id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 november 2024 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.16 Rolnummer: P.23.0115.N Zaak: BELGISCHE STAAT, MIN FINANCIEN c. LLO Trading NV Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2024-11-18 Raadplegingen: 555 - laatst gezien 2026-06-15 03:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241112.2N.16 Fiche 1 Teneinde te bepalen waar een onregelmatige onttrekking van accijnsgoederen aan een accijnsschorsingsregeling heeft plaatsgevonden, volgt uit de artikelen 6, §§ 1 en 2, a), 8, §§ 1, 2 en 4, en 25, § 2, Accijnswet 2009, die de omzetting zijn van de respectieve artikelen 7.1, 7.2.a), 10.1, 10.2, 10.4 en 20.2 Accijnsrichtlijn 2008, dat een onderscheid moet worden gemaakt naargelang 1) kan worden vastgesteld waar die onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, 2) enkel kan worden vastgesteld dat ergens een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, 3) geheel niet kan worden vastgesteld dat zich een onregelmatigheid heeft voorgedaan maar enkel dat de accijnsgoederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 6, §§ 1 en 2,
- a)- 13 ELI link Pub nr 2009003493 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 8, §§ 1, 2 en 4 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 25, § 2 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG - 16-12-2008 - Art. 7.1 Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG - 16-12-2008 - Art. 7.2,
- a)Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG - 16-12-2008 - Art. 10.1 Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG - 16-12-2008 - Art. 10.2 Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG - 16-12-2008 - Art. 10.4 Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG - 16-12-2008 - Art. 20.2 Fiche 2 Uit de samenhang van de artikelen 6, §§ 1 en 2, a), 8, §§ 1, 2, 4 en 6 en 25, § 2, Accijnswet 2009 volgt dat tussen eensdeels een vastgestelde onregelmatigheid tijdens de overbrenging van accijnsgoederen en anderdeels de onttrekking van accijnsgoederen aan een accijnsschorsingsregeling en bijgevolg de niet-regelmatige overbrenging daarvan, een oorzakelijk verband moet bestaan; louter op grond van de vaststelling dat de accijnsgoederen niet op de aangegeven bestemming in de lidstaat van bestemming zijn toegekomen, kan het arrest niet naar recht afleiden dat een onregelmatigheid tijdens de overbrenging van die goederen werd vastgesteld in die lidstaat als gevolg waarvan hun overbrenging niet overeenkomstig de aangifte werd beëindigd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 6, §§ 1 en 2,
- a)- 13 ELI link Pub nr 2009003493 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 8, §§ 1, 2, 4 en 6 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 25, § 2 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0115.N I en II BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de regionale directeur van de administratie geschillen van de algemene administratie van de douane en accijnzen te Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, vervolgende partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, tegen 1. XYNTA bv, met zetel te 2000 Antwerpen, Korte Doornikstraat 11, in haar hoedanigheid van vereffenaar van LLO TRADING nv, ON 0885.726.103, beklaagde, 2. Vincent VERLAECKT, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Houten Schoen 54, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement MANAGEMENT & TRADING INTERNATIONAL bv, ON 0884.799.455, beklaagde, 3. E. P., beklaagde, 4. L. D., beklaagde, met als raadsman mr. Erhard Vermeulen, advocaat bij de balie Antwerpen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 15 december 2022, gewezen op verwijzing ingevolge het arrest van het Hof van 23 maart 2021. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Op 31 oktober 2024 heeft advocaat-generaal Dirk Schoeters een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie van het Hof. Op de rechtszitting van 12 november 2024 heeft raadsheer Eric Van Dooren verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II 1. Volgens artikel 419 Wetboek van Strafvordering kan niemand een tweede maal cassatieberoep instellen tegen dezelfde beslissing, behoudens in de gevallen waarin de wet voorziet. Het cassatieberoep II is niet ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 7.1, 7.2.a), 10.2, 10.4 en 10.6, Accijnsrichtlijn 2008; - de artikelen 6, § 1 en § 2, a, 8, § 2, § 4 en § 6, Accijnswet 2009 2. Artikel 6, § 1 en § 2, a, Accijnswet 2009 bepaalt: “§ 1. De accijnzen worden verschuldigd op het tijdstip van de uitslag tot verbruik hier te lande. De voorwaarden inzake de verschuldigdheid en het toepasselijk tarief zijn deze van kracht op de datum van de uitslag tot verbruik. § 2. Onder “uitslag tot verbruik” wordt verstaan:
- a)het onttrekken van accijnsgoederen aan een accijnsschorsingsregeling, waaronder ook het onregelmatig onttrekken is begrepen. (…)” 3. Artikel 8, § 1, § 2 en § 4, Accijnswet 2009 bepaalt: “§ 1. Indien tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling hier te lande een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden die resulteerde in uitslag tot verbruik van deze goederen overeenkomstig artikel 6, § 2, onder a), vindt de uitslag tot verbruik hier te lande plaats. § 2. Indien tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling hier te lande een onregelmatigheid is vastgesteld die resulteerde in uitslag tot verbruik van deze goederen overeenkomstig artikel 6, § 2, onder a), en er niet kan worden vastgesteld waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden wordt deze geacht hier te lande te hebben plaatsgevonden en op het tijdstip waarop de onregelmatigheid werd vastgesteld. (…) § 4. Indien onder een accijnsschorsingsregeling overgebrachte accijnsgoederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen en er tijdens de overbrenging geen onregelmatigheid is vastgesteld die resulteerde in uitslag tot verbruik van de accijnsgoederen overeenkomstig artikel 6, § 2, onder a), wordt de onregelmatigheid geacht te hebben plaatsgevonden in de lidstaat van verzending en op het tijdstip van aanvang van de overbrenging. (…)” 4. Volgens artikel 25, § 2, Accijnswet 2009 eindigt de overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling onder meer op het tijdstip waarop de geadresseerde de accijnsgoederen in ontvangst heeft genomen. 