen aanvankelijk niet werden uitgevoerd en het uiteindelijk bijna één jaar duurde voor dat ze werden uitgevoerd; bovendien kan niet worden vastgesteld dat de vertraging te wijten is aan de coronapandemie.
- In zoverre het middel betwist dat er vertraging is die te wijten is aan de coronapandemie, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is of komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechters en is het niet ontvankelijk.
- Met de redenen die het arrest (p. 17) bevat betreffende de voorgehouden overschrijding van de redelijke termijn, beantwoorden en verwerpen de appelrechters voor het overige de door het middel bedoelde aanvoering. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 120,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021016.2 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050208.6 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071010.9 ECLI:BE:CASS:2007:CONC.20071010.9 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090114.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150916.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div