5. De artikelen 6, § 1 en § 2, 8, § 1, § 2 en § 4, en 25, § 2, Accijnswet 2009 zijn de omzetting van de respectieve artikelen 7.1, 7.2.a), 10.1, 10.2, 10.4 en 20.2 Accijnsrichtlijn 2008. De artikelen 6, 9 en 19 van de richtlijn (EU) 262/2020 van de Raad van 19 december 2019 houdende een algemene regeling inzake accijns (hierna Accijnsrichtlijn 2019), omgezet bij de artikelen 5 en 13 van de wet van 16 oktober 2022 tot wijziging van de Accijnswet 2009, brachten desbetreffend geen inhoudelijke wijzigingen aan. 6. Overweging 11 Accijnsrichtlijn 2008 en thans overweging 13 Accijnsrichtlijn 2019 bepalen: “In geval van een onregelmatigheid tijdens de overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling, dient de accijns verschuldigd te worden in de lidstaat waar de in de uitslag tot verbruik resulterende onregelmatigheid heeft plaatsgevonden of, indien niet is vast te stellen waar de onregelmatigheid plaatsvond, in de lidstaat waar zij is geconstateerd. Indien de accijnsgoederen niet op hun plaats van bestemming zijn aangekomen en er geen onregelmatigheid is geconstateerd, dient ervan te worden uitgegaan dat er een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden in de lidstaat waar de accijnsgoederen zijn verzonden.” 7. Teneinde te bepalen waar een onregelmatige onttrekking van accijnsgoederen aan een accijnsschorsingsregeling heeft plaatsgevonden, volgt uit de voormelde bepalingen dat een onderscheid moet worden gemaakt naargelang 1) kan worden vastgesteld waar die onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, 2) enkel kan worden vastgesteld dat ergens een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, 3) geheel niet kan worden vastgesteld dat zich een onregelmatigheid heeft voorgedaan maar enkel dat de accijnsgoederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen. 8. Artikel 8, § 6, Accijnswet 2009, dat de omzetting betreft van artikel 10.6 Accijnsrichtlijn 2008, bepaalt: “Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "onregelmatigheid" verstaan, een andere dan de in artikel 6, § 4, bedoelde situatie die zich tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling voordoet en als gevolg waarvan die overbrenging of een onderdeel van die overbrenging van accijnsgoederen niet overeenkomstig artikel 25, § 2, is geëindigd.” Met de situatie in artikel 6, § 4, Accijnswet 2009 is bedoeld de algehele vernietiging of het onherstelbare algehele of gedeeltelijke verlies van onder een accijnsschorsingsregeling geplaatste accijnsgoederen door niet te voorziene omstandigheden of overmacht. 9. Uit de samenhang van de voormelde bepalingen volgt dat tussen eensdeels een vastgestelde onregelmatigheid tijdens de overbrenging van accijnsgoederen en anderdeels de onttrekking van accijnsgoederen aan een accijnsschorsingsregeling en bijgevolg de niet-regelmatige overbrenging daarvan, een oorzakelijk verband moet bestaan. 10. Het arrest (p. 14-15, nr. 9.2) oordeelt over een onregelmatigheid in de voormelde zin als volgt: - de valse aanzuivering van de accijnsaangiften met de vermelding van fictieve geadresseerden in Italië houdt geen onregelmatigheid in die resulteerde in een uitslag tot verbruik van de niet-aangekomen accijnsgoederen; - het strafdossier laat niet toe te beoordelen waar de onttrekking, namelijk de onregelmatigheid die resulteerde in uitslag tot verbruik, van de accijnsgoederen daadwerkelijk heeft plaatsgevonden; - het staat niet vast dat in Italië een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, maar door de Italiaanse autoriteiten kon wel worden vastgesteld dat de accijnsgoederen tijdens hun overbrenging aan de accijnsschorsingsregeling werden onttrokken; - zonder dat de concrete vaststellingen uit hun opgestelde documenten blijken, konden de Italiaanse autoriteiten het bestaan van een onregelmatigheid vaststellen gelet op het feit dat de accijnsgoederen nooit in de Italiaanse belastingentrepots bleken te zijn toegekomen en het feit dat er daarbij sprake was van “spookbelastingentrepots”. 11. Met die redenen stelt het arrest in wezen enkel vast dat de accijnsgoederen niet op de aangegeven bestemming in Italië zijn toegekomen. Louter op grond daarvan kan het arrest niet afleiden dat een onregelmatigheid tijdens de overbrenging van die goederen werd vastgesteld in Italië als gevolg waarvan hun overbrenging niet overeenkomstig de aangifte werd beëindigd. Aldus schendt het arrest de hoger aangehaalde wetsbepalingen. Middel van de eiser 12. Het middel van de eiser dat niet kan leiden tot ruimere cassatie behoeft geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige 13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep I voor het overige. Verwerpt het cassatieberoep II. Laat een tiende van de kosten van het cassatieberoep I en de kosten van het cassatieberoep II ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 1.743,08 euro, waarvan 1.740,08 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 12 november 2024 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.16 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241112.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